Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.2:8.2.2 Houdstervennootschappen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.2
8.2.2 Houdstervennootschappen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611443:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
D.G. van Vliet, ‘Holding niet in de fiscale eenheid?’, BTWbulletin 1999, nr. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Houdstervennootschappen kwalificeren niet zonder meer als ondernemer voor de omzetbelasting. Kort gezegd wordt een holding alleen als ondernemer beschouwd, indien zij zich ‘moeit’ in het beheer van de deelnemingen waarin zij aandelen houdt. Voorts is er sprake van ondernemerschap indien de deelneming wordt aangehouden in het kader van de handelsactiviteit van een effectenmakelaar, of indien de deelneming kan worden beschouwd als een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk van de belastbare activiteiten van een onderneming. Dit vloeit voort uit de arresten HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90 (Polysar Investments Netherlands BV), V-N 1991/2140, HvJ EG 20 juni 1996, nr. C-155/94 (Wellcome Trust Ltd), V-N 1997/1034, en HvJ EG van 11 juli 1996, nr. C-306/94 (Régie Dauphinoise), BNB 1997/38.
Hoewel in de arresten Polysar en Wellcome Trust het begrip ‘moeien’ wordt gebruikt, is niet toegelicht wat hieronder precies dient te worden verstaan. In HR 26 augustus 1998, nr. 33 662, BNB 1999/51, is dit begrip ingevuld als:
‘... het zich bezighouden met het beleid van de ondernemingen dat door de vennootschappen waarin wordt deelgenomen, wordt uitgevoerd.’
De eis van ‘moeien’ duidt naar mijn mening overigens op organisatorische verbondenheid. Het verwerven en houden van aandelen in andere ondernemingen, zonder dat de deelnemende onderneming zich direct of indirect moeit in het beheer van de ondernemingen waarin wordt deelgenomen, leidt niet tot ondernemerschap. Enkel financiële verbondenheid is dus niet voldoende. In zoverre sluit de eis van het ‘moeien’ aan bij hetgeen in de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht wordt verstaan onder ‘verbondenheid’.
Als ik de rechtspraak over het ondernemerschap van houdstervennootschappen overzie, betwijfel ik echter of de lijn die hieruit kan worden getrokken in overeenstemming is met de economische werkelijkheid. Ik heb de indruk dat te krampachtig wordt vastgehouden aan het daadwerkelijk verrichten van economische activiteiten, terwijl dat niet de praktijk is. Naar mijn mening zou een holding niet op zichzelf moeten worden beschouwd, maar in samenhang met het concern waarvan zij onderdeel is. In dit verband merkt Van Vliet op dat het maatschappelijk gezien merkwaardig is dat de holding en de dga geen ondernemer zijn voor de omzetbelasting, omdat de dga, de holding en de werkmaatschappij in feite samen de onderneming vormen.1 De combinatie is erop gericht om de bedrijfsactiviteiten van de werkmaatschappij zo goed mogelijk te kunnen uitoefenen.
Denie (1987) leidt uit art. 4 lid 1 Zesde richtlijn (thans: art. 9 lid 1 BTW-richtlijn 2006) af dat bij één persoon, één bedrijf hoort. Alle economische handelingen behoren tot één bedrijf, en de persoon bepaalt de eenheid van de bedrijven. Denie noemt dit de ‘eenheid in bedrijf en beroep’, ofwel juridische eenheid (persoon van de ondernemer) en economische eenheid (de bedrijven). Deze eenheid wordt wel aanwezig geacht bij een onderneming die door één natuurlijke persoon wordt gedreven, maar niet bij een groep rechtspersonen. Naar mijn mening zou de ‘eenheid in bedrijf en beroep’ ook moeten gelden voor een groep van verschillende rechtspersonen met aan het hoofd een moeiende holding. Dit zou leiden tot een rechtsvormneutrale behandeling van bedrijfsactiviteiten.
Met de Commissie ‘Samenwerkingsverbanden in de omzetbelasting’ van de Vereniging voor Belastingwetenschap (2000) ben ik dan ook van mening dat het ‘moeien’ als zodanig voldoende zou moeten zijn om de holding als ondernemer te beschouwen. De ontvangst van een beheervergoeding of een administratieve vergoeding lijkt mij niet nodig. Een bedrijf waarvan de activiteiten zijn onderverdeeld in verschillende rechtspersonen, zou vanuit de neutraliteitsgedachte van de omzetbelasting toch niet anders moeten worden behandeld dan een bedrijf met dezelfde activiteiten, maar dan ondergebracht in één rechtspersoon? Ik ben het in dit verband ook eens met Van Norden (2007), die in afwijking van de jurisprudentie van het HvJ EG meent dat de holding die een wezenlijke economische functie vervult, steeds als ondernemer moet worden aangemerkt. Op basis van de feitelijke, economische benadering van de omzetbelasting mag volgens Van Norden geen onderscheid worden gemaakt naar de juridische structuur van degene die de goederen richting de consument stuwt. Een omzetbelasting op basis van het BTW-stelsel behoort immers niet te drukken in de productieve schakels.
In de behandeling van de ‘moeiende holding’ zie ik overigens ook raakvlakken met de in hoofdstuk 3 genoemde scheiding tussen ‘ownership’ en ‘control’. Ten aanzien van een holding die zich moeit in het beleid van haar dochtervennootschappen is die scheiding niet aanwezig. Zij kunnen dan in feite als één geheel worden beschouwd.