Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.2.2
VI.2.2 Sanctietoemeting
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599808:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor § V.3.3.4.
EHRM 8 juni 1976, nr. 5100/71, NJ 1978, 223, m.nt. Meuwissen, par. 90 (Engel e.a./Nederland). Vgl. recenter EHRM 15 januari 2015, nr. 48144/09, par. 37 (Cleve/Duitsland).
EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98, par. 35 (Phillips/Verenigd Koninkrijk); EHRM 24 april 2007, nr. 40412/98, par. 88(V./Finland).
Den Hartog 1992, p. 216-218; Stavros 1993, p. 261; Borgers 2001, p. 327-329.
Stavros 1993, p. 261.
Zie de kritische dissenting opinion van Judges Bratza en Vajic bij EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk).
Zie bijvoorbeeld EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98, par. 35 (Phillips/Verenigd Koninkrijk); EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97, par. 55 (Böhmer/Duitsland); EHRM 23 september 2003, nr. 42323/98, dec. (Sniekers/Nederland); EHRM 5 juli 2005, nr. 19581/04, dec. (Van Offeren/Nederland); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, m.nt. Borgers, par. 43 (Geerings/Nederland); EHRM 24 april 2007, nr. 40412/98, par. 86(V./Finland).
EHRM 25 november 2004, nr. 72370/01, dec. (Van Thuil/Nederland).
HR 14 maart 2000, NJ 2000, 520, m.nt. Buruma.
EHRM 25 november 2004, nr. 72370/01, dec. (Van Thuil/Nederland).
ECieRM 9 september 1998, nr. 26493/95, rep., NJCM-bull. 1999, p. 675-679, m.nt. Myjer (Zegwaard en Zegwaard B.V./Nederland). Zie over die uitspraak uitgebreid Borgers 2001, p. 167-170.
EHRM 19 juni 2012, nr. 36937/06 (Hajnal/Servië). Zie tevens EHRM 31 oktober 2013, nr. 20824/09 (Perica Oreb/Kroatië).
In het vorige hoofdstuk kwam ter sprake dat al sinds het arrest Engel/Nederland de onschuldpresumptie na de vaststelling van schuld volgens het EHRM op de sanctietoemeting niet meer van toepassing is. Die beperking verdedigt het Hof op grond van de bewoordingen van artikel 6 lid 2 EVRM: het onschuldvermoeden geldt totdat schuld is bewezen. Met betrekking tot de bewijsdimensie is dat ook niet bezwaarlijk.1 Voor de behandelingsdimensie roept een en ander echter de vraag op of bij de sanctietoemeting ook de schuld van de verdachte aan andere delicten dan het tenlastegelegde feit mag worden betrokken.
Die vraag werd door het EHRM in hetzelfde Engel-arrest direct beantwoord:
“As its wording shows, it deals only with the proof of guilt and not with the kind or level of punishment. It thus does not prevent the national judge, when deciding upon the penalty to impose on an accused lawfully convicted of the offence submitted to his adjudication, from having regard to factors relating to the individual's personality.”2
Die argumentatie is op zichzelf niet sluitend. Wordt bij de strafoplegging namelijk een ander feit als strafverzwarend aangemerkt terwijl de verdachte voor dat andere feit niet is veroordeeld, dan gaat het in wezen niet om een behandeling als schuldige aan het feit waaraan de verdachte schuldig bevonden is, maar om behandeling als schuldige aan een ander feit. In een ander verband loopt men hier aldus opnieuw aan tegen de complexe verhouding tussen de behandelingsdimensie en de criminal charge-eis. In Philips/Verenigd Koninkrijk sloot het EHRM de redenering: “the right to be presumed innocent under Article 6 § 2 arises only in connection with the particular offence ‘charged’”.3
Deze beperking is in de literatuur bekritiseerd.4 Worden bij de sanctietoemeting feiten betrokken ter zake waarvan niet is vervolgd, of waarvan de vervolging is afgebroken of in vrijspraak resulteerde, dan wordt de verdachte de facto voor die feiten desalniettemin gestraft. Zij spelen immers een de sanctie mede funderende rol. Stavros spreekt in dit verband van een “penalty in disguise”.5 Als gezegd is de formulering van het onschuldvermoeden voor deze beperking van het toepassingsbereik geen steekhoudend argument. Voor zover het delict dat in de straftoemeting is betrokken onderwerp van een andere charge is of daarvan ooit onderwerp is geweest, verhoudt de overweging uit Phillips zich bovendien slecht tot ‘s Hofs extensieve interpretatie van de criminal charge-voorwaarde. Is de verdachte eenmaal charged, dan dienen alle overheidsfunctionarissen zich immers van een schuldoordeel dienaangaande te onthouden. Een uitzondering op dat uitgangspunt voor de strafrechter die zich over een ander feit heeft gebogen en na bewezenverklaring van dat andere feit toekomt aan toemeting van een sanctie, laat zich niet goed verklaren.
Het EHRM zelf is ook niet eensgezind gelukkig met deze benadering.6 In meerdere opzichten weet het Hof zich niet te houden aan het eigen uitgangspunt dat de onschuldpresumptie alleen aan de orde is in relatie tot het strafbare feit waarop de charge is gericht. Ten eerste aanvaardt het Hof dat de behandelingsdimensie op de sanctietoemeting toch van toepassing kan zijn als de “allegations made about an accused’s personality [...] are of such a nature and degree as to amount to the bringing of a new charge […]”.7Wanneer dat precies het geval is, wordt uit de rechtspraak niet helder. Daarnaast past het Hof de onschuldpresumptie nu en dan toe op de sanctietoemeting, in elk geval wanneer het daarin betrokken feit zelf ook ooit onderwerp van een charge is geweest. In Van Thuil/Nederland suggereerde het EHRM dat niet is toegestaan in de straf feitelijkheden te verdisconteren waarvoor is vervolgd maar niet veroordeeld.8 Het EHRM weigerde zich te mengen in de nationaalrechtelijke vraag of het gerechtshof met de vastgestelde omstandigheden (verdachte had een ‘leidinggevende’ rol gespeeld) doelde op de strafverzwarende omstandigheid ten aanzien waarvan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was verklaard (dat hij een ‘rol als bestuurder’ binnen de criminele organisatie had vervuld (art. 140 lid 3 Sr)). Die vraag had de Hoge Raad negatief beantwoord.9 Daardoor was ook voor het EHRM de kous af: “In these circumstances, the Court does not find that a sentence was imposed on the applicant for an offence in respect of which he had been acquitted.”10 Eerder had de ECieRM al geoordeeld dat de Nederlandse rechter die tot een gedeeltelijke veroordeling, nietigheid van de dagvaarding en vrijspraak kwam, bij de strafoplegging de feiten waarvoor niet was veroordeeld niet had mogen betrekken.11 In Hajnal/ Servië stelde het EHRM in algemene bewoordingen “that only a formal finding of a prior crime, i.e. one’s final conviction, may be taken as an aggravating circumstance in future sentencing”.12 Of daarmee is bedoeld dat de rechter bij de sanctietoemeting ook strafbare feiten niet meer mag betrekken die van een charge nooit onderwerp zijn geweest, moet worden afgewacht, nu van die situatie in casu geen sprake was. De algemene strekking van de passage suggereert dat wel, maar de toepassingsvoorwaarde dat op enig moment sprake moet zijn geweest van een criminal charge met betrekking tot het feit waaraan de verdachte als schuldige is bejegend, wijst in een andere richting.