Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/1.4
1.4 Rechten van de polishouder op grond van de Wft in geval van een overdracht van een verzekeringsportefeuille door een levensverzekeraar en een natura-uitvaartverzekeraar
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949898:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2 van het Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet op het financieel toezicht, Staatsblad 2006, 507, zoals van tijd tot tijd gewijzigd. Zie hoofdstuk 6.5 van dit proefschrift.
DNB Toelichting 2019, p. 5.
DNB Toelichting 2019, p. 5.
Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:914 en Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:915, JOR 2023/105, m.nt. A.M.M. Menken; PJ 2023/39, m.nt. S.H. Kuiper; Van Wijk, Vervuurt en Hamelijnck, VAST 2023/B-012; Pensioenrecht Updates 2023/30 (Eisers/DNB).
In dit onderzoek te noemen: Optas Pensioenen N.V., Optas Pensioenen of Optas.
In dit onderzoek te noemen: Aegon Levensverzekering N.V., Aegon Levensverzekering of Aegon.
Opvallend is dat de Rechtbank Rotterdam in de uitspraken voorbij gaat aan de voorvraag wie op grond van de Wft het recht hadden zich tegen deze portefeuilleovergang te verzetten. Ik veronderstel dat de portefeuilleovergang bij de Optas/Aegon juridische fusie betrekking had op collectieve levensverzekeringen. Bij collectieve levensverzekeringen is de werkgever de polishouder en zijn de (voormalige) werknemers begunstigden die hun begunstiging hebben aanvaard. Ik veronderstel dat het hier gaat om polissen waarbij de havenwerkgevers de polishouders zijn en de huidige en voormalige havenwerknemers de begunstigden daarvan. Bij collectieve levensverzekeringen komt het verzetrecht toe aan de werkgever. Dit valt op de eerste plaats af te leiden uit de redactie van art. 3:119 lid 5 Wft. Op de tweede plaats volgt dit uit art. 6 Pensioenwet. In hoofdstuk 5.6.2.3 licht ik dit toe. Indien deze (voormalige) werkgever op grond van de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft, in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer van de collectieve levensverzekering, gebruik maakt van het Wft-verzetrecht, wordt op grond van de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft het aantal verzekerden onder die collectieve levensverzekering in aanmerking genomen bij het “tellen” hoeveel “polishouders” in verzet zijn gekomen. De werkgevers hebben voorafgaand aan de verzettermijn een brief van Aegon ontvangen (zie r.o. 4.13). De rechtbank duidt de verzekerden van Optas in de uitspraken aan als polishouders. Zij hadden volgens de rechtbank individuele kennisgevingen moeten ontvangen. Het zou kunnen dat de rechtbank van mening is dat de verzekerden het recht hadden het verzetrecht uit te oefenen. Dat zou dan ten onrechte zijn. Het zou eventueel ook kunnen dat de rechtbank van mening is dat de verzekerden geïnformeerd moeten zijn, zodat zij een rol kunnen spelen in de beslissing van de werkgever om al dan niet het verzetrecht uit te oefenen. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt echter in de uitspraken.
In de uitzending van het tv-programma Kassa van zaterdag 8 april 2023 werd aan deze twee uitspraken aandacht besteed. DNB heeft het programma een schriftelijke reactie op vragen gestuurd. In die reactie stelt DNB: “Naar aanleiding van de uitspraak in de Optas-zaak hebben we besloten om ons beleid inzake de bekendmaking van voorgenomen portefeuilleoverdrachten aan te passen. Bij toekomstige portefeuilleoverdrachten/fusies zullen we erop toezien dat verzekeraars polishouders persoonlijk informeren over hun verzetrecht. Ook zullen we erop toezien dat daarbij objectieve en evenwichtige informatie wordt verstrekt over de gevolgen van een portefeuilleoverdracht en dat significante bijzonderheden daarbij worden vermeld.” Zie (https://www.bnnvara.nl/kassa/artikelen/pensioendeelnemers-woedend-over-pensioentekorten-als-gevolg-van-fusie) voor deze reactie van DNB, de reactie van Aegon en de reactie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Volgens deze reactie van DNB legt DNB zich neer bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de inrichting van de verzetprocedure. Aegon heeft tegen de uitspraken hoger beroep ingesteld.
Misschien zou met betrekking tot de verzetregeling van art. 3:119 Wft de vraag hoe dicht men bij de grens van een vierde of meer van het aantal polishouders was, zoals vermeld in art. 3:119 lid 4 Wft, en welke berekening DNB hiervan heeft gemaakt, een betere invalshoek zijn geweest. Het antwoord op die vraag is nergens terug te vinden in de serie uitspraken die ondertussen is gewezen over Optas/Aegon. In een voetnoot in hoofdstuk 6.10 werk ik dit punt nog iets verder uit.
Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2021-0725 d.d. 13 augustus 2021. De advertentie in de Staatscourant op grond van art. 3:119 lid 1 Wft was opgenomen in de Staatscourant van 24 februari 2021, nr. 10044. De advertentie in de Staatscourant op grond van art. 3:120 lid 1 Wft dat de overdracht heeft plaatsgevonden, is geplaatst in de Staatscourant van 14 april 2021, nr. 19554.
R.o. 3.5 van deze uitspraak luidt: “Wat betreft de vraag of de verzekeraar de consument op het recht van verzet had moeten wijzen, geldt het volgende. Uitgangspunt is dat de verzekeraar aan de wettelijke vereisten voor de overdracht heeft voldaan en zijn verzekeringnemers in dat kader op het recht van verzet heeft gewezen. Er bestaat geen aanvullende verplichting voor de verzekeraar om de verzekeringnemers op individuele basis op het recht van verzet te wijzen, ook niet als de verzekeringnemer zich – zoals de consument – tegen de overdracht uitspreekt.”
Volgens de Kamerstukken (Kamerstukken II 2005/06, 29708, nr. 19, p. 509-511) wordt hier met tijdig bedoeld, dat de informatie op een zodanig moment moet worden verstrekt dat de cliënt een reële mogelijkheid wordt geboden om naar aanleiding van de te ontvangen informatie eventueel actie te ondernemen. Op grond van art. 49a Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft moet de verzekeraar de ingevolge art. 4:20 lid 3 Wft aan de cliënt te verstrekken informatie schriftelijk en kosteloos verstrekken. Op de mededeling van de verzekeraar op grond van art. 4:20 lid 3 Wft is volgens Van Zwieten en Engel, in: GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:933 BW, aant. 4, overigens ook het bepaalde in art. 7:933 BW van toepassing. Daarin is bepaald dat alle mededelingen waartoe de bepalingen van titel 17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of de overeenkomst de verzekeraar verplichten schriftelijk moeten geschieden. Ook het ‘Besluit elektronische mededelingen in het kader van een verzekeringsovereenkomst’ is dan van toepassing. Zie over art. 7:933 BW en het ‘Besluit elektronische mededelingen in het kader van een verzekeringsovereenkomst’ hoofdstuk 7.6 van dit onderzoek.
Indien men zich eventueel op het standpunt stelt dat een wijziging van contractspartij naar zijn aard een wezenlijke wijziging is in de al verstrekte informatie, dan is er wel sprake van een informatie-verplichting van de verzekeraar uit hoofde van art. 4:20 lid 3 aanhef en onder a Wft. De volgende vraag waarvoor men zich dan gesteld ziet, is de vraag of dat dan een informatieverplichting van de overdragende of de verkrijgende verzekeraar is. Het laatste lijkt me het meest logisch, omdat er strikt genomen tot het moment van portefeuilleoverdracht nog geen sprake is van een wijziging. Na de portefeuilleoverdracht is er geen mogelijkheid meer om op grond van de Wft in verzet te komen tegen de portefeuilleoverdracht. De verkrijgende verzekeraar moet de informatie na de portefeuilleoverdracht weliswaar “tijdig” verstrekken, maar omdat de polishouder op grond van de Wft toch geen actie meer kan ondernemen om zich te verzetten tegen de portefeuilleoverdracht aan die verzekeraar, kan hij die mededeling dan naar mijn mening combineren met mededelingen die hij naderhand toch al wil of moet doen.
In art. 73 lid 1 Bgfo is bepaald dat een levensverzekeraar gedurende de looptijd van een overeenkomst de cliënt onder meer de volgende informatie verstrekt: “(a) iedere wijziging van zijn handelsnaam of handelsnamen, statutaire naam, rechtsvorm of adres”. Art. 73 lid 1 onder a Bgfo kan naar mijn mening in beperkte zin uitgelegd worden, in die zin dat gesteld kan worden dat deze bepaling uitsluitend ziet op een wijziging van de statutaire naam van de levensverzekeraar die de verzekeringsovereenkomst is aangegaan. Bij een portefeuilleoverdracht van een levensverzekeraar aan een andere levensverzekeraar, en in het geval van een juridische fusie van een levensverzekeraar met een andere levensverzekeraar, is daarvan strikt genomen geen sprake. Art. 74 Bgfo bevat een overeenkomstige bepaling voor natura-uitvaartverzekeraars. Het Bgfo bevat geen overeenkomstige bepaling voor schadeverzekeraars. Art. 75 Bgfo regelt namelijk alleen een specifieke informatieverstrekking door een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid Motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.
Art. 7:932 lid 1 BW bepaalt: “De verzekeraar geeft zo spoedig mogelijk een akte, polis genaamd, af, waarin de overeenkomst is vastgelegd. (..).” en art. 7:932 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat lid 1 van overeenkomstige toepassing is op wijzigingen in de overeenkomst. Een polis is een onderhandse akte in de zin van art. 156 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/130). Op grond van art. 157 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. De achtergrond van art. 7:932 BW over het verstrekken van een polis is dus dat de verzekeringnemer steeds kan beschikken over schriftelijk (akte) bewijs van de inhoud van de overeenkomst (Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/127). Op het polisblad staat meestal een verwijzing naar het nummer van de toepasselijke algemene voorwaarden.
Kennelijk is de opvatting in de verzekeringsbranche dat er bij een portefeuilleoverdracht feitelijk geen wijziging in de inhoud van de overeenkomst plaatsvindt. De contractuele rechtsverhouding gaat immers in zijn geheel over. Zie verder hoofdstuk 3.3 waarin ik beschrijf wat er wel en niet “meegaat” bij een portefeuilleoverdracht.
Te vinden via https://www.overheid.nl.
Art. 7:926 lid 2 BW wordt besproken door Vloemans 2023, p. 22; Van Tiggele-van der Velde, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 7:926 BW; Van Zwieten en Engel, in: GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:926 BW.
Zie ook art. 7:968 BW: de aanwijzing van een derde als begunstigde kan onder meer niet meer worden herroepen, indien een uitkering uit een sommenverzekering opeisbaar wordt. Kalkman, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 7:968 BW bespreekt dit artikel.
Sleutelaar 1927, p. 128 en Boshuizen en Jager 2010, p. 239.
DNB Toelichting 2019, p. 11. DNB vermeldt daar dat zij bij het beoordelen van het verzoek om instemming zowel de belangen van de polishouders van de overdragende verzekeraar, als de belangen van de polishouders van de verkrijgende verzekeraar, betrekt.
In de verzekeringssector wordt met het “closed book” het deel van de verzekeringsportefeuille van de verzekeraar bedoeld waarin geen nieuwe verzekeringen meer worden gesloten. Naarmate het “closed book” van een verzekeraar kleiner wordt, gaan de kosten per polis in dat deel van de verzekeringsportefeuille omhoog.
De term “beleggingsverzekering” zal in meerdere hoofdstukken van dit proefschrift gebruikt worden. Ik licht deze term hier toe. Kalkman 2013, p. 231-234 omschrijft de beleggingsverzekering als een overeenkomst van levensverzekering zoals bedoeld in art. 7:975 BW, waarbij het voor belegging in aanmerking komende deel van de verzekeringspremie door de verzekeraar op eigen naam wordt belegd in (een combinatie van) aandelen-, obligatie-, rente-, vastgoedfondsen of andere beleggingscategorieën en waarbij het risico van beleggen geheel of gedeeltelijk bij de verzekeringnemer ligt. Hij licht toe dat een beleggingsverzekering zich van een traditionele levensverzekering in euro’s onderscheidt op het punt dat de verzekerde bedragen niet in euro’s luiden, maar in beleggingseenheden (participaties) en niet gegarandeerd zijn. Op de uitkeringsdatum worden de beleggingseenheden omgerekend in euro’s en de eurowaarde wordt vervolgens betaald aan de begunstigde.Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/653 verwijst naar deze omschrijving en wijst er ook op dat het begrip “beleggingsverzekering” niet in de wet is omschreven en ook in het spraakgebruik geen eenduidige betekenis heeft. Silverentand en Van der Eerden 2018, par. 3.3.14, p. 115-116 zetten uiteen dat er drie hoofdvormen van “beleggingsverzekeringen” bestaan: unit linked verzekeringen, universal life verzekeringen en spaarkassen. Zij lichten deze vormen kort toe. De unit linked verzekering beschrijven zij als de beleggingsverzekering waarbij een gedeelte van de premie die de verzekeringnemer aan de verzekeraar betaalt wordt gestort in een beleggingsinstelling. “De participatie is de ‘unit’ waaraan het recht op uitkering ‘gelinked’ is.” Ribbers, Van Strien en Jitan 2023, p. 1116-1117 verwijzen in een voetnoot ook naar de omschrijving van Kalkman en lichten deze drie vormen van beleggingsverzekering ook toe. Zij merken tevens op dat de uitkering in euro’s in beginsel vastgesteld wordt door het aantal opgebouwde beleggingseenheden te vermenigvuldigen met de op de einddatum geldende verkoopkoers van de beleggingseenheden.
Deze volzin luidt: “In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen.”
Blijkens de Pensioenwet-definitie van “uitvoeringsovereenkomst” kan deze niet alleen gaan over de uitvoering van meerdere pensioenovereenkomsten, maar ook over de uitvoering van één pensioenovereenkomst. In de tweede volzin van art. 3:119 lid 5 Wft wilde men klaarblijkelijk niet alleen een regeling treffen voor de uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar die betrekking heeft op meerdere pensioenovereenkomsten (een collectieve levensverzekering), maar ook voor de uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar die betrekking heeft op één pensioenovereenkomst. In beide gevallen kan de verzekeringnemer ontbreken. Dit verklaart het verschil in terminologie tussen de tweede volzin (“een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar”) en de derde volzin (“collectieve levensverzekering”) van art. 3:119 lid 5 Wft.
R.o. 5.1 van Hoge Raad 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0566; JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk; JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy; PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG). Zie over deze ‘doorlopende’ pensioenovereenkomst en deze uitspraak Gerlach 2023, p. 122-124.
Wet van 18 december 1986 tot wijziging van de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf (Staatsblad 1986, 637). De doorlopende tekst van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf is opgenomen in Staatsblad 1986, 638.
Art. 53c lid 8 Wet toezicht verzekeringsbedrijf: “(…) Indien de verzekeringnemer bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel B, of artikel 9 van de Pensioen- en spaarfondsenwet ontbreekt, wordt onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen.” Polissen op grond van art. 2, vierde lid, onderdeel B van de Pensioen- en Spaarfondsenwet werden destijds “B-polissen” genoemd. Dit betrof verzekeringsovereenkomsten tussen een verzekeraar en een werkgever die aan personen, verbonden aan zijn onderneming, toezeggingen omtrent pensioen gedaan had.
Kamerstukken II 2005/06, 30655, nr. 3 behorende bij de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet refereert alleen aan het mogelijk blijven van “eigen beheer situaties” na de invoering van de Pensioenwet.
Ik denk dan bijvoorbeeld aan de situatie waarin de werkgever de collectieve levensverzekeringsovereenkomst heeft opgezegd en er een collectieve waardeoverdracht aan een andere levensverzekeraar heeft plaatsgevonden, alleen voor wat betreft de pensioenaanspraken van de actieve deelnemers. De “oude” verzekeraar moet de premievrije aanspraken op uitkeringen van de post-actieve deelnemers nakomen. Zie hierover ook hoofdstuk 8.8.2 van dit onderzoek.
Zie over pandrecht op de rechten uit levensverzekeringen onder meer Kalkman 2013, p. 352-363; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/761-772; Mijnssen en Engel 2021, p. 167-170; Rijkels 2023, p. 1198-1205; Kalkman, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 7:971 en 7:972 BW.
Een vraag zou ook kunnen zijn of het pandrecht op de rechten uit de levensverzekering blijft rusten wanneer de levensverzekeraar de levensverzekering overdraagt aan een andere levensverzekeraar. Het antwoord op die vraag is ja. Zie hierover hoofdstuk 3.4.2 van dit onderzoek. Dit komt omdat een beperkt recht in het Nederlands recht zaaksgevolg heeft. Het recht van pand is een beperkt recht (art. 3:227 lid 1 BW). Zie ook Hijma en Olthof 2020/256 met betrekking tot de kenmerken van een pandrecht.
Het recht van pand is een beperkt recht (art. 3:227 lid 1 BW). Op grond van art. 7:972 lid 1 onder b BW (opgenomen in de afdeling met bepalingen over sommenverzekering) kan de verzekeringnemer zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten slechts uitoefenen met schriftelijke toestemming van de beperkt gerechtigde, wanneer een beperkt recht is gevestigd op de voor de verzekeringnemer uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, dan wel op het recht op een uitkering. Het recht van verzet op grond van art. 3:119 Wft is geen uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiend recht. Het is een door de wet toegekend recht. De wetgever zou immers kunnen besluiten de wet aan te passen en dan bestaat dat recht met onmiddellijke ingang niet meer. Met een uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiend recht zou dat in beginsel niet kunnen. Het vereiste van toestemming van de pandhouder om een recht te mogen uitoefenen, is op het verzetrecht dus niet van toepassing. In de juridische literatuur over pandrecht op rechten uit levensverzekeringen wordt ervan uitgegaan dat met uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende rechten het recht van wijziging van de aanwijzing van de begunstigde, afkoop, premievrijmaking, of belening, alsmede beschikkingshandelingen zoals vervreemding of verpanding door de verzekeringnemer van zijn rechten worden bedoeld. Zie met name expliciet Mijnssen en Engel 2021, p. 169.
In de pandakte kan bijvoorbeeld opgenomen zijn dat de verzekeringnemer aan de bank volmacht verleent om (a) begunstigden aan te wijzen en wijzigingen in de begunstiging aan te brengen, en (b) om de aan de verzekeringnemer toekomende rechten ter zake van de overeenkomst van levensverzekering uit te oefenen, daaronder begrepen het recht om de verzekering af te doen kopen, het recht om deze verzekering geheel of gedeeltelijk premievrij te maken, betalingen in ontvangst te nemen en hiervoor kwijting te verlenen. Een dergelijke ruime tekst wordt dan gevolgd door een tekst waarin wordt geregeld dat de verzekeringnemer de beschreven rechten niet zonder de schriftelijke toestemming van de bank mag uitoefenen. De volmacht kan dan zo uitgelegd worden dat deze op niet meer rechten betrekking heeft dan de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten zoals bedoeld in art. 7:972 lid 1 onder b BW. Het recht van verzet op grond van art. 3:119 Wft valt daar niet onder (zie de vorige voetnoot). Ook komen volmachten voor waarin exacter is geregeld welke rechten de bank/pandhouder kan uitoefenen, bijvoorbeeld een volmacht om a. tot afkoop van de verzekering op de door de verzekeraar genoemde voorwaarden over te gaan ofwel deze geheel of gedeeltelijk premievrij te maken; b. begunstigden aan te wijzen of enige wijziging in de begunstiging aan te (doen) brengen of c. enige andere wijziging in de verzekering aan te doen brengen of toe te staan.
Het is ook mogelijk om conservatoir of executoriaal beslag te leggen op levensverzekeringen. Het gebruik maken van het recht van verzet omschreven in art. 3:119 Wft nadat beslag is gelegd, behandel ik om dezelfde reden ook niet.
Kalkman 2013, p. 4.
Art. 7:976 BW en onderdeel 3.3 en 3.4 van de conclusie van procureur-generaal G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2021:996, bij Hoge Raad 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:105, NJ 2022/52 (gefailleerde/curator Weersink).
Dit blijkt ook uit de bijlage bij de Wft waarin de branches staan vermeld. Het bedrijf van een levensverzekeraar wordt onderscheiden in een aantal branches. Tot de branche Levensverzekering algemeen (branche 1) behoren ook verzekeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van de mens die uitsluitend strekken tot het verrichten van andere dan geldelijke prestaties. Een levensverzekeraar met een vergunning voor branche 1 mag dus ook natura-uitvaartverzekeringen sluiten en afwikkelen. Zie voor een nadere toelichting op vergunningen van verzekeraars hoofdstuk 8.7 van dit proefschrift.
Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 297: “Uiteraard zal een levensverzekeraar zijn natura-uitvaartverzekeringsportefeuille eveneens kunnen overdragen aan een andere levensverzekeraar. Dit geschiedt volgens de algemene regels voor portefeuilleoverdracht tussen levensverzekeraars.”
Coenraad en Vlasveld 2023, p. 1269.
Coenraad en Vlasveld 2023, p. 1239.
Inleiding
Een levensverzekeraar die rechten en verplichtingen uit levensverzekering aan een andere levensverzekeraar wenst over te dragen behoeft daarvoor de instemming van DNB (art. 3:112 Wft). Een natura-uitvaartverzekeraar die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen heeft daarvoor ook de instemming nodig van DNB (art. 3:113 lid 1 Wft). Een levensverzekeraar die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering aan een natura-uitvaartverzekeraar wil overdragen, behoeft daarvoor dan uiteraard ook de instemming van DNB (art. 3:113 lid 2 Wft).
Kenmerkend voor de procedure tot overdracht door een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar zijn de twee fasen van die procedure. Er is eerst een fase die wordt afgesloten met een opdracht gegeven door DNB tot publicatie van het voornemen tot portefeuilleoverdracht (in het verleden de verklaring van aanvankelijk geen bezwaar genoemd). Daarna volgt een fase waarin polishouders in verzet kunnen komen en waarin DNB instemming verleent om de verzekeringsportefeuille te mogen overdragen.
Stap 1
De overdragende verzekeraar verzendt de aanvraag van instemming aan DNB (art. 3:116 Wft) met een ontwerpovereenkomst en de stukken1 die ter toelichting dienen.
Stap 2
Opdracht van DNB aan de verzekeraar om van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling te doen in de Staatscourant en op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:119 lid 1 Wft)
Stap 3
Mededeling door verzekeraar in de Staatscourant en op andere door DNB bepaalde wijze (art. 3:119 lid 1 Wft)
Stap 4
Verzettermijn voor polishouders (art. 3:119 lid 2 Wft)
Stap 5
DNB verleent de verzekeraar instemming (art. 3:119 lid 4 Wft) (“verklaring van geen bezwaar”).
Stap 6
De overdracht vindt plaats en is van kracht ten aanzien van alle betrokkenen (art. 3:119 lid 4 Wft).
Stap 7
De overdragende verzekeraar doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant (art. 3:120 lid 1 Wft). Hij vermeldt bij de mededeling de datum waarop de overdracht is geschied (art. 3:120 lid 2 Wft).
Het verzetrecht van de betrokken polishouder op grond van art. 3:119 Wft
De betrokken polishouder kan zich verzetten tegen de portefeuilleoverdracht. Dit verzetrecht van de polishouder is omschreven in art. 3:119 Wft. Indien een vierde of meer van de betrokken polishouders zich binnen de door DNB gestelde termijn tegen de voorgenomen overdracht door een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar heeft verzet, verleent DNB geen instemming (art. 3:119 lid 2 Wft). De portefeuilleoverdracht kan niet plaatsvinden indien een vierde of meer van de polishouders zich gedurende de verzettermijn verzet, dus ook niet voor het deel van de polishouders dat zich niet heeft verzet tegen de voorgenomen overdracht van de portefeuille (art. 3:119 lid 4 Wft).
DNB geeft de overdragende verzekeraar opdracht om van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten mededeling te doen in de Staatscourant en op andere door DNB te bepalen wijze (art. 3:119 lid 1 Wft). Deze opdracht wordt gegeven zodra de ingediende gegevens voldoende zijn voor de voorbereiding van de uiteindelijke beschikking waarin instemming wordt verleend (art. 3:119 lid 1 Wft). Dit betreft niet alleen maar een toets of de gevraagde gegevens zijn aangeleverd: “Hiermee wordt bedoeld dat DNB onderzoekt of er, behoudens eventuele toepassing van het verzetsrecht, voorlopige bedenkingen bestaan tegen de voorgenomen portefeuilleoverdracht, bijvoorbeeld op basis van de financiële positie van de verkrijgende verzekeraar.” zo licht DNB2 zelf toe. In de praktijk is de “andere door DNB te bepalen wijze” tot nu toe meestal een publicatie in drie landelijke dagbladen. De verzekeraar zal daarom meestal bij de aanvraag van instemming zelf al een voorstel doen in welke dagbladen hij wil publiceren. DNB doet daarbij ook mededeling van de termijn waarbinnen de betrokken polishouders zich tegen de overdracht kunnen verzetten (art. 3:119 lid 1 Wft). De door DNB te bepalen verzettermijn is in de praktijk meestal dertig dagen na publicatie van het voornemen tot overdracht.3 De verzekeraar vermeldt in de advertenties in de Staatscourant en de drie landelijke dagbladen aan welk postadres of e-mailadres van DNB de polishouder het bericht dat hij zich verzet kan versturen. De polishouder moet daarbij zijn polisnummer(s) vermelden. De polishouder moet zijn bericht dat hij gebruik wil maken van zijn Wft-verzetrecht dus versturen aan DNB, en niet aan de overdragende verzekeraar.
Indien binnen de verzettermijn niet een vierde of meer van de betrokken polishouders in verzet is gekomen tegen de voorgenomen overdracht en er tegen de overdracht ook bij DNB geen bedenkingen bestaan, verleent DNB instemming met de overdracht (art. 3:119 lid 4 Wft). De overdracht kan dan plaatsvinden en is van kracht ten aanzien van alle betrokkenen. De overdracht is dan dus ook van kracht ten aanzien van degene die zich ertegen heeft verzet.
Na de overdracht plaatst de verzekeraar die de portefeuille heeft overgedragen een mededeling in de Staatscourant dat de overdracht heeft plaatsgevonden (art. 3:120 lid 1 Wft).
Advertenties in drie landelijke dagbladen
De polishouder wordt tot nu toe dus in feite meestal van de voorgenomen portefeuilleoverdracht en de verzettermijn van een maand op de hoogte gesteld door een advertentie van zijn verzekeraar in de Staatscourant en drie landelijke dagbladen. De vraag rijst hoe groot de kans is dat de polishouder de desbetreffende advertentie ziet. Als hij geen abonnement heeft op één van deze dagbladen zal hij in de praktijk waarschijnlijk niet op de hoogte zijn van de mogelijkheid met betrekking tot zijn verzekeringsovereenkomst het recht van verzet uit te oefenen. Maar ook als hij wel een abonnement heeft op dat specifieke dagblad bestaat de kans, dat de polishouder net die dag zijn krant niet leest. Als hij die dag zijn krant leest, zou hij de advertentie over het hoofd kunnen zien.
Dit onderwerp kwam aan de orde in twee uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 13 februari 20234 naar aanleiding van bezwaarschriften die op grond van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’) zijn ingediend tegen het instemmingsbesluit van DNB over de juridische fusie van Optas Pensioenen N.V.5 en Aegon Levensverzekering N.V.6. De rechtbank oordeelde daarin dat in dat geval niet volstaan had mogen worden met advertenties in drie landelijke dagbladen. In rechtsoverweging 4.11 van deze uitspraken oordeelde de rechtbank als volgt:
“Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB met haar opdracht aan Optas/Aegon om van de voorgenomen portefeuilleovergang mededeling te doen in de Staatscourant en in de Telegraaf, het Algemeen Dagblad en de Volkskrant onvoldoende oog gehad voor het belang van de polishouders en dus een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 3:119, eerste lid, van de Wft. Nog daargelaten dat Optas/Aegon deze mededeling in NRC Handelsblad in plaats van het Algemeen Dagblad heeft gedaan zonder daarvoor een verklaring te kunnen of willen geven, is op voorhand duidelijk dat met een mededeling over de voorgenomen portefeuilleovergang op deze wijze slechts een beperkt deel van de polishouders zal worden bereikt en dat feitelijk dus alleen die polishouders de reële mogelijkheid hebben om zich tijdig, voor het verstrijken van de verzettermijn, daarover desgewenst nader te laten informeren en zich vervolgens al dan niet tegen de portefeuilleovergang te verzetten. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een minderheid van alle Nederlanders een landelijk dagblad – laat staan de Staatscourant – leest en dat lang niet alle lezers van deze kranten mededelingen als die van Optas/Aegon lezen. Gelet hierop had DNB in het belang van de polishouders voor voormelde tweede optie moeten kiezen en aan Optas/Aegon de opdracht moeten geven om alle polishouders persoonlijk aan te schrijven over de voorgenomen portefeuilleovergang, de mogelijkheid van verzet daartegen en de verzettermijn. Dat daaraan voor Optas/Aegon mogelijk hogere kosten zijn verbonden dan aan het plaatsen van een mededeling in drie landelijke dagbladen, betekent, anders dan DNB kennelijk meent, niet dat het onredelijk is om van Optas/Aegon te verlangen dat zij alle polishouders persoonlijk aanschrijft. Een persoonlijke correspondentie met polishouders behoort tot de normale bedrijfsvoering van een verzekeraar. Aangenomen mag worden dat Optas/Aegon gebruik maakt van een administratief systeem waarmee de kosten voor een brief aan alle polishouders beperkt kunnen worden, zoals communicatie per e-mail indien de betreffende polishouder daarmee heeft ingestemd.”
De rechtbank heeft in deze rechtsoverweging 4.11 niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat DNB met een opdracht om mededeling te doen in de Staatscourant en drie landelijke dagbladen onvoldoende oog heeft voor het belang van polishouders. De overweging heeft betrekking op de opdracht aan Optas/Aegon.7 Om die reden kan uit deze twee uitspraken niet de conclusie worden getrokken, dat DNB bij het geven van een opdracht in de zin van art. 3:119 lid 1 Wft voortaan altijd opdracht moet geven om individuele kennisgevingen te versturen aan degenen die het Wft-verzetrecht kunnen uitoefenen. Opdrachten van DNB op grond van art. 3:119 lid 1 Wft aan een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar,8 en mogelijk ook die op grond van art. 3:120 lid 2 Wft aan een schadeverzekeraar (zie hoofdstuk 1.5), zullen wel vaker gaan inhouden dat individuele kennisgevingen moeten worden verstuurd.9 Zie over deze uitspraken10 en de advertentieteksten verder hoofdstuk 6.7.5 van dit onderzoek.
Indien de verzekeraar heeft voldaan aan de door DNB gestelde vereisten vermeld in de opdracht op grond van art. 3:119 lid 1 Wft, dan heeft de verzekeraar volgens de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening11 geen aanvullende verplichting om de polishouders ook op individuele basis op het recht van verzet te wijzen. In die gevallen waarin DNB opdracht geeft om een advertentie te plaatsen in drie landelijke dagbladen, is de verzekeraar volgens de geschillencommissie dus niet verplicht om ook individuele kennisgevingen te versturen. De uitspraak had betrekking op de overdracht van levensverzekeringen door Brand New Day Levensverzekeringen N.V. aan Waard Leven N.V. Uit de uitspraak leid ik af dat DNB aan de overdragende verzekeraar opdracht heeft gegeven mededeling te doen in de Staatscourant en drie landelijke dagbladen. Op de dag van die mededeling heeft de verzekeraar ook een e-mailbericht over de overdracht aan de polishouders gestuurd. In dat e-mailbericht is niet op het recht van verzet gewezen. Vervolgens heeft een polishouder laten weten dat hij een afkoopsom wilde ontvangen. Ook in de reactie daarop, terwijl de verzettermijn nog liep, heeft de verzekeraar de polishouder niet op het recht van verzet gewezen.12 Overigens wil ik naar aanleiding van deze gang van zaken bij Brand New Day Levensverzekeringen N.V. wel opmerken dat een verzekeraar die besluit om, náást het plaatsen van advertenties zoals door DNB opgedragen, ook e-mailberichten of brieven te versturen aan polishouders om het voornemen tot portefeuilleoverdracht aan te kondigen, er daarin, in het kader van de goede relatie met de polishouders, maar beter wél melding van kan maken dat ook advertenties zijn gepubliceerd waarin mededeling wordt gedaan van het recht om zich bij DNB tegen de portefeuilleoverdracht te verzetten.
Moet de verzekeraar de polishouder op grond van art. 4:20 lid 3 Wft op de hoogte stellen van de portefeuilleoverdracht?
Indien DNB de verzekeraar opdracht geeft om advertenties in drie landelijke dagbladen te plaatsen, is er daarnaast naar mijn mening ook géén juridische verplichting van de verzekeraar om de polishouder op andere wijze van de portefeuilleoverdracht op de hoogte te stellen. Het is namelijk goed verdedigbaar dat voor de verzekeraar uit het bepaalde in art. 4:20 lid 3 Wft géén verplichting voortvloeit om de cliënt over een portefeuilleoverdracht te informeren.
Op grond van art. 4:20 lid 3 aanhef en onder a Wft moet de verzekeraar de cliënt gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst tijdig13 informatie verstrekken over wezenlijke wijzigingen in de al verstrekte informatie, voor zover deze wijzigingen redelijkerwijs relevant zijn voor de cliënt. Bij een portefeuilleoverdracht gaan de rechten en verplichtingen uit de levensverzekering over naar de verkrijgende verzekeraar. Om die reden is het naar mijn mening mogelijk te concluderen dat er in het geval van een portefeuilleoverdracht geen sprake is van een wezenlijke wijziging in de informatie over het verzekeringsproduct als zodanig, zoals bedoeld in art. 4:20 lid 3 aanhef en onder a Wft.14
Vervolgens moeten we nog de vraag beantwoorden of er uit art. 4:20 lid 3 aanhef en onder b Wft juncto art. 73 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft een informatieverplichting voortvloeit. Op grond van art. 4:20 lid 3 aanhef en onder b Wft moet gedurende de looptijd van een verzekeringsovereenkomst tijdig informatie worden verstrekt over bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen. Die algemene maatregel van bestuur is het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘Bgfo’). Art. 73 Bgfo somt op welke informatie een levensverzekeraar gedurende de looptijd van een levensverzekeringsovereenkomst ten minste moet verstrekken. Art. 73 Bgfo leidt mijns inziens bij een portefeuilleoverdracht door een levensverzekeraar niet tot een informatieverplichting.15Art. 74 Bgfo somt op welke informatie een natura-uitvaartverzekeraar gedurende de looptijd van een natura-uitvaartverzekeringsovereenkomst ten minste moet verstrekken. Art. 74 Bgfo leidt mijns inziens bij een portefeuilleoverdracht door een natura-uitvaartverzekeraar evenmin tot een informatieverplichting.
In hoofdstuk 10 verdedig ik het standpunt dat het geredeneerd vanuit de rechten van de polishouder inmiddels tijd wordt voor verbetering van de informatievoorziening over een voorgenomen portefeuilleoverdracht.
De verzekeraar hoeft na de portefeuilleoverdracht geen nieuwe polis af te geven
Het is ook een interessante vraag of de verzekeraar een juridische verplichting heeft om ná de portefeuilleoverdracht een nieuw polisblad toe te sturen aan de polishouder. De Wft bevat geen verplichting om dat te doen. In de praktijk wordt aangenomen dat een dergelijke verplichting evenmin voortvloeit uit de bepaling in het Burgerlijk Wetboek16 over het afgeven van polisbladen.17 Het versturen van een nieuwe polis in het kader van een portefeuilleoverdracht is in de verzekeringsbranche niet gebruikelijk, naar ik aanneem ook uit kostenoverwegingen. Na een portefeuilleoverdracht kan de polishouder door middel van de combinatie van het eerder afgegeven polisblad en de advertentie die de verzekeraar op grond van art. 3:120 Wft verplicht is na de portefeuilleoverdracht in de Staatscourant18 te plaatsen, bewijzen wie zijn verzekeraar is. Een situatie dat de nieuwe verzekeraar na een portefeuilleoverdracht (waarbij de Wft-regeling is toegepast) ontkent dat hij de verzekeraar is, kan ik mij overigens echter ook niet voorstellen.
Wie hebben het recht van verzet op grond van de Wft?
Het gaat dus om een verzetrecht voor de polishouders van de levensverzekeraar of de natura-uitvaartverzekeraar.19 Het in art. 3:119 Wft gehanteerde begrip “polishouder” wordt in art. 3:119 lid 5 Wft gedefinieerd:
“Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.”
Op grond van de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft zal het verzetrecht in de meeste gevallen toekomen aan de verzekeringnemer. Hier rijst dus eerst de vraag wie dat is. De Wft bevat geen definitie van de verzekeringnemer. De Wft verwijst wel in meerdere definities naar Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.20 Ik meen daarom dat “verzekeringnemer” in art. 3:119 lid 5 Wft dezelfde betekenis heeft als in Boek 7 BW. In art. 7:925 lid 1 BW wordt “verzekering” gedefinieerd als “een overeenkomst waarbij de ene partij, de verzekeraar, zich tegen het genot van premie jegens haar wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van een of meer uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal duren.” De verzekeringnemer is dus de wederpartij van de verzekeraar bij een verzekeringsovereenkomst. Verzekeraar en verzekeringnemer zijn de partijen die met elkaar een verzekeringsovereenkomst sluiten.21
Echter, indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, dan komt het recht van verzet toe aan de tot de uitkering gerechtigde. Ik zou hier voor wat betreft individuele levensverzekeringen willen aannemen dat we dan onder “de tot de uitkering gerechtigde” de tot uitkering gerechtigde zoals gedefinieerd in art. 7:926 lid 2 BW22 mogen verstaan. De Wft bevat geen definitie van de tot de uitkering gerechtigde. In art. 7:926 lid 2 BW wordt voor wat betreft afdeling 1 van Titel 17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek onder de tot uitkering gerechtigde verstaan “degene die in geval van verwezenlijking van het risico krachtens de verzekering recht heeft op uitkering of door aanvaarding van de aanwijzing recht op uitkering kan krijgen”. Indien we deze definitie hanteren bij de uitleg van art. 3:119 lid 5 Wft dan hebben indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, dus zowel degene die al recht heeft op de uitkering, waaronder de begunstigde derde die de begunstiging al heeft aanvaard, als de begunstigde derde die de begunstiging nog kan aanvaarden,23 dit Wft-verzetrecht.
Voor wat betreft collectieve levensverzekeringen komt het Wft-verzetrecht toe aan de verzekeringnemer, dus de (voormalige) werkgever. In hoofdstuk 5.6.2.3 licht ik toe op grond waarvan ik deze conclusie heb getrokken. Indien deze (voormalige) werkgever op grond van de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft, in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer van de collectieve levensverzekering, gebruik maakt van het Wft-verzetrecht, wordt op grond van de laatste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft het aantal verzekerden onder die collectieve levensverzekering in aanmerking genomen bij het “tellen” hoeveel “polishouders” in verzet zijn gekomen.
Art. 3:119 lid 1 Wft spreekt letterlijk over het verzetrecht van de “betrokken polishouders”. Dit zijn de polishouders van de polissen die worden overgedragen. Zie hierover al in 1927 Sleutelaar, en Boshuizen en Jager in 2010.24 Boshuizen en Jager merken expliciet op dat onder de betrokken polishouders de polishouders van de over te dragen portefeuille dienen te worden verstaan. In een voetnoot voegen zij hier wel aan toe dat zowel de Europese richtlijnen als de nationale wetsgeschiedenis op dit punt echter niet geheel helder zijn.
In geval van een overdracht van een deel van de portefeuille van de verzekeraar (en dus niet de gehele verzekeringsportefeuille) hebben de polishouders van de polissen die achterblijven dus géén verzetrecht. Het is aan de toezichthouder om voor hun belangen te waken.
Ook de polishouders van de verkrijgende verzekeraar hebben dus niet het verzetrecht op grond van art. 3:119 Wft. De polishouders van de verkrijgende verzekeraar zouden er uiteraard wel degelijk belang bij kunnen hebben om zich tegen de “aanwas” in de verzekeringsportefeuille van hun verzekeraar door de overname van een verzekeringsportefeuille te verzetten. Dat recht hebben zij echter niet. Zij moeten vertrouwen op de beoordeling van de portefeuilleoverdracht door DNB, die ook hun belangen in de beoordeling betrekt.25
Dat alleen de polishouders van de polissen die worden overgedragen het verzetrecht hebben, betekent geredeneerd vanuit de betrokken verzekeraars dat het dus belangrijk is om bij het structureren van een transactie met een deel van de verzekeringsportefeuille een goede inventarisatie te maken van redenen die polishouders, in de respectievelijke delen van de portefeuille, zouden kunnen hebben om in verzet te komen. Zo ligt het in ieder geval niet voor de hand om in geval van een transactie waarbij een levensverzekeraar zich wil opsplitsen in een levensverzekeraar met de actieve portefeuille, en een levensverzekeraar met een portefeuille met daarin een zogenoemd “closed book” 26 met beleggingsverzekeringen, 27 het deel met daarin het “closed book” te gaan overdragen. De polishouders in het “closed book” zouden zich bijvoorbeeld immers zorgen kunnen maken over de ontwikkeling van de solvabiliteit van de verkrijgende verzekeraar naarmate het “closed book” steeds kleiner wordt of indien de verzekeraar betalingen moet doen in verband met door polishouders van beleggingsverzekeringen tegen de verzekeraar ingestelde rechtsvorderingen. Het valt niet uit te sluiten dat zij daarom gebruik zullen maken van hun verzetrecht.
De tweede volzin28 van art. 3:119 lid 5 Wft is in het vorenstaande nog niet aan de orde geweest. Deze volzin heeft betrekking op de situatie dat een verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in art. 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt. Art. 1 Pensioenwet definieert een “uitvoeringsovereenkomst” als “de overeenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer pensioenovereenkomsten.” Een “pensioenovereenkomst” is in art. 1 Pensioenwet gedefinieerd als “hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen”. 29 De pensioenovereenkomst wordt geacht door te lopen na het einde van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat op het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt, de rechtsverhouding tussen partijen “met gewijzigde hoedanigheid van de partijen” wordt voortgezet in de pensioenovereenkomst.30 Een volzin zoals deze tweede volzin van art. 3:119 lid 5 Wft werd voor het eerst aan de regeling met betrekking tot portefeuilleoverdracht toegevoegd in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf31 die per 1 juni 1987 werd ingevoerd.32 In de Kamerstukken behorende bij deze wet werd deze volzin niet toegelicht. Deze volzin verwees naar de Pensioen- en Spaarfondsenwet, de voorloper van de Pensioenwet. Kamerstukken van latere wetten geven ook geen inzicht in de achtergrond van deze volzin.33
Ik begrijp deze tweede volzin van art. 3:119 lid 5 Wft zo dat deze gaat over de situatie dat de verzekeringnemer bij een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet met een verzekeraar ontbreekt. Er is geen verzekeringnemer meer die nog premie betaalt. Als er dan nog één of meer verzekerden zijn met een aanspraak jegens deze verzekeraar,34 dan hebben zij een premievrije aanspraak op uitkeringen. Aan zo’n verzekerde met een premievrije aanspraak op uitkeringen komt volgens deze wettekst het verzetrecht toe. Indien alleen de eerste volzin van art. 3:119 lid 5 Wft zou zijn opgenomen, zou voor wat betreft die verzekeringsovereenkomst niemand het verzetrecht hebben. De toekenning van dit recht lijkt echter te worden doorkruist door de tekst van art. 6 Pensioenwet. Dit op 1 januari 2007 ingevoerde wetsartikel luidt: “De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op de verhouding tussen een verzekeraar of een premiepensioeninstelling en een aanspraak- of pensioengerechtigde, tenzij in deze wet anders is bepaald.” In de Pensioenwet is niet geregeld dat zij toch het recht van verzet van art. 3:119 Wft kunnen uitoefenen.35 Mijn conclusie is daarom dat in de tweede volzin van art. 3:119 lid 5 Wft een verzetrecht wordt toegekend aan degene die een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen en dat de toekenning van dit recht vervolgens door art. 6 Pensioenwet ongedaan wordt gemaakt.
Korte opmerking over pandrecht op de rechten voortvloeiende uit levensverzekeringen
Pandrecht op de rechten voortvloeiende uit levensverzekeringen36 komt veel voor. Hierbij kan met name gedacht worden aan de situatie dat een bank een hypothecaire geldlening verstrekt in verband met de aanschaf van een woning. De bank kan dan van de leningnemer verlangen dat deze de uit een levensverzekeringsovereenkomst voortvloeiende rechten aan de bank verpandt. Indien dergelijke levensverzekeringen door de levensverzekeraar aan een andere levensverzekeraar worden overgedragen, hebben de polishouders op grond van art. 3:119 Wft (zoals hiervoor uiteengezet) het recht van verzet. In verband met het pandrecht kunnen dan meerdere vragen opkomen.37 Heeft de polishouder de toestemming nodig van de pandhouder om gebruik te maken van het recht van verzet omschreven in art. 3:119 Wft? Of moet de polishouder misschien eerst toestemming vragen aan de pandhouder voordat hij besluit om géén gebruik te maken van dit recht van verzet? En mag de pandhouder zelf gebruik maken van het recht van verzet omschreven in art. 3:119 Wft, indien de polishouder besluit om dat niet te doen? Het antwoord op deze vragen is in beginsel neen.38 Een door de pandgever in de akte van verpanding van rechten uit een levensverzekering aan de pandhouder verstrekte volmacht om de rechten uit de levensverzekering uit te oefenen, brengt daar in beginsel ook geen verandering in.39 Dit lijkt mij ook terecht. Een grote bank zou anders immers om welke reden dan ook het recht van verzet kunnen gebruiken om een portefeuilleoverdracht te verhinderen. De bank zou dan ook aan de betrokken verzekeraars eisen kunnen stellen, en kunnen dreigen gebruik te maken van het recht van verzet indien aan die eisen niet wordt tegemoetgekomen. Het gaat het bereik van dit onderzoek te buiten om te onderzoeken of er eventueel toch gevallen zijn waarin er wel van moet worden uitgegaan dat de pandgever toestemming nodig heeft van de pandhouder om al dan niet het recht van verzet te gebruiken, of waarin de pandhouder zelf het recht van verzet zou kunnen uitoefenen.40
Wat is een levensverzekeraar? Wat is een natura-uitvaartverzekeraar?
Om te bepalen wanneer sprake is van een portefeuilleoverdracht op grond van art. 3:112 Wft, art. 3:113 lid 1 Wft of art. 3:113 lid 2 Wft is van belang te weten wanneer een verzekeraar een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar is. Voor de stappen 1 tot en met 7 die ik hierboven heb beschreven, is dat onderscheid overigens niet van belang. Deze zeven stappen moeten in geval van een portefeuilleoverdracht op grond van art. 3:112 Wft en art. 3:113 Wft steeds worden gevolgd.
Art. 3:112 Wft regelt de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering door een levensverzekeraar aan een andere levensverzekeraar. De Wft verstaat onder een levensverzekeraar: “degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van levensverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die levensverzekeringen”.41 Voor de uitleg van deze definitie is dus van belang wat in de Wft de definitie is van “levensverzekering”. Art. 1:1 Wft definieert een levensverzekering als “een levensverzekering als bedoeld in artikel 975 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de prestatie van de levensverzekeraar uitsluitend in geld geschiedt, of een natura-uitvaartverzekering als bedoeld in dit artikel”.
De Wft knoopt voor het begrip “levensverzekering” dus eerst aan bij het civielrechtelijke begrip levensverzekering. In art. 7:975 BW wordt de “levensverzekering” gedefinieerd als de in verband met het leven of de dood gesloten sommenverzekering met dien verstande dat ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd. Deze definitie in het BW omvat ook verzekeringen met prestaties anders dan in geld, bijvoorbeeld met uitkeringen in aandelen of obligaties.42 Ook natura-uitvaartverzekeringen vallen blijkens de wetsgeschiedenis onder de definitie van levensverzekering in het BW.43 De wetgever wilde echter niet dat alle verzekeringen met prestaties anders dan in geld onder de Wft-definitie van het begrip “levensverzekering” zouden vallen. Vandaar dat in de Wft-definitie is bepaald dat het bij levensverzekeringen om prestaties in geld moet gaan. Maar de wetgever wilde wel dat natura-uitvaartverzekeringen onder de Wft-definitie van het begrip “levensverzekering” zouden vallen. Natura-uitvaartverzekeringen (zoals gedefinieerd in art. 1:1 Wft)44 zijn daarom vervolgens expliciet aan de definitie van het begrip “levensverzekering” in art. 1:1 Wft toegevoegd.45 Een levensverzekeraar kan volgens de Wft-definitie van “levensverzekeraar” dus ook natura-uitvaartverzekeringen sluiten en afwikkelen.46
Kortom, art. 3:112 Wft kan dus een portefeuille betreffen waarvan geen natura-uitvaartverzekeringen deel uitmaken, maar ook een portefeuille waarvan wel natura-uitvaartverzekeringen deel uitmaken.47
Art. 3:113 lid 1 Wft regelt de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering door een natura-uitvaartverzekeraar aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar. Voor de toepassing van deze bepaling is dus de definitie van “natura-uitvaartverzekeraar” belangrijk. De Wft definieert “natura-uitvaartverzekeraar” als degene die, geen levensverzekeraar zijnde, zijn bedrijf maakt van het sluiten van natura-uitvaartverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die natura-uitvaartverzekeringen”.48 Voor de uitleg van deze definitie is dus van belang wat in de Wft de definitie is van “natura-uitvaartverzekering”. De Wft definieert een natura-uitvaartverzekering als “een verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon waarbij de verzekeraar zich verbindt tot het leveren van een prestatie die niet tevens inhoudt het doen van een geldelijke uitkering”.49
Het bedrijf van een natura-uitvaartverzekeraar heeft dus alleen betrekking op natura-uitvaartverzekeringen. De uitvoering van de verzekerde diensten vindt niet plaats door de uitvaartverzekeraar zelf, maar door de uitvaartverzorger.50 Bij een natura-uitvaartverzekering betaalt de verzekeraar in de praktijk de kosten die door de uitvaartverzorger in rekening worden gebracht rechtstreeks aan die uitvaartverzorger.51 Bij een natura-uitvaartverzekering wordt er dus bij het overlijden van de verzekerde geen geldbedrag uitgekeerd.
Kortom, uit de Wft-definitie van natura-uitvaartverzekeraar (“geen levensverzekeraar zijnde”) vloeit voort dat art. 3:113 lid 1 Wft is geschreven voor de portefeuilleoverdracht door een verzekeraar die zich alleen richt op verzekeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon door een prestatie die niet tevens inhoudt het doen van een geldelijke uitkering. Hij kan in geval van een portefeuilleoverdracht geen gebruik maken van art. 3:112 Wft, omdat hij geen levensverzekeraar is.
Ten slotte richt art. 3:113 lid 2 Wft zich tot de levensverzekeraar die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering aan een natura-uitvaartverzekeraar wil overdragen. Indien een levensverzekeraar die ook natura-uitvaartverzekeringen sluit deze natura-uitvaartverzekeringen wil overdragen aan een natura-uitvaartverzekeraar, is dit artikellid van toepassing. Art. 3:112 Wft kan hiervoor niet gebruikt worden, omdat de verkrijgende verzekeraar (volgens de definitie van “natura-uitvaartverzekeraar” in art. 1:1 Wft) geen levensverzekeraar is. Indien de levensverzekeraar deze natura-uitvaartverzekeringen zou willen overdragen aan een andere levensverzekeraar, dan is als gezegd art. 3:112 Wft dus wel52 van toepassing.