Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.1
3.1 Inleiding
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611938:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie algemeen Senden 2011 en Gerards 2011.
Documenten opgevraagd bij de bibliotheek van het CRM in Genève.
Documenten opgevraagd bij de bibliotheek van het EHRM in Straatsburg.
Gerards 2011, p. 19-30; Van Kempen 2003, p. 40-46.
Nowak 2005, p. XXVII; zie ook Scheinin 2004.
Aangeduid met ‘(ontv.)’.
Aangeduid met ‘(GK)’.
Het zoeksysteem van het SIM is sinds 1 januari 2014 offline, maar is kort daarna overgenomen in de database van de VN: https://juris.ohchr.org/.
Soft law speelt in het algemeen wel een rol in de interpretatie van verdragsrecht (zie Barkhuysen & Van Emmerik 2010; Kleijssen 2010), maar ten aanzien van het recht op beroep is dit nog niet gebeurd; zie over de eveneens niet besproken landenrapporten van het CRM algemeen Boerefijn 1999; Krommendijk 2014.
Slechts enkele publicaties gaan redelijk uitgebreid in op het recht op beroep, zie De Hullu 1989, p. 138-150, Feteris 2002; Krabbe 2004, p. 185-199; en Trechsel 2005, p. 360-371; geen van hen besteedt echter afzonderlijk aandacht aan de relevantie van het verdragsrecht voor verlofstelsels; veel oudere publicaties bevatten overigens een hier niet gekozen bespreking van de jurisprudentie van geval tot geval, zie McGoldrick 1994; Joseph & Castan 2013. Zie meer thematisch ingestoken Conte, Davidson & Burchill 2004; Möller & De Zayas 2008.
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal in hoeverre verlofstelsels in strafzaken toelaatbaar zijn gelet op in verdragen opgenomen mensenrechten. Beantwoording van deze vraag is verdeeld over het derde en vierde hoofdstuk. Dit derde hoofdstuk betreft het internationale mensenrecht op review van een strafrechtelijke veroordeling, neergelegd in artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 van het Zevende Protocol bij het EVRM (2 P7 EVRM). Bij de analyse van artikel 14 lid 5 IVBPR en 2 P7 EVRM zijn de voor verdragsrecht gebruikelijke interpretatiemethoden toegepast: de grammaticale, de rechtssystematische, de teleologische en de verdragshistorische.1 Een aantal daarbij gebruikte bronnen verdient een korte opmerking.
De informatie over de totstandkoming van beide verdragsartikelen is beperkt. Over artikel 14 lid 5 IVBPR zijn enkele verslagen inzake de totstandkoming beschikbaar,2 van artikel 2P7 EVRM alleen enkele voorbereidende documenten en een toelichting in het Explanatory Report bij het Zevende Protocol EVRM.3 Beide verdragen voorzien intussen in een toezichthoudend orgaan, dat gezaghebbende of zelfs bindende uitspraken doet over de interpretatie van het betreffende verdrag. Aangenomen wordt dat de interpretatie van EVRM door het Straatsburgse Hof een kenbron is of deel uitmaakt van het verdrag zelf.4 De interpretatie van het CRM heeft dit sterke effect niet, maar wordt over het algemeen wel als gezaghebbend ervaren.5 De rechtspraak van het EHRM – inclusief de vaak belangrijke ontvankelijkheidsbeslissingen6 – is gemakkelijk in het zoeksysteem HUDOC te vinden. Bij de analyse van deze rechtspraak is bijzonder belang toegekend aan uitspraken van de Grote Kamer van het EHRM.7 De jurisprudentie van het CRM is geraadpleegd via de websites van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM) in Utrecht en de Hoge Commissaris Mensenrechten van de VN.8 Van elk toezichthoudend orgaan is van vrijwel alle uitspraken over het recht op beroep kennisgenomen, circa 450 uitspraken in totaal. Dit hoofdstuk is voornamelijk gebaseerd op analyse van deze jurisprudentie.9 Omdat niet alle uitspraken relevant bleken voor de vraagstelling, zijn niet alle uitspraken in de tekst verwerkt.
Teneinde enerzijds een helder overzicht te geven van het mensenrecht op beroep en anderzijds specifiek voor verlofstelsels relevante informatie te presenteren, is dit hoofdstuk gelaagd opgebouwd. De paragrafen 2 en 3 leiden het hoofdstuk in met uiteenzettingen over de totstandkoming, algemene kenmerken en ratio van het mensenrecht op beroep. In de paragrafen 4 en 5 komt het toepassingsbereik van het recht op beroep aan bod. In de paragrafen 6 tot en met 9 staat centraal welke eisen het recht op beroep precies stelt, indien het van toepassing is. De paragrafen 2 tot en met 8 bevatten aldus niet alleen als zodanig praktisch bruikbare informatie over het mensenrecht op beroep, maar zijn vooral ook van belang voor beantwoording van de hierboven gestelde deelvraag. In elk geval door het CRM worden verlofstelsels namelijk gezien als een vorm van review die in beginsel aan dezelfde eisen moet voldoen als de ‘reguliere’ controle van een veroordeling. In paragraaf 10, waarin de verdragsrechtelijke eisen aan verlofstelsels in het bijzonder centraal staan, wordt daarom een groot deel van de eisen uit de paragrafen 2 tot en met 9 op verlofstelsels toegepast. In paragraaf 11 wordt het hoofdstuk afgesloten met conclusies en enkele beschouwingen.
Dit hoofdstuk bevat wellicht meer informatie dan strikt noodzakelijk voor beantwoording van de vraag of verlofstelsels in strafzaken toelaatbaar zijn. Voor die ruime insteek is met opzet gekozen, omdat een uitgebreid overzichtswerk over de artikelen 14 lid 5 IVBPR en 2 P7 EVRM in de (Nederlandstalige) wetenschappelijke literatuur ontbreekt.10