Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/3.5.2
3.5.2 De paragrafen
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Raad voor de fmanciële verhoudingen (2002).
De Raad van State adviseerde de gedetailleerdheid van de regels met betrekking tot deze paragraaf nader toe te lichten (Advies Raad van State bij het BBV, documentnummer 2003000354). De regering stelde zich op het standpunt dat het grote (reeds in 2001 (TK 27581 nr. 2) door haar geformuleerde) belang van een jaarlijkse rapportage met betrekking tot het grondbeleid een uitgebreidere regelgeving omtrent de betreffende paragraaf rechtvaardigde.
Zie overigens ten aanzien van de specifieke problematiek rondom het opnemen van grondzaken in de begroting Elzinga (2010).
Vernieuwingsimpuls (2002c), p. 46.
De artikelen 9 tot en met 16 (ofwel Titel 2.3) BBV behandelen de eerder genoemde paragrafen, die samen met het hierboven behandelde programmaplan de beleidsbegroting vormen. In de paragrafen worden volgens art. 9 lid 1 BBV "de beleidslijnen vastgelegd met betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede tot de lokale heffmgen". Het is de bedoeling dat de paragrafen een wat meer geïntegreerd inzicht geven in de belangrijkste facetten van het fmanciële beheer van de gemeente die verspreid over de verschillende programma's in de begroting zijn opgenomen. De paragrafen worden dan ook wel een dwarsdoorsnede van de programmabegroting genoemd. De onderstaande zeven paragrafen zijn op grond van art. 9 lid 2 BBV in ieder geval verplicht. Daarnaast kunnen raad of staten zelf bepalen ten aanzien van welke aspecten eveneens een dwarsdoorsnede wordt gemaakt. De verplichte paragrafen zijn:
Lokale heffmgen. Deze paragraaf is opgenomen op advies van de Raad voor de fmanciële verhoudingen1 en bevat volgens art. 10 BBV in ieder geval de geraamde inkomsten, een omschrijving van het beleid dat ten aanzien van de lokale heffingen zal worden gevoerd, een overzicht (op hoofdlijnen) van de verschillende heffingen, een aanduiding van de lokale lastendruk en een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.
Het weerstandsvermogen. Art. 11 BBV definieert het weerstandsvermogen als de relatie tussen de weerstandscapaciteit (de middelen waarover kan worden beschikt om niet begrote kosten te dekken) en de risico's die de financiële positie van gemeenten kunnen verzwakken, maar waarvoor geen maatregelen zijn getroffen. Ten aanzien van deze relatie wordt in ieder geval een inventarisatie van de weerstandscapaciteit en de risico's gegeven en moet worden aangegeven welk beleid ten aanzien hiervan zal worden gevoerd.
Het onderhoud van kapitaalgoederen. Art. 12 BBV eist van tenminste vijf soorten kapitaalgoederen (wegen, riolering, water, groen en gebouwen) dat in een paragraaf wordt aangegeven wat het beleidskader is ten aanzien van het onderhoud, wat daarvan de financiële consequenties zijn en hoe deze in de begroting terugkomen.
Financiering. Art. 13 BBV bepaalt dat de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille in deze paragraaf worden opgenomen.
Bedrijfsvoering. De paragraaf bedrijfsvoering dient volgens art. 14 BBV in ieder geval de beleidsvoornemens met betrekking tot de bedrijfsvoering te bevatten.
Verbonden partijen. Ten aanzien van de verbonden partijen (volgens art. 1 onder b BBV "een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de provincie onderscheidenlijk de gemeente een bestuurlijk en een fmancieel belang heeft") moet op grond van art. 15 BBV in ieder geval een visie worden gegeven op de relatie tussen de verbonden partijen en de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting en moet worden aangegeven wat de beleidsvoornemens ten aanzien van de verbonden partijen zijn.
Grondbeleid. Het tamelijk uitgebreide2art. 16 BBV eist dat er een visie op het grondbeleid wordt gegeven met daarin een aanduiding van de uitvoering van het grondbeleid, een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de grondexploitatie, een onderbouwing van de geraamde winstneming en de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken.3
Alleen als één van deze paragrafen op een gemeente niet van toepassing is (bijvoorbeeld omdat deze geen verbonden partijen heeft), kan het opnemen van de paragraaf achterwege worden gelaten.
De Nota van Toelichting bij het BBV gaat uit van de mogelijkheid om bij het opstellen van de paragrafen te verwijzen naar min of meer actuele beleidsnota' s op het terrein van de verschillende paragrafen. Op die manier hoeven de paragrafen uitsluitend een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot de beleidsnota te bevatten.4 Volgens de Handreiking duale begroting is dit zelfs de te prefereren handelwijze: "De paragrafen kunnen in deze aanpak meer to the point zijn en kort zijn, zeker indien er geen duidelijke beleidswijzigingen zijn".5
Op de voor de hand liggende vraag hoe lang een nota zijn actualiteit behoudt, geeft de Handreiking ook een antwoord: de nota's zouden eens in de ongeveer vier jaar moeten worden bijgesteld.