De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.4.1:2.4.1 Casus
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.4.1
2.4.1 Casus
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384567:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 (Doetinchemse IJzergieterij).
Ibid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De casus die aan het Doetinchemse Ijzergieterij-arrest ten grondslag lag, betrof een besloten N.V.. Het geschil draaide om een uitgifte van nieuwe aandelen die zodanig was gestructureerd dat de meerderheidsaandeelhouder in de N.V. Doetinchemse Ijzergieterij (N.V. Uitgevers Maatschappij C. Misset) geen van deze nieuw uitgegeven aandelen had kunnen verwerven, waardoor haar meerderheidsbelang in de N.V. Doetinchemse Ijzergieterij verwaterde tot een minderheidsbelang, en zij ook overigens pas naderhand van de aandelenuitgifte in kennis was gesteld. Tot het doen van de uitgifte van aandelen op deze wijze en onder deze voorwaarden was besloten door de RvC van de Doetinchemse Ijzergieterij, waaraan bij statuten de bevoegdheid tot het vaststellen van de voorwaarde bij uitgifte van nieuwe aandelen was toegekend. Een wettelijk voorkeursrecht voor zittende aandeelhouders bij uitgifte van aandelen (het huidige artikel 2:96a BW) was in de toenmalige regeling in het WvK niet voorzien. Misset had geen kennis van het voorgenomen emissiebesluit en was ook niet door de RvC in de gelegenheid gesteld om in de emissie te participeren, ondanks het feit dat Misset blijkens haar eigen stellingen in de procedure bereid en in staat zou zijn geweest om voor een met zijn aandelenbelang corresponderend pro rata aantal nieuwe aandelen in de kapitaalemissie mee te doen. Saillant detail was dat de commissarissen tegelijk met het voorbijgaan aan Misset ook hadden besloten om de nieuwe aandelen deels aan leden van de RvC zelf toe te kennen. Inzet van de procedure was voor Misset een vordering in kort geding tot schorsing van de aan de nieuw uitgegeven aandelen verbonden rechten totdat in een bodemprocedure over de nietigheid van het uitgiftebesluit van de RvC zou zijn beslist. De verwijten die partijen elkaar over en weer in de procedure hebben gemaakt zijn niet volledig kenbaar uit het arrest, maar het lijkt erop dat Misset zich op het standpunt heeft gesteld dat de emissie alleen was bedoeld om de commissarissen en enkele ingewijden van de verbeterde (financiële positie) van de vennootschap te laten profiteren, terwijl de vennootschap in verweer heeft betoogd dat de emissie en de wijze waarop deze is uitgevoerd noodzakelijk was vanwege de vrees dat Misset bij het voortduren van haar meerderheidspositie deze positie zou misbruiken ten gunste van haar privébelangen. Wat hier ook van zij, de president in kort geding oordeelde dat het aannemelijk was dat er zakelijke gronden voor de uitgifte waren in de zin dat het bedrijf na enkele verliesjaren met aanvullend kapitaal weer op gang moest worden gebracht en dat de emissiekoers voorshands redelijk leek. Misset is hier in hoger beroep niet meer op teruggekomen, waardoor de grondslag in cassatie buiten behandeling kon blijven.
De president van de Rechtbank had de vordering van Misset in kort geding afgewezen, maar in hoger beroep wees het Hof de vordering alsnog toe. In cassatie kreeg de Hoge Raad allereerst te beslissen over de rechtsvraag of er uit de aard van de vennootschappelijke overeenkomst dan wel uit de beginselen van billijkheid en goede trouw een ‘grondrecht’ bestond op het mogen participeren in emissies door aandeelhouders met het oog op het in stand houden van hun winstgerechtigdheid en/of hun relatieve zeggenschapspositie. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag met een beroep op de wetsgeschiedenis bij het WvK 1929 ontkennend. Aandeelhouders die een voorkeursrecht bij uitgiftes wilden verzekeren dan wel op andere wijze een bestaande meerderheidspositie wilden beschermen moesten dit volgens de Hoge Raad in de statuten regelen. Is, volgens de Hoge Raad, de emissiebevoegdheid in de statuten aan de RvC toegekend, zoals in dit geval, dan zijn de commissarissen bevoegd “om de plaatsing der aandelen te bewerkstelligen op de wijze als zij in het belang der vennootschap geraden oordelen”.1 Dit werd volgens de Hoge Raad niet anders door de enkele omstandigheid dat een aandeelhouder zoals Misset reeds de meerderheid van de uitstaande aandelen had verworven. De klacht van Misset dat de RvC geen besluit had mogen nemen dat inging tegen de belangen van de meerderheidsaandeelhoudster werd door de Hoge Raad dan ook verworpen. Hieraan wijdde de Hoge Raad een principiële overweging: “dat evenwel commissarissen, rechten uitoefenende, die hun als orgaan der vennootschap zijn toegekend, zich hebben te richten naar het belang der vennootschap en dit moeten doen overwegen, indien dit naar hun oordeel in botsing komt met belangen van welken aandeelhouder ook.”2