Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.6:4.2.6 Waterschap Zeeuws-Vlaanderen-arrest
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.6
4.2.6 Waterschap Zeeuws-Vlaanderen-arrest
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297058:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 2 juni 2005, zaak C-378/02 (Waterschap Zeeuws-Vlaanderen), BNB 2007/220 (noot B.G. van Zadelhoff).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Waterschap Zeeuws-Vlaanderen-arrest1 bevestigt het Hof van Justitie EU wat eigenlijk ook al was af te leiden uit het Lennartz-arrest, namelijk dat alleen art. 17, Zesde richtlijn recht op aftrek kan doen ontstaan. Voor het ontstaan van het recht op aftrek op grond van art. 17, Zesde richtlijn is het handelen als belastingplichtige een absolute voorwaarde. Als de afnemer op het moment dat de btw aan hem in rekening wordt gebracht niet als belastingplichtige handelt kan hij geen aanspraak maken op aftrek, er ontstaat bij hem geen aftrekrecht. Als hij later toch nog als belastingplichtige gaat handelen kan er niet alsnog een aftrek-recht ontstaan, noch op grond van art. 17 noch op grond van art. 20.
Het ging in dit arrest om een waterschap dat als niet-belastingplichtig overheidslichaam een waterzuiveringsinstallatie had laten bouwen en in gebruik had genomen. Enkele jaren na de eerste ingebruikneming verkocht en leverde het waterschap de installatie. Met betrekking tot de levering werd het waterschap als belastingplichtige aangemerkt en samen met de koper opteerde zij voor een met btw belaste levering. Omdat de levering belast was meende het waterschap aanspraak te kunnen maken op herziening van de bij de bouw van de installatie aan haar in rekening gebrachte en door haar niet in aftrek gebrachte btw. Het hof overweegt:
37. In de zaak waarin het reeds aangehaalde arrest Lennartz is gewezen, ging het om een BTW-plichtige particulier die een voertuig voor privé-doeleinden had gekocht en gebruikt en die, aangezien hij dit goed nadien eveneens voor bedrijfsdoeleinden heeft gebruikt, had geprobeerd de bij de aankoop ervan voldane BTW in aftrek te brengen.
38. Na in herinnering te hebben gebracht dat artikel 17 van de Zesde richtlijn het tijdstip bepaalt waarop het recht op aftrek ontstaat, en na erop te hebben gewezen dat enkel de hoedanigheid waarin de betrokken particulier op het tijdstip van de aanschaf van het goed heeft gehandeld, kan bepalen of er een recht op aftrek bestaat, heeft het Hof vastgesteld dat artikel 20 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Herziening van de aftrek’, evenwel geen bepaling betreffende het ontstaan van een recht op aftrek bevat. Het Hof heeft geoordeeld dat deze bepaling zich ertoe beperkt de berekeningsmethode voor de herziening van de oorspronkelijke aftrek vast te leggen, en dat zij derhalve geen recht op aftrek in het leven kan roepen en evenmin de door een belastingplichtige in verband met zijn niet-belaste handelingen betaalde belasting kan omzetten in aftrekbare belasting in de zin van artikel 17 (zie arrest Lennartz, reeds aangehaald, punten 11 en 12).
39. Deze redenering dient ook te gelden voor een publiekrechtelijk lichaam dat op het tijdstip van de aankoop van een investeringsgoed als overheid handelt. Dit lichaam, dat toen niet als belastingplichtige heeft gehandeld, heeft immers net als de particulier die voor privé-doeleinden handelt, geen recht op aftrek van de BTW die het over dit goed heeft betaald.
40. Dat dit lichaam nadien als belastingplichtige heeft gehandeld, kan dus niet op basis van artikel 20 van de Zesde richtlijn tot gevolg hebben dat de BTW die dit lichaam over de als overheid verrichte – en dus niet belaste – handelingen heeft betaald, aftrekbaar wordt in de zin van artikel 17 van deze richtlijn.
Het hof verklaarde voor recht dat een publiekrechtelijk lichaam dat als overheid in de zin van art. 4, lid 5, eerste alinea, Zesde richtlijn, en dus als niet-belastingplichtige, een investeringsgoed aanschaft, en dit goed nadien als belastingplichtige verkoopt, in het kader van deze verkoop geen recht op herziening heeft en niet op basis van art. 20 Zesde richtlijn de bij de aanschaf van dat goed voldane btw in aftrek kan brengen.