Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/2.2
2.2 Afgescheiden vermogen: art. 4:200 lid 2 BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491093:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Onder het oude recht gold hetzelfde: art. 1078, aanhef en onder 2° oud BW; Suijling I 1948, nr. 67; Suijling-Dubois VI 1931, nr. 233. Vgl. Asser/Perrick 6 1996/340; Klaassen-Eggens/Luijten, Erfrecht 1989, p. 261; Martens 1928, p. 118-119; Diephuis IX 1885, p. 88 e.v.; rb. Winschoten 15 januari 1930, ECLI:NL:RBWIN:1930:1(Bekkering/Kort).
Hiermee bedoel ik niet dat geen vermogensafscheiding zou optreden als art. 4:200 lid 2 BW er niet zou zijn. De bepaling moet worden gezien als een verduidelijking van het karakter van de beneficiaire aanvaarding. Anders: Perrick 2016, p. 155, die meent dat bij beneficiaire aanvaarding in beginsel wel vermenging zou optreden, maar dat art. 4:200 lid 2 BW vermenging verhindert. Volgens Perrick zou anders art. 4:200 lid 2 BW overbodig zijn naast art. 6:161 lid 2, aanhef en onder a BW. Op grond van die laatste bepaling gaan verbintenissen niet door schuldvermenging teniet als vordering en schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Art. 4:200 lid 2 BW heeft echter ook betrekking op het tenietgaan door vermenging van beperkte rechten (art. 3:81 lid 2, aanhef en onder e BW). Dat lijkt Perrick over het hoofd te zien.
Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 965; Steneker 2005, p. 135-136. Vgl. Asser/Perrick 4 2021/531; Handboek Erfrecht 2020/XII.5; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/817.
13. Een erfgenaam die een nalatenschap zuiver aanvaardt, is met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap (art. 4:184 lid 2, aanhef en onder a BW). Een erfgenaam kan zijn aansprakelijkheid, beperken door de nalatenschap te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. In dat geval kunnen schuldeisers van de nalatenschap in beginsel slechts verhaal nemen op de goederen van de nalatenschap, en niet op het overige vermogen van de erfgenaam (art. 4:184 lid 2 BW). Schuldeisers van de nalatenschap kunnen bij voorrang boven privé-schuldeisers van de erfgenaam verhaal nemen op de goederen van de nalatenschap (art. 4:224 BW).
Een erflater heeft een recht van erfpacht op een stuk grond. Zijn enig erfgenaam is blooteigenaar van de grond. De erfgenaam aanvaardt de nalatenschap beneficiair. In beginsel zou het recht van erfpacht als gevolg van de erfopvolging door vermenging tenietgaan: beperkt recht en moederrecht komen in één hand (art. 4:182 lid 1 BW). Volgens art. 4:200 lid 2 BW gaan gedurende de vereffening beperkte rechten van de erflater op een goed van de erfgenaam, en beperkte rechten van de erfgenaam op een goed van de erflater, echter niet door vermenging teniet.1 Gedurende de vereffening kan een erfgenaam een beperkt recht op zijn eigen zaak hebben. De nalatenschap wordt door art. 4:200 lid 2 BW afgescheiden van het overige vermogen van de erfgenaam, om deze voor de vereffening intact te houden.2 De schuldeisers van de nalatenschap hebben daar belang bij. Voorkomen wordt dat het te vereffenen vermogen wordt aangetast door het optreden van vermenging.3