Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.7.2:19.7.2 Lichtere vormen van verwijtbaarheid; daadstrafrecht
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.7.2
19.7.2 Lichtere vormen van verwijtbaarheid; daadstrafrecht
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498351:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geerdink/Laurijssens 1999, p. 618 e.v.
Kwakman 2011, p. 858. Zie voorts Klip 2010. Schrijver wijst erop dat de terugkeer in Nederland van een dominant schuldstrafrecht naar een daadstrafrecht, zoals dat in de Middeleeuwen bestond en waar het resultaat van de gedraging alles bepalend is, onmiskenbaar is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer het handhavingsbelang in belastingzaken in het gedrang komt vanwege een te ruime erkenning van nemo tenetur door het EHRM, dan is dat mogelijk aanleiding voor een andere inrichting van het fiscaal boeterecht, waarin de bewijspositie van de inspecteur voor boeteoplegging wordt vereenvoudigd. De wetgever zou bijvoorbeeld lichtere vormen van verwijtbaarheid voor vergrijpboetes (= schuld in plaats van grove schuld of opzet) kunnen introduceren, zij het dat daardoor een veel ruimere kring van personen wordt getroffen. Hij zou ook ervoor kunnen kiezen om de maximumbedragen voor verzuimboetes, waarbij verwijtbaarheid (los van avas) geen rol speelt, te verhogen. Althans, zolang die boetes passend en geboden blijven.
Verschuiving van schuld- naar daadstrafrecht?
Meer in het algemeen is een risicogeoriënteerde benadering van (fiscale) overtredingen denkbaar, waarin niet de schuld, maar de daad voorop staat. De aandacht voor de rechten van de boeteling maken dan plaats voor een meer instrumentele benadering om zo (fiscale) non compliance – in termen van onzorgvuldigheid, onachtzaamheid of erger – te beperken. Dat kan zich bijvoorbeeld vertalen in hogere boetes bij opzet of grove schuld.
De realiteitswaarde van deze benadering is groter dan misschien gedacht. Het Nederlands strafrechtelijk systeem lijkt op onderdelen al een ontwikkeling door te maken van ‘schuldstrafrecht’ naar ‘daadstrafrecht’. Zo wijst De Jong erop dat in moderne deelgebieden van het strafrecht, zoals de opiumwetgeving en een aantal andere bijzondere strafwetten, de ondergrens van het opzet is verworden tot het niet voldoen aan bepaalde zorgvuldigheidseisen.1 Het is dan aan de verdachte om het vermoeden te ontzenuwen dat hij handelde in strijd met deze eisen en om zo zijn onschuld aan te tonen. Bewijsrechtelijk is er dan geen verschil meer met de berechting van een overtreding waarbij de schuld wordt verondersteld, aldus De Jong.
Zie meer recent Kwakman die de vraag stelt of niet gewoon moet worden erkend dat strafrechtelijke leedtoevoeging niet zozeer beoogt ‘schuld in de zin van verwijtbaarheid’ te vergelden, maar veeleer de gebleken ‘onaangepastheid’ of ‘slechtheid’ van bepaalde individuen, als risicofactor voor de samenleving en haar burgers.2 Die erkenning impliceert niet dat het huidige ‘schuldstrafrecht’ – voor zover daarvan in Nederland werkelijk sprake is – weer zou moeten worden ingewisseld voor de Oud-Germaanse ‘Erfolgshaftung’ (= het strafrechtelijk afrekenen van de dader op de veroorzaakte gevolgen, ook al kon de dader er niets aan doen), maar misschien wel voor ‘Risikohaftung’. In deze visie vormt de onaanvaardbare onaangepastheid die uit de strafbare gedraging is gebleken, een risico dat voor rekening van de pleger komt, aldus Kwakman.