Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.3.2
II.5.3.2 Nauwe en bewuste samenwerking
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460457:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.1, zie wat dit laatste punt betreft nr. 7 in de annotatie van Mevis; HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481.
Let wel, er is geen kennis vereist van de wederrechtelijkheid van de gedraging die het strafbare feit oplevert. Zie hieromtrent par. II.2.7.2.
Met verdere verwijzingen, zie De Hullu 2018, par. VII.2.2.4.
Zie o.a. De Hullu 2018, p. 459-460, 462.
Meer over het opzetvereiste in het kader van deelneming, zie par. II.5.2.3. Zie over de subjectieve zijde van medeplegen Postma 2014, hoofdstuk 1.
Zie uitgebreid De Hullu 2018, par. VII.2.2.
Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7019 (Directeur De Zeelt); Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7033 (Eigenaar percelen De Zeelt); Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7046 (Opdrachtnemer De Zeelt).
Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7046 (Opdrachtnemer De Zeelt).
Voorts oordeelt de rechtbank dat er geen bewijs is dat de verdachte moest weten dat voor de activiteiten geen vergunning bestond, dit ziet op het hierna te bespreken vereiste van opzet op het grondfeit.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.2; De Hullu 2018, p. 464. Zie voor een voorbeeld waarin het niet-distantiëren een rol speelde bij het vaststellen van de voor medeplegen vereiste samenwerking: Rb. Den Haag 25 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5675.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.2, onder verwijzing naar HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307. Dit geluid werd ook vertolkt door Keupink 2007. Het niet-distantiëren kan wel dienen als aanwijzing voor de bewuste samenwerking (dus opzet op de deelnemingshandeling), zie Keupink 2007, p. 92-97 en Elzinga 2007, p. 171 e.v.
Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7033 (Eigenaar percelen De Zeelt).
Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7033 (Eigenaar percelen De Zeelt).
HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983/84 (Containerdiefstal); HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452.
Zie ook Postma 2014, p. 19-21.
Rb. Den Haag 25 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5675. Vergelijkbaar, met betrekking tot het geven van een opdracht tot houtkap in strijd met de boswet, waarbij er sprake is van nauwe en bewuste samenwerking: Rb. Utrecht 19 juli 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2100.
Een voorbeeld van een rechtszaak waarin de opdrachtgever van het verwijderen van asbest wél zelf handelingen heeft verricht met asbesthoudend materiaal en is veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van artikel 173a Sr: Rb. Oost-Brabant 25 november 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6902, M&R 2020/29, m.nt. Velthuis.
Zie o.a. Rb. Gelderland 4 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6264, M&R 2018/15, m.nt. Van Ham; Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2108 (CFO Seatrade); Hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2142.
Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2345 (Financieel directeur Seatrade).
Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2108 (CFO Seatrade); Enkele bestuurders van Seatrade werden aangemerkt als feitelijk leidinggever: Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2390 (Algemeen bestuurder I Seatrade); ECLI:NL:RBROT:2018:2348 (Algemeen bestuurder II Seatrade).
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.3.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis (Overzichtsarrest medeplegen), r.o. 3.2.2. en 3.2.3, onder verwijzing naar HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229. Zie ook de annotatie van Mevis onder nr. 10. Zie voorts HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:2017:2799 over samengestelde medeplichtigheid waarvan de optelsom een bijdrage van voldoende gewicht oplevert voor medeplegen.
Zie hieromtrent par. II.3.4.3.
Rb. Den Haag 25 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5675.
Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2345 (Financieel directeur Seatrade). Vergelijkbaar: Rb. Rotterdam 7 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU4356.
Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11323 (Werknemer Edelchemie).
Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11471 (Directeur Edelchemie), r.o. 5.3.4a. De rechtbank heeft kennelijk gekozen voor de weg van medeplegen omdat de directeur de activiteiten verrichtte ‘in naam van’ de rechtspersonen. Aangezien de directeur zelf ook normadressaat is, had plegerschap voor dit geval meer voor de hand gelegen.
Medeplegen doe je niet alleen; voor medeplegen moet er sprake zijn van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen twee of meer (rechts)personen gericht op het tot stand komen van het concrete ten laste gelegde feit.1 Waar ‘nauwe samenwerking’ betrekking heeft op objectieve kenmerken van het medeplegen, draait het vereiste van ‘bewuste samenwerking’ om de subjectieve dimensie van de deelnemingshandeling. Je zou dit kunnen zien als een explicitering van het vereiste dat de medepleger – zoals alle deelnemers – niet alleen (voorwaardelijk) opzet moet hebben op het grondfeit, 2 maar ook op de deelnemingshandeling. Het bewuste samenwerken kan zowel door overleg als stilzwijgend gebeuren. De bewustheid van het samenwerken kan tot op zekere hoogte geobjectiveerd worden.3
Hoewel de bijvoeglijk naamwoorden ‘nauwe’ en ‘bewuste’ verschillende dimensies van de samenwerking belichten, zullen de zijden in veel gevallen niet te scheiden zijn. Als nauwe samenwerking is vastgesteld zal de samenwerking meestal ook bewust zijn geweest.4 Hierna ga ik vooral in op de objectieve zijde van nauwe en bewuste samenwerking.5
Wanneer is er sprake van een nauwe samenwerking? Een verdachte kan worden aangesproken als medepleger wanneer diens intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.6 Het aandeel van de medepleger hoeft niet onmisbaar te zijn, noch gelijkwaardig aan dat van andere medeplegers.
Een voorbeeld uit het milieustrafrecht waarin er sprake is van een te geringe bijdrage, kan worden gevonden in de De Zeelt-jurisprudentie.7 Deze rechtszaken gingen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een aantal personen en bedrijven voor het storten van verontreinigde grond in waterplas De Zeelt. Eén van de verdachten was een natuurlijk persoon die met zijn bedrijf grond leverde aan de BV die verantwoordelijk is voor het storten van verontreinigde grond.8 Deze verdachte heeft volgens de verdediging een te gering aandeel van de grond geleverd en stortingen verricht om te spreken van nauwe en bewuste samenwerking, namelijk ongeveer 2,5% van het totaal. De rechtbank gaat hierin mee.9
De vraag wanneer een bijdrage van voldoende gewicht is, zodat er sprake is van de – voor het medeplegen vereiste – nauwe samenwerking, laat zich lastig in algemene zin beantwoorden. In het overzichtsarrest over medeplegen heeft de Hoge Raad wel een aantal factoren genoemd. De rechter dient rekening te houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.10 Bij deze laatste factor wijst de Hoge Raad er nog wel op dat het zich niet-distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt; het louter aanwezig zijn en instemmen met het verboden feit is nog geen bijdrage van voldoende gewicht die de conclusie van medeplegen kan rechtvaardigen.11
Een andere rechtszaak binnen de De Zeelt-jurisprudentie gaat over de aansprakelijkheid van de eigenaar van de percelen waar de waterplas zich bevindt.12 In die waterplas was verontreinigde grond gestort waardoor er zonder vergunning een inrichting in werking was.13 De verdediging stelt dat de bewuste en nauwe samenwerking ontbreekt. De verdachte had weliswaar ingestemd met het storten van grond voor de versteviging van de oever, maar slechts als dit met schone grond gebeurde. De verdachte had daartoe ook restpartijen bouwstoffen die konden dienen als schone grond aangeboden. Bovendien zou de verdachte geen opzet hebben op het grondfeit, namelijk om samen met de ander “zonder vergunning” een “inrichting voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen of het bewerken etc. van afvalstoffen” in werking te hebben. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat verdachte eigenaar is van de betreffende locatie en aldus verantwoordelijkheid draagt voor hetgeen daar gebeurt, onvoldoende is om te spreken van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking, dat er sprake is van medeplegen in de zin van art 47 Sr. Verdachte had uit de gang van zaken niet kunnen afleiden dat een vergunning was vereist. Ook kon de verdachte niet worden verweten dat hij zich niet gedistantieerd had. Bij deze zaak lijkt dus zowel de bewustheid als de nauwheid van het samenwerken onvoldoende te zijn, waardoor het opzet op de grondfeit ontbreekt.
Omdat de bijdrage zowel materieel als intellectueel kan zijn, hoeft er geen sprake te zijn van een gezamenlijke uitvoering van het delict.14 Dat betekent dat een kleine of ontbrekende materiële bijdrage aan de uitvoering van het delict gecompenseerd kan worden door een grote intellectuele bijdrage in de voorbereiding of nasleep van het strafbare feit. Deze functionele uitleg van medeplegen past ook in een strafrecht waarin de strafbaarheid van fysieke gedragingen niet langer het uitgangspunt is.15 Eventueel kunnen de toerekeningscriteria uit het IJzerdraad-arrest of het Drijfmest-arrest hierbij richting geven.
De uitspraak van Rechtbank Den Haag inzake het laten verwijderen van asbest door een onbevoegd bedrijf kan dit illustreren.16 In dit vonnis werd degene die opdracht gaf voor de sloop van een schuur met asbest aangesproken als medepleger van het overtreden van onder meer artikelen 10.1 Wm en 173a Sr. De aangesprokene verrichtte weliswaar zelf geen handelingen met asbest.17 Echter wist de opdrachtgever al geruime tijd van de aanwezigheid van asbest in de schuur, en toch schakelde hij voor de asbestverwijdering een onbevoegd en onbekwaam bedrijf in. Bovendien greep de leidinggevende niet in toen de schuur (onbedoeld) instortte, en de vrijgekomen asbest vervolgens onachtzaam opgeruimd werd. Integendeel: hij maande de sloper aan om het zo snel mogelijk op te ruimen, voordat de inspectiedienst langs zou komen, omdat ze anders ‘een groot probleem’ zouden hebben. Ondanks de afwezigheid van een bijdrage aan de uitvoering, oordeelde de rechtbank dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.
Er kan bij rechtspersonen ook door ‘nauwe verwevenheid’ sprake zijn van zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat er sprake is van medeplegen, bijvoorbeeld omdat er één natuurlijke persoon van allen (indirect) eigenaar en bestuurder is.18 Hierbij plaats ik de kanttekening dat de criteria voor medeplegen een feitelijk karakter hebben. Dat de rechtspersonen op papier nauw verweven zijn, of dat ze dezelfde statutaire bestuurder hebben, is op zichzelf onvoldoende voor nauwe en bewuste samenwerking tussen de bedrijven.
Ook de aard van het delict kan invulling geven aan wat wordt verstaan onder nauwe en bewuste samenwerking. Bijvoorbeeld, openlijke geweldpleging gebeurt vaak spontaan, ongestructureerd en duidelijk herkenbaar; daarom mag van een betrokkene ook eerder worden verwacht dat hij zich distantieert. Heel anders zijn bijvoorbeeld fiscale delicten; die kunnen zich subtiel manifesteren, waarbij sommige betrokkenen wellicht onbewust een onmisbare bijdrage leveren aan het delict. Bovendien zullen bij dergelijke delicten bevoegdheid en feitelijke zeggenschap een belangrijke rol spelen; wie zaten er aan tafel bij het nemen van de beslissingen die het strafbare feit hebben opgeleverd?
Dit speelde ook een rol bij de aansprakelijkheid van enkele natuurlijke personen met een leidinggevende functie bij het Groningse bedrijf Seatrade – de grootste rederij voor koel- en vriesvaart ter wereld – voor het ‘beachen’ van vrachtschepen. Bij het beachen wordt het schip het strand opgevaren in een land met lage lonen en lage milieustandaarden, en vaak onder barre omstandigheden uit elkaar gehaald. Dat is in strijd met het Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen, hetgeen verboden is op basis van 10.60 Wm. Gelet op de formele zeggenschapsstructuur van het bedrijf en het feitelijke verloop van de besluitvorming, kon een financieel adviseur niét,19 en de CFO wél20 worden aangemerkt als medepleger. Beiden werden zowel als medepleger als feitelijk leidinggever aangesproken, maar de bijdrage van de financiële bestuurder werd te gering geacht voor medeplegen, en zijn invloed te klein voor feitelijk leidinggeven. (Het bewijs voor) de daadwerkelijke betrokkenheid van de CFO was groter, bijvoorbeeld door diens betrokkenheid bij de verkoop van bepaalde schepen, het opzetten van aandelentransacties en het verkrijgen van hypotheken die nodig waren voor de overdracht. Daarom kon hij wél worden aangesproken als medepleger.
Zoals aangegeven kan een grote intellectuele bijdrage aan het medeplegen een kleine of ontbrekende materiële bijdrage aan het delict compenseren. In het commune strafrecht geldt een ontbrekende rol in de uitvoering van het strafbare feit echter als de uitzondering; in verreweg de meeste situaties is er ‘gewoon’ sprake van een gezamenlijke uitvoering.21 Ideaaltypisch breken medeplegers van inbraak samen in, en bij het medeplegen van mishandeling delen de medeplegers samen de klappen uit, om maar twee voorbeelden te geven. Afwijkende situaties worden al snel in verband gebracht met medeplichtigheid, en als de rechter dan toch kiest voor medeplegen geldt een verzwaarde motiveringslast.22
In het bijzondere strafrecht, en zeker in het bijzondere milieustrafrecht, dient dit uitgangspunt te worden genuanceerd, meen ik. De delicten binnen het bijzondere strafrecht hebben doorgaans een minder fysieke strekking, en lenen zich daarom beter voor een functionele interpretatie.23 Veel medeplegers van milieudelicten zullen bij de uitvoering van de delictsgedraging niet zelf de handen vies maken. Rechtspersonen die aangesproken worden als medepleger van een milieudelict hebben namelijk geen handen, en leidinggevenden kunnen de uitvoeringshandelingen overlaten aan werknemers.
De hiervoor besproken asbest-uitspraak illustreerde dit reeds.24 Ook de Seatrade-uitspraken wijzen in deze richting. Het ten uitvoer leggen van de delictsgedraging van artikel 10.60 Wm, fysiek uitgelegd, ziet dus op het brengen van bepaalde afvalstoffen binnen of buiten Nederland. De CFO heeft natuurlijk niet zelf een schip naar India, Bangladesh of Turkije overgevaren. De rechter heeft zich hier echter – terecht – niet druk om gemaakt. De CFO werd aangemerkt als medepleger, zonder dat er een omstandige motivering aan te pas kwam over hoe het gebrek aan betrokkenheid bij de uitvoering gecompenseerd kon worden.25
Natuurlijk zijn er ook voorbeelden waarin de aangesproken leidinggevende wél zelf betrokken is bij de uitvoering. Dit was het geval in één van de Edelchemie- uitspraken. Deze rechtszaken draaien om de aansprakelijkheid van een aantal personen en bedrijven voor het (onder meer) zonder vergunning een inrichting drijven voor afvalverwerking, het zonder vergunning produceren van verf en het verontreinigen van de bodem.26 Eén van de verdachten was de directeur van Edelchemie. Er was een rijkelijke hoeveelheid bewijs dat de directeur zelf verf had vervaardigd, zonder dat hij over de benodigde vergunning beschikte. Wellicht dat het grote aandeel in de uitvoering van dit ten laste gelegde feit ook de reden is dat de rechtbank niets heeft overwogen omtrent de nauwe en bewuste samenwerking van de directeur met andere betrokkenen.27