Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.9:2.9 Hoor en wederhoor
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.9
2.9 Hoor en wederhoor
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS299795:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Crommelin 2007, p. 56.
Smits 2008, p. 102-116; Crommelin 2007, p. 52.
Vgl. HR 27 september 1996, NJ 1997, 42 (Brinkman/Theelen), r.o. 3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
54
In het voorgaande bleek al dat het beginsel van hoor en wederhoor aan veel van de regels in de verhouding tussen de rechter en partijen ten grondslag ligt. Zo wordt de rechter in sterke mate genormeerd door het partijdebat. Dat dient ertoe dat partijen in voldoende mate hun standpunten naar voren kunnen brengen. Het reageren op de producties van de wederpartij is alleen zinvol als er ook een zekere periode is om daarover een oordeel te vormen. Daarom vereist het beginsel van hoor en wederhoor dat partijen voldoende gelegenheid wordt geboden om te reflecteren op elkaars stellingen.1
De rechter is ook gebaat bij een goede voorlichting door partijen over hun standpunt met betrekking tot de verschillende geschilpunten. Het stelt hem in staat de stukken op waarheid te controleren. Hij dient deze standpunten dan ook zichtbaar mee te wegen in zijn eindbeslissing.2
Opvattingen van de rechter omtrent de toepasselijkheid van rechtsgronden behoeft hij in principe niet eerst aan partijen voor te houden. Dat hangt samen met het feit dat het toepassen van de rechtsgronden een typische taak van de rechter is. Een uitzondering op dit aspect wordt gevormd door de gevallen waarin het niet-voorhouden aan partijen zou leiden tot een verrassingsbeslissing.3 Dat is een beslissing waarop partijen, gelet op het verloop van het partijdebat, niet bedacht hoefden te zijn.