Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.3
6.3 Het begrip verwijtbare werkloosheid bij de invoering van de WW 1987
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS259001:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pennings vond dat Nederland tot dusver de dans was ontsprongen met deze ruime formulering, omdat de Britse regeling die eveneens een te ruime formulering van verwijtbare werkloosheid gaf (afgedwongen) gewijzigd was door kritiek van de Committee of Experts onder art. 69(f) van IAO- verdrag 102. In buitenlandse stelsels wordt vaak gedrag als verwijtbaar gezien indien de werknemer opzettelijk het ontstaan van zijn werkloosheid heeft veroorzaakt. Deze benadering wordt ook gekozen in voornoemd artikel van het IAO-verdrag. Zie Pennings, SR 2006/21.
Pennings, SR 2006/21.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 52. Voor meer informatie over de parlementaire behandeling van de wet verwijs ik naar: Andringa, Bandringa & Vos, De Werkloosheidsuitkering na de stelselherziening 1987, p. 90-93.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 149-150.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 4, 79.
Bij de invoering van de WW in 1987 werd het gebruik van de WW-uitkering ingedamd door het ruime begrip van verwijtbare werkloosheid in artikel 24 lid 2 WW. Er was sprake van verwijtbare werkloosheid als de werknemer zich zodanig verwijtbaar had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben (de a-grond). Ook was verwijtbaar werkloos de werknemer die ontslag had genomen zonder dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking voor hem zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd (de b-grond).1 Bij deze bepalingen hoorde in 1987 een sanctieregime dat het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid gaf om maatregelen op te leggen. Er was voor deze relatief2 ruime formulering gekozen omdat de benadering in de WW in 1987 erop gericht was om een (onnodig) beroep op de werkloosheidskassen te voorkomen.3 Uit het oogpunt van solidariteit mocht van de werknemer verwacht worden dat hij het redelijkerwijs mogelijke deed om te voorkomen dat hij op een uitkering aangewezen raakte en zijn recht op een uitkering zo beperkt mogelijk hield.4
Het voorheen in de WW 1949 gebezigde begrip ‘niet-onvrijwillige werkloosheid’ werd in de WW 1987 vervangen door het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’. Dit begrip zou volgens het kabinet beter aansluiten bij het huidige taalgebruik en was duidelijker omdat het een dubbele ontkenning voorkwam.
Het begrip ‘niet-onvrijwillige werkloosheid’ leidde in de praktijk ook tot misverstanden. Het zag namelijk door jurisprudentie van de CRvB ook op situaties waarin de werknemer niet vrijwillig of onbedoeld werkloos wilde worden, maar zijn ontslag wel het logisch gevolg van zijn gedrag was. Het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’ sloot beter aan bij die situaties.5
Naast de taalkundige wijziging, werd ook de systematiek van het ontstaan van de uitkering door de WW 1987 gewijzigd. Onder de wet van 1949 was niet-onvrijwillige werkloosheid een ontstaansvoorwaarde, zodat er geen recht op uitkering was als hier niet aan voldaan was. In de nieuwe opzet van de WW 1987 was het voorkomen van verwijtbare werkloosheid geen ontstaansvoorwaarde voor het recht op de uitkering, maar had de bedrijfsvereniging op grond van artikel 27 WW de mogelijkheid een maatregel op te leggen, waarbij ze rekening kon houden met de mate van verwijtbaarheid. Het recht op de uitkering was ontstaan, maar het recht kon (gedeeltelijk) niet geldend worden gemaakt door de opgelegde maatregel. Bij individuele verzachtende omstandigheden kon ook een lagere sanctie worden opgelegd dan bij normale of zware verwijtbaarheid. Het kabinet had verwijtbare werkloosheid als sanctiegrond opgenomen, omdat het begrip als een uitsluitingsgrond te rigide werd geacht. Binnen de bij of krachtens de wet aangegeven grenzen waren de uitvoeringsorganen vrij in het treffen van sancties die zagen op verwijtbare werkloosheid.6