Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.1:4.1 Inleiding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303961:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het vorige hoofdstuk is gebleken dat binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 179 jo. 181 ter zake van dezelfde schade steeds hetzij de bezitter, hetzij de bedrijfsmatige gebruiker kwalitatief aansprakelijk is. Van cumulatieve aansprakelijkheid dan wel alternativiteit is geen sprake: art. 6:181 komt ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179 voor wat betreft de aansprakelijke persoon exclusieve werking toe. Dit is in overeenstemming met het oude recht: op grond van art. 1404 OBW, de aansprakelijkheid voor dieren die wel als ‘directe voorloper’ van art. 6:179 jo. 181 wordt gezien, was ook telkens óf de eigenaar óf de gebruiker aansprakelijk, terwijl daarbij de ‘gebruikersaansprakelijkheid’ exclusieve werking had.1 Voor nu is van belang dat voor art. 1404 OBW bovendien gold dat de aansprakelijkheid van de eigenaar van het dier nadrukkelijk ‘voorop’ stond, waarop die van de gebruiker slechts een uitzondering van praktisch geringe betekenis vormde.2 In dit hoofdstuk staat centraal de vraag of in het stelsel van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 ook een duidelijke onderlinge hiërarchie aanwijsbaar is tussen de persoon van de bezitter en die van de bedrijfsmatige gebruiker. Vormt overeenkomstig het oude recht de aansprakelijkheid van de bezitter het uitgangspunt en neemt die van de bedrijfsmatige gebruiker ‘slechts’ een uitzonderingspositie in? Of zijn de kaarten met betrekking tot de positie van deze twee aansprakelijke personen in het huidige recht anders geschud?
Een onderzoek naar de onderlinge hiërarchie tussen de persoon van de bezitter en die van de bedrijfsmatige gebruiker kan om meerdere redenen leiden tot meer grip op art. 6:181. Zou art. 6:181 inderdaad een ‘uitzonderingskarakter’ hebben, dan ligt – evenals ten aanzien van de gebruikersaansprakelijkheid ex art. 1404 OBW – een terughoudende toepassing van deze aansprakelijkheid voor de hand. Zou art. 6:181 daarentegen als ‘hoofdregel’ zijn aan te merken, dan komt een meer royale toepassing in beeld. Voorts zou de onderlinge hiërarchie tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker in grensgevallen gewicht in de schaal kunnen leggen: bestaat gerede twijfel over de vraag of in een voorkomend geval de aansprakelijkheid behoort te rusten op de bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker, dan kan het systeem van de wet dienst doen als ‘afrondingsfactor’, in die zin dat het wettelijk uitgangspunt de voorkeur krijgt boven ‘de uitzondering’. Tot slot kan de precieze verhouding tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker betekenis toekomen voor wat betreft de stelplicht en bewijslast. Zo gold onder vigeur van art. 1404 OBW dat de benadeelde zich in geval van schadeveroorzaking door een dier steeds kon wenden tot de ‘in beginsel’ aansprakelijke eigenaar. Laatstgenoemde droeg telkens de aansprakelijkheid, tenzij hij (lees: de eigenaar) aantoonde dat op het moment van de schadeveroorzaking een ander ‘gebruiker’ van zijn dier was.3 Geldt nu binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 179 jo. 181 eenzelfde systeem, in die zin dat de aangesproken bezitter steeds de aansprakelijke is, tenzij hij aantoont dat de zaak ten tijde van de schadeveroorzaking door een ander bedrijfsmatig werd gebruikt? In eerdere publicaties heb ik al aandacht besteed aan de zojuist opgeworpen vraagstukken.4 In het navolgende zal ik mijn bevindingen dienaangaande deels herhalen en uitgebreider op deze materie ingaan.