Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.2.8.1:5.2.8.1 Interpretaties van de procedurele implementatieverplichting
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.2.8.1
5.2.8.1 Interpretaties van de procedurele implementatieverplichting
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur en de rechtspraak worden verschillende interpretaties aan de implementatiebepaling gegeven. Twee interpretaties van de implementatieverplichting zijn daarbij leidend.1
Volgens de eerste interpretatie is het eerste gedeelte van de zin leidend. Verankering dient te geschieden ‘middels bindende en permanente bepalingen’ – dit wil zeggen dat de bepaling sowieso bindend dient te zijn voor de begrotingswetgever. Dit kan via constitutionele bepalingen en als alternatief via ‘andere garanties voor de volledige inachtneming en naleving ervan gedurende de nationale begrotingsprocessen’.
In de tweede interpretatie kan het eerste gedeelte van de zin ‘middels bindende en permanente bepalingen, bij voorkeur constitutionele’ als alternatief worden gezien voor het tweede gedeelte van de zin ‘of door andere garanties voor de volledige inachtneming en naleving ervan gedurende de nationale begrotingsprocessen’. Het eerste gedeelte van de zin slaat dan op voor de begrotingswetgever bindende (eventueel grondwettelijke) wetgeving. Het tweede gedeelte van de zin kan echter op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.2 Volgens Craig kan een lidstaat hier al aan voldoen als de regel van begrotingsevenwicht tijdens de begrotingsprocedures in acht wordt genomen, zelfs zonder dat dit is neergelegd in een wet of in de grondwet.3 Reestman wijst er echter op dat gelet op eerdere versies van de tekst van het Fiscal Compact duidelijk gedoeld werd op verankering van de regel van begrotingsevenwicht in nationale wetgeving én dat deze wetgeving de begrotingswetgever bindt. De bepaling zou daarom een bovenwettelijke gelding moeten hebben (niet per se zijnde een grondwettelijke bepaling).4 Het Conseil Constitutionnel kiest weer voor een andere benadering: de Franse rechter is van oordeel dat de implementatieverplichting uit het Fiscal Compact ziet op de verankering van de regel van begrotingseven- wicht in nationale wetgeving, maar stelt dat deze wetgeving de nationale begrotingswetgever niet hoeft te binden.5