Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/15.1.5
15.1.5 Ontstaan van de huidige regeling
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301702:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de Toelichting Meijers, Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 927; daarnaast Asser/Sieburgh 2018, para. 542.
HR 5 maart 1905, W. 8191 (Blaauboer/Berlips). Zie voor een uitgebreide geschiedenis van de interpretatie van het artikel du Perron 1999, p. 195– 241. Voor een nadere analyse van het arrest zie Pitlo 1968; Heyman 2002; Mijnssen 2009.
Du Perron 1999, p. 241. Zie voor literatuur de vindplaatsen genoemd in de Toelichting Meijers, Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 927.
In het tweede geval zou moeten worden gewerkt met een impliciete overdracht, of met een derdenbeding ten gunste van de opvolgend verkrijger. Zie in deze zin Asser/Rutten 1961, p. 297–298; Smalbraak 1966, p. 102.
Zie hierover Maeijer 1966, p. 33 met verwijzing naar verdere literatuur.
Zegers 1956, p. 64; van der Ploeg 1962, p. 229.
Rijtma 1969, p. 216.
Zie de opvattingen genoemd bij Zegers 1956, p. 65.
Hofmann & Abas 1977, p. 282.
Maeijer 1966, p. 35.
Zie bijvoorbeeld Hofmann & van Opstall 1959, p. 297.
682. De huidige regeling voor kwalitatieve rechten is een voortzetting van art. 1354 OBW.1 Dit artikel bepaalde: “Men wordt verondersteld bedongen te hebben voor zich zelven, en voor zijne erfgenamen en rechtverkrijgenden, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij, of uit den aard der overeenkomst mogt voortvloeijen”. De interpretatie van dit artikel heeft aanleiding gegeven tot felle discussies, omdat onduidelijk was of de term ‘bedongen’ alleen zag op het verkrijgen van rechten of ook op het aangaan van verplichtingen. Gaat men ervan uit dat het óók mogelijk is om verplichtingen te ‘bedingen’ voor opvolgende verkrijgers van een zaak, dan zou dat betekenen dat goederen via verbintenisrechtelijke weg kun nen worden bezwaard met lasten die jegens derden werken. De Hoge Raad heeft dit in het bekende arrest Blaauboer/Berlips de pas afgesneden.2 Voor dit onderzoek is deze discussie echter niet relevant; het gaat hier namelijk niet om het doen overgaan van verplichtingen, maar van rechten. Dat het mogelijk is om rechten over te doen gaan op opvolgend verkrijgers op basis van art. 1354 OBW is in de literatuur altijd vrij breed geaccepteerd.3 Toch is er enige discussie geweest over de vraag of de rechten die met het oog op een bepaald goed werden bedongen van rechtswege zouden worden verkregen door nieuwe rechthebbenden van het goed, of dat deze rechten apart zouden moeten worden overgedragen.4 De heersende leer is steeds geweest dat sprake was van een automatische verkrijging.5 Gezien de tekst van het artikel (‘men wordt verondersteld bedongen te hebben […] voor zijne rechtverkrijgenden’) werd wel aangenomen dat sprake was van een wettelijk opgelegd derdenbeding.6 Een andere opvatting was dat sprake was van een overgang van rechten van rechtswege, omdat kwalitatieve rechten niet hoeven te worden aanvaard om te kunnen worden uitge oefend.7
683. De belangrijkere discussie die speelde was om een criterium te vinden om te bepalen welke rechten wél en welke rechten niet van op de nieuwe gerechtigde van het goed zouden overgaan.8 De wet bood dit criterium niet. In de jurisprudentie werd wel gesproken van het vereiste van een ‘nauw verband’ tussen een overgedragen zaak en een recht dat voor die zaak was bedongen. Dit verband is steeds strenger ingevuld.9 Zo is zelfs voorgesteld om aan te sluiten bij het nutsvereiste dat werd gesteld voor het vestigen van erfdienstbaarheden, waardoor het kwalitatieve recht voor elke nieuwe verkrijger van objectief toegevoegd nut dient te zijn.10 Uiteindelijk kwam men in de literatuur uit bij het criterium dat in art. 6:251 lid 1 BW terecht is gekomen: het beperken van de automatische overgang van rechten tot die rechten die alleen van belang zijn voor degene die het goed heeft.11