Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.4
6.4 De verruiming van het begrip verwijtbare werkloosheid met de Wet Boeten in 1996
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258999:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248.
Moral hazard houdt kort gezegd in dat verzekerden zich onverantwoordelijker of risicovoller gaan gedragen, omdat de financiële gevolgen van hun gedrag vergoed wordt door de verzekering.
Dit is ook bevestigd door de CRvB in de uitspraak van 21 februari 2001, RSV 2001/118.
Kamerstukken II 1994/95, 23909, nr. 12, p. 11; CRvB 14 augustus 1990, RSV 1990/356.
Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 150-151; CRvB 14 augustus 1990, RSV 1990/356.
Kamerstukken II 1994/95, 23909, nr. 8, p. 22-23.
Het fenomeen van de pro forma ontslagprocedures bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen (CWI) en bij de kantonrechter hield in dat een (formele) ontslagprocedure werd gevoerd om de aanspraak op een WW-uitkering veilig te stellen, terwijl tussen de werkgever en werknemer eigenlijk al overeenstemming was bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op advies van de advocaat van de werknemer of de vakbond volgde de werknemer een dergelijke pro-formaprocedure om geen risico te lopen dat het UWV tot de conclusie kwam dat de werknemer zich ten onrechte niet had verweerd. Dergelijke formele procedures leverden onnodig veel kosten op voor de overheid (rechterlijke macht en CWI), en voor werkgevers en werknemers. Zie A.H. Rebel, in: Module Werkloosheidswet, artikel 24 WW, Deventer: Kluwer 2010, art. 24 WW, aant. 1.7 (versie van 9 juli 2010).
De Wet Boeten1 leidde per 1 augustus 1996 tot een verscherpt sanctieregime (zie hoofdstuk 4 en 5). In de jaren negentig moest het WW-volume worden teruggedrongen en de rechtmatigheid bij de uitkeringsverstrekking worden verbeterd. Het kabinet vond dat er geen onnodig beroep op de WW mocht worden gedaan. De Wet Boeten stond daarom in het teken van het beheersen van de ‘moral hazard’.2 Met de Wet Boeten werd de maatregel ontdaan van de evenredigheidseis (paragraaf 4.4.1), de bestuurlijke boete werd ingevoerd (paragraaf 5.2) en voor de bedrijfsverenigingen werd een verplichte sanctieoplegging ingevoerd, zodat de vrijheid bij het treffen van sancties werd beperkt. Het kabinet ontdeed de maatregel van het evenredigheidsbeginsel, omdat verwijtbaar gedrag dat voorzienbaar tot werkloosheid leidde in alle gevallen tot een weigering van de uitkering moest leiden. Immers, er had bij de verwijtbare werkloosheidsvraag reeds een op de omstandigheden van het geval toegespitste beoordeling plaatsgevonden, waarin de vraag of de werknemer redelijkerwijs had kunnen voorzien dat werkloosheid zou intreden respectievelijk zou voortduren door zijn verwijtbaar handelen of nalaten, reeds was begrepen.3 Omstandigheden als de leeftijd van de werknemer en het lange arbeidsverleden mochten niet meer leiden tot een matiging van de maatregel.4
De volledige weigering van de uitkering was evenredig en gerechtvaardigd, omdat in die gevallen het verzekerde risico door betrokkene onnodig in het leven was geroepen (‘moral hazard’). Dergelijk gedrag zou niet door een WW-uitkering mogen worden beloond.5 De uitvoeringspraktijk vóór de Wet Boeten had uitgewezen dat bij toetsing aan de mate van verwijtbaarheid als hoofdregel een tijdelijke, procentuele korting als straf werd opgelegd. Dit was de reden geweest voor het kabinet om de sancties op het niet-nakomen van de hoofdverplichtingen van de WW, de maatregel, ondubbelzinnig in de wet op te nemen.6
Naast de aanpassing in het sanctieregime werd ook gesleuteld aan de beoordeling voorafgaand aan het opleggen van een sanctie, de verwijtbare werkloosheid. Er waren namelijk nog bepaalde situaties van verwijtbaar gedrag waarin geen sanctie kon worden opgelegd, namelijk als de werknemer na een verwijtbare gedraging de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden had beëindigd of door de kantonrechter had laten ontbinden. Het criterium voor verwijtbare werkloosheid werd daarom zo verruimd dat de werknemer verwijtbaar werkloos kon worden bij beëindiging van de dienstbetrekking en niet alleen bij ontslag(name).7
Er was ook sprake van verwijtbare werkloosheid in de situatie dat de werknemer instemde met, berustte in of meewerkte aan de beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever, terwijl aan de voorzetting geen bezwaren van dien aard waren verbonden dat het doorwerken niet van de werknemer zou kunnen worden gevergd. De werknemer die schuld had aan de werkloosheid of zich niet voldoende verzette tegen een mogelijk ontslag mocht in beginsel geen WW-uitkering krijgen. Betrokkenen roepen als het ware het verzekerd risico over zichzelf af, zodat dergelijke gedragingen gekoppeld moesten worden aan het begrip ‘verwijtbare werkloosheid’ en ook bestraft moesten worden met de sanctie van de maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering.8 De scherpe rand van het criterium, dat een verzet van de werknemer tegen het ontslag werd verwacht, heeft tot de zogenaamde pro-formaproblematiek9 geleid, waarover later meer.