Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.4.4:5.3.2.4.4 Conclusies naar aanleiding van de blik over de landsgrenzen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.4.4
5.3.2.4.4 Conclusies naar aanleiding van de blik over de landsgrenzen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946081:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 3.2.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze beschouwing van het recht in enkele nabijgelegen landen leidt tot een aantal vaststellingen. Ten eerste blijkt dat het slachtoffer in Frankrijk, België en Duitsland evenzeer de mogelijkheid heeft om invloed uit te oefenen op de vervolging en op de beslissing om daartoe al dan niet over te gaan. De mogelijkheden zijn in die landen zelfs verstrekkender dan in Nederland. Alle drie de landen kennen – net als Nederland – een vorm van klachtdelicten waarbij vervolging is uitgesloten tenzij een daartoe gerechtigde op wettelijk voorgeschreven wijze duidelijk maakt dat vervolging is gewenst. Deze drie landen kennen daarnaast – anders dan Nederland – mogelijkheden voor een slachtoffer om een verdachte zelf voor de strafrechter te dagen. Waar in Frankrijk en België de openbaar aanklager in dat geval nog steeds zorg dient te dragen voor de uitvoering van de vervolging kent de Duitse strafwetgeving zelfs de private aanklager. In Nederland is een dergelijk privaat vervolgingsrecht afgewezen en is geopteerd voor het correctief dat de procedure ex art. 12 Sv biedt. Een mogelijkheid om een negatieve vervolgingsbeslissing te laten toetsen bieden de Franse en Duitse strafwetgeving ook, al zijn de mogelijkheden in die landen van andere aard en minder verstrekkend dan in Nederland. Zo kan men in Frankrijk de beslissing uitsluitend laten toetsen door andere onderdelen van het openbaar ministerie en is de aan te leggen toets in Duitsland (aanzienlijk) beperkt doordat slechts wordt beoordeeld of de wet een verplichting tot vervolging met zich brengt.
In Nederland is door de wetgever welbewust een particulier vervolgingsrecht afgewezen en sindsdien is expliciet het gedachtegoed gehandhaafd dat strafmacht niet door individuele burgers moet kunnen worden geïnitieerd.1 Uit de hiervoor vermelde bevindingen blijkt dat daarover in verschillende nabijgelegen landen anders wordt gedacht. Daarbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat ook in die landen de nodige kritiek bestaat op de mogelijkheid voor slachtoffers om strafvordering in gang te zetten en dat in België door de minister van Justitie expliciet het voornemen is geuit die mogelijkheden uit de wet te schrappen.
Het rechtsvergelijkend onderzoek laat meer overeenstemming tussen de landen zien waar het gaat om het gebruik van klachtdelicten. Zowel in Nederland als in Frankrijk, België en Duitsland wordt het acceptabel geacht dat de openbaar aanklager bepaalde strafbare feiten slechts kan vervolgen eerst nadat een daartoe gerechtigde vervolging verzoekt.