Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.2
8.2 Relativiteit en redelijke toerekening in het besluitenaansprakelijkheidsrecht: onduidelijkheid?
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284534:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Van Maanen & Schlössels 2004, p. 139-144; Tak 2008, p. 1760-1762 en Di Bella 2014, p. 98-101 en 144-145.
Zie bijv. CRvB 11 februari 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA4787, JB 2000/77, m.nt. J.M. Smits (A/LISV), CRvB 28 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4521, JB 2001/259, m.nt. Van Maanen (X/LISV), CRvB 4 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4752, JB 2005/179, m.nt. R.J.N. Schlössels (A/UWV) en daarover bijv. Van Rossum & De Witte-van den Haak 2003, onder 9.4; Kortmann 2005, p. 21 en Di Bella 2014, p. 107-108.
De duidelijkste voorbeelden hiervan kwamen in §7.4.2 al aan de orde. In de daar besproken arresten (Barneveld/Gasunie, Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn) hanteert de Hoge Raad ter vaststelling van de relativiteit op schijnbaar willekeurige wijze verschillende gezichtspunten die tot tegengestelde uitkomsten leiden.
Bijv. Kortmann 2015, p. 149 e.v. en Sanderink 2015, p. 638. Hiervan vormt HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576, m.nt. J.B.M. Vranken (Iraanse vluchtelinge) het meest in het oog springende voorbeeld. Die casus komt hierna in §8.3.2.2 uitvoerig aan de orde.
Sanderink 2015, p. 638; Kortmann 2015, p. 149 e.v. Zie voorts §5.2.2.1.
Kortmann 2015, p. 152.
In zijn annotatie onder ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:224, AB 2016/128 (Hilvarenbeek), onder 10, lijkt C.N.J. Kortmann weer wat terug te komen van deze opvatting. Daarin komt hij tot de conclusie dat het steeds gaat om schending van het staatsrechtelijk beginsel dat de vrijheid van de burger om activiteiten te ontplooien niet zonder deugdelijke wettelijke grondslag beperkt mag worden door het overheidsgezag. Deze normstelling heeft meer weg van de door mij voorgestelde norm. Hij bespreekt niet hoe de relativiteit van die norm moet worden vastgesteld. In §5.2.2.2 besprak ik dat deze onrechtmatigheidsconstructie volgens mij in deze vorm niet kan worden aanvaard, omdat daarin het algemene verbod dat aan een vergunningstelsel voorafgaat centraal staat. Dat algemene verbod is op zich rechtmatig en dus een deugdelijke grondslag voor de vrijheidsbeperking – tenzij het zelf weer strijdt met hogere regels. In de door mij voorgestelde zorgvuldigheidsnorm doet dat probleem zich volgens mij niet voor.
Zie voor een fraai met rechtspraak onderbouwd overzicht Di Bella 2014, p. 82-109. Zie verder bijv. Tak 2008, p. 1760-1762.
Bijv. Van Maanen & Schlössels 2004, p. 139-144; Tak 2008, p. 1760-1762 en Di Bella 2014, p. 98-101 en 144-145.
577. Een noodzakelijke voorvraag is of de relativiteits- en de redelijke toerekeningsleer in het besluitenaansprakelijkheidsrecht inconsistent en onvoldoende voorspelbaar zijn. Dat is het geval. Tal van auteurs wijzen daarop.1
578. Ten eerste is soms onduidelijk of de rechter een relativiteits- of een redelijke toerekeningsoordeel velt. De rechter wijst dan bijvoorbeeld ter afwijzing van de schadevordering zonder nadere toelichting op de aard en de strekking van het besluit. Er ontstaat dan verwarring: staat dit oordeel in de sleutel van de relativiteit of de redelijke toerekening? In het verlengde daarvan rijst dan de vraag waarom andere bij de relativiteit resp. redelijke toerekening relevante gezichtspunten niet zijn meegewogen.2 Dat probleem is vanwege de verschillende criteria van beide leerstukken niet enkel dogmatisch van aard. De gelijktijdige toepassing van twee sets criteria stelt ook de praktijk voor problemen. Dat geldt temeer omdat niet duidelijk is welke criteria voor de relativiteitsvraag gelden en hoe die zich tot elkaar verhouden.3
579. Ten tweede is soms onzeker van welke (bestuursrechtelijke) norm precies de relativiteit gezocht moet worden.4 Het dogma ‘ongeldig = onrechtmatig’ leidt tot een focus op de tot ongeldigheid leidende norm. Dat leidt tot verwarring, omdat bestuursrechtelijke normen soms bijvoorbeeld louter strekken tot bescherming van derden. Het omgevingsrecht is daarvan het evidentste voorbeeld. Waarom krijgt de aanvrager van een milieuvergunning gederfde winst vergoed wegens een in strijd met de Wm geweigerde milieuvergunning? Die norm strekt immers tot bescherming van het milieu. Bovendien kan een besluit op meerdere gronden ongeldig zijn. De bestuursrechter vernietigt het besluit soms al op een motiveringsgebrek, terwijl ook een beroep is gedaan op materiële regels. De relativiteits- en redelijke toerekeningsdiscussie richt zich dan toch op het motiveringsgebrek.5 Volgens Kortmann is steeds de norm bepalend waaraan de wetgever de geregelde activiteit uiteindelijk heeft willen binden.6 Dat sluit aan bij de gedachte dat een besluit om meerdere redenen ongeldig en onrechtmatig kan zijn. Toch biedt de benadering niet steeds een oplossing. Die achterliggende, materiële, norm zal namelijk soms weer enkel derden willen beschermen.7 Men is dan dus weer terug bij het eerste probleem uit deze alinea.
580. Ten derde is niet steeds duidelijk welke art. 6:98 BW-gezichtspunten in het besluitenaansprakelijkheidsrecht een rol spelen en hoe zij onderling gewogen moeten worden. Soms is de aard en strekking van het besluit doorslaggevend en komt aan de aard van de schade, de voorzienbaarheid of verwijderdheid van de schade schijnbaar geen betekenis toe. Dat verhoudt zich niet goed met het vereiste van een integrale omstandighedenafweging.8
581. Ten slotte bestaat de indruk dat zowel de relativiteits- als de redelijke toerekeningsleer binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht voor de overheid vaak gunstiger uitvallen dan het algemene civiele recht zou rechtvaardigen.9