Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.4.3
II.4.3 Rechtskracht
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178765:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Heijden 1936, p. 153.
Deze term is ontleend aan Van der Heijden 1936, p. 153.
Zo bijv. Hülsmann 1935, p. 16-17, Noldus 1969, p. 25-26, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17, p. 291-292, Handboek 2013/202 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/291.
Zo ook Noldus 1969, p. 30-31.
Vgl. Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17.1, p. 211 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/194.
HR 11 december 1914, NJ 1915/261 (Algemeene Suiker-Maatschappij), Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 140-141 (TM) en Löwensteyn 1959, p. 79 en 230. Zie art. 5:131 lid 3 BW, dat het bestuur van de VvE opdraagt de besluiten van de vergadering van eigenaars uit te voeren. In Duitsland verplicht § 83 II AktG het bestuur van de AG alle besluiten uit te voeren die de algemene vergadering bevoegdelijk neemt, een plicht die naar wordt aangenomen in alle rechtspersonen geldt; zie Grabolle 2013, p. 11. Zie verder § VII.3.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 46.3 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/ 223.
Slagter 2004, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 3, p. 84, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/215 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/1.
Duitser kan een redenering niet zijn. Hoe vertaalt zulke abstracte theorievorming zich naar ons geldend recht? Tegen de stelling dat besluitvorming in de kern het vaststellen van de wil van de rechtspersoon behelst, valt weinig in te brengen. ‘Besluit is wilsbepaling’, zo zei Van der Heijden al.1 Zelf wil de rechtspersoon niets. Het zijn natuurlijke personen die als ‘wilshelpers’ willen voor de rechtspersoon.2 Afgezet tegen de vertegenwoordiging wordt duidelijk dat het bij besluitvorming gaat om de werking naar binnen, om vast te stellen hoe het interne leven van de rechtspersoon moet verlopen.3
Er is al even weinig bezwaar tegen te zeggen dat de voor de rechtspersoon gevormde wil, die door het besluit wordt toegerekend aan de rechtspersoon alsof het diens wilsverklaring betreft, bindend werkt.4 Inderdaad zijn de institutioneel in of bij de rechtspersoon betrokkenen gehouden om een besluit in acht te nemen. Dat spreekt vanzelf. Voor bestuurders volgt dit principe uit de plicht tot een behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 lid 1 BW), die gezien het collegialiteitsbeginsel de verplichting meebrengt om de besluiten van het bestuur als college plichtsgetrouw uit te voeren.5 Sowieso moeten bestuurders de besluiten van de algemene vergadering uitvoeren, behalve wanneer het belang van de vennootschap zich daartegen verzet.6 Maar de bindende kracht van besluiten geldt evenzo voor de aandeelhouders en de leden, die in hun rechtspersoonlijke hoedanigheid aan de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW zijn gebonden.7 En ook andere betrokkenen en organen behoren rechtsgeldige besluiten zonodig uit te voeren of in ieder geval te dulden. Het besluit bindt zoals ook de wet, de statuten en de reglementen binden.8 Bovendien valt ook naar Nederlands recht goed te verdedigen dat de deelrechtsorde van de rechtspersoon uit meer bestaat dan uit afdwingbare, vermogensrechtelijke rechten en plichten alleen. De rechtspersoon leidt na oprichting een eigen leven. Zijn organisatie wordt geregeerd niet uitsluitend door overeenkomsten en verbintenissen, maar vooral ook door rechtspersoonlijke rechten en plichten van eigen aard. ‘Vele verplichtingen (…), die tussen de leden en de organen van de vereniging over en weer bestaan,’ zo staat het in de parlementaire geschiedenis, ‘kunnen niet als verbintenissen worden aangemerkt.’9 De rechtspersoon en degenen die bij hem zijn betrokken, zijn met elkaar verbonden in een lidmaatschapsverhouding van eigen aard.10
Hieruit volgt dat een besluit niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op ‘harde’, vermogensrechtelijke aanspraken; het besluit kan – zoals in de Duitse turnvereniging – niet meer inhouden dan het stellen van een rechtspersonenrechtelijke norm, een norm die noodzakelijk is om het interne leven van de rechtspersoon in goede banen te leiden. Daarom gaat mijns inziens ook van voorbereidende, negatieve en interne besluiten een verbindende kracht uit. In de drie voorbeelden hierboven is er een besluit. Elke institutioneel betrokkene moet bewerkstelligen of minstens gedogen dat de rechtspersoon, krachtens zijn bij besluit gevormde wil, een machine koopt, afziet van een nieuwe fabriekshal of de statuten wijzigt.
Mij spreekt de Duitse zienswijze aan. Het besluit is daarin alles wat door een orgaan als de wil van de rechtspersoon is vastgesteld en als zodanig aan de rechtspersoon wordt toegerekend. Dogmatisch kenmerkt het besluit zich door zijn bindende kracht voor allen. Die kracht komt ook voorbereidende, negatieve en interne beslissingen toe. Niettemin moeten bij de Duitse benadering twee kanttekeningen worden geplaatst. De eerste is dat moeilijk valt in te zien dat een besluit tot stand komt, wanneer een voorstel geen meerderheid van stemmen haalt. Is zo’n formeel negatieve beslissing wel een besluit? Ik werk dit zometeen uit (§ 4.4). De tweede kanttekening bestaat eruit dat het hanteren van een ruimer besluitbegrip niet per se betekent dat de nieuw gevonden besluiten tevens rechtshandelingen zijn. Oftwel: meer beslissingen zijn besluiten, maar zijn die besluiten ook rechtshandelingen? Hierover volgt straks meer (§ 4.5).