Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.3:8.2.3 Vaste inrichting
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.3
8.2.3 Vaste inrichting
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610259:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Michel Schrauwen, ‘De FCE-zaak: de vaste inrichting a contrario BTW-belast’, BTWbrief 2006, nr. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de rechtspraak is de ‘vaste inrichting’ een aantal keren gebruikt om in het kader van een fiscaal rationele oplossing te komen tot belastingplicht van een ondernemer in een andere lidstaat dan het land waarin diens hoofdvestiging zich bevond. Dit was bijvoorbeeld het geval in HvJ EG 4 juli 1985, nr. 168/84 (Günther Berkholz), Jur. 1985, p. 2251, HvJ EG 12 mei 1996, nr. C-231/94 (Faaborg-Gelting-Linien A/S), V-N 1996/ 2120, en in de conclusie van A-G Poiares Maduro die voorafging aan HvJ EG van 12 mei 2005, nr. C-452/03 (RAL (Channel Islands)), V-N 2005/32.26. Vanuit de neutraliteitsgedachte van de omzetbelasting vind ik deze uitspraken logisch.
Overigens werd in HvJ EG van 20 februari 1997, nr. C-260/95 (DFDS), V-N 1997/ 1662, een dochtervennootschap als vaste inrichting beschouwd van een andere rechtspersoon, omdat zij slechts als ‘assistent’ optrad. Hieruit kan worden afgeleid dat het Hof van Justitie het mogelijk acht dat een rechtspersoon onder omstandigheden ‘onzelfstandig’ kan zijn.
‘... a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.’
In het besluit van 21 november 2003, nr. DGB2003/6237M, V-N 2003/63.12, heeft de Staatssecretaris van Financiën het begrip ‘vaste inrichting’ voor de Nederlandse omzetbelasting gedefinieerd. Hieronder dient volgens hem te worden verstaan:
‘... een met zekere duurzaamheid geëxploiteerde bedrijfsinrichting van een ondernemer wiens zetel van de bedrijfsuitoefening in het buitenland is gevestigd, vanuit welke inrichting leveringen van goederen en/of diensten jegens derden plegen te worden verricht. Dit betekent dat een tot een buitenlandse onderneming behorende inrichting als een vaste inrichting heeft te gelden, indien deze inrichting haar activiteiten ontplooit als ware zij een zelfstandig ondernemer in de zin van de omzetbelasting. In het algemeen zal een hier gelegen fabriek, werkplaats, verkoopruimte of soortgelijke vestiging van een buitenlandse onderneming als een in Nederland gevestigde vaste inrichting dienen te worden aangemerkt.’
Naar mijn mening is dit een juiste omschrijving. In dit verband wordt de vaste inrichting als zelfstandig belastingplichtige aangemerkt en is haar behandeling voor de omzetbelasting vergelijkbaar met die voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. In feite gaat het in beide gevallen om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen landen. De definitie van het begrip ‘vaste inrichting’ voor de omzetbelasting lijkt ook op de omschrijving van het gelijknamige begrip in art. 5 lid 1 OESO, dat geldt voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting:
Het vorenstaande kan naar mijn mening worden aangeduid als de externe werking van de vaste inrichting, waarbij zij zelfstandig is.
Voor de omzetbelasting kan voorts een interne werking van de inrichting worden onderkend. Hierbij gaat het om de vraag of prestaties tussen een hoofdhuis en een vaste inrichting belastbaar zijn met omzetbelasting. Na HvJ EG 23 maart 2006, nr. C210/04 (FCE Bank plc), V-N 2006/18.24, bestaat hierover meer duidelijkheid. In de casus van dit arrest beschikte de vaste inrichting als bijkantoor niet over een eigen dotatiekapitaal, en hierdoor berustte het bedrijfsrisico volledig bij het hoofdhuis. Volgens het hof was de vaste inrichting daarom volledig afhankelijk van het hoofdhuis; zij vormden één belastingplichtige. De vaste inrichting moest daarom als onzelfstandig worden beschouwd voor de kosten die haar voor diensten van het hoofdhuis in rekening waren gebracht.
In het hiervoor genoemde besluit van 21 november 2003, nr. DGB2003/6237M, V-N 2003/63.12, heeft de Staatssecretaris van Financiën eveneens het standpunt ingenomen dat tussen een hoofdhuis en een vaste inrichting onderling geen prestaties in het economisch verkeer worden verricht. Voor de omzetbelasting is sprake van één ondernemer, zodat interne prestaties in het algemeen niet aan heffing van omzetbelasting zijn onderworpen. Schrauwen wijst erop dat het besluit op dit punt ruimer is dan het FCE Bank-arrest.1 In dit arrest baseerde het hof zijn oordeel vooral op het feit dat de vaste inrichting in casu geen economisch bedrijfsrisico liep. Hiermee lijkt het hof de belastingplicht ter zake van interne prestaties niet uit te sluiten in situaties waarin de vaste inrichting zelfstandig een economisch risico loopt voor haar activiteiten. Deze nuance ontbreekt echter in het besluit. Dit leidt naar mijn mening tot een verschil in behandeling van een dochtervennootschap en een vaste inrichting, dat niet in alle gevallen verklaarbaar is. Prestaties tussen een buitenlandse moeder en haar dochtervennootschap in Nederland zijn immers steeds belastbaar. Op dit punt ontbreekt dus rechtsvormneutraliteit, hetgeen ik nader uiteen zal zetten in paragraaf 8.3.1 bij de analyse van de regeling voor de fiscale eenheid.