Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.4:5.4 Vertrouwen zonder grondslag in een verdrag
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.4
5.4 Vertrouwen zonder grondslag in een verdrag
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454589:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 812 met verwijzing naar A.J. Blok & L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, p. 161.
G.J.M. Corstens/M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 812.
Kamerstukken II 1979/80, 15 972, nr. 3 (MvT), p. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als voorbeeld van vertrouwen zonder grondslag in een verdrag, kan worden gewezen op artikel 552gg Sv, dat bepaalt dat
‘[d]e stukken betreffende ambtshandelingen ter zake van opsporing en vervolging, die de autoriteiten van de staat waarvan het verzoek tot strafvervolging is uitgegaan naar aanleiding van hun verzoek overleggen, (...) de bewijskracht [hebben] die toekomt aan stukken betreffende overeenkomstige door Nederlandse ambtenaren verrichte handelingen, met dien verstande dat hun bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in de vreemde staat hebben.’
Deze bepaling geldt ook bij een overname van strafvervolging zonder verdragsgrondslag. Het zal daarbij vooral gaan om processen-verbaal van opsporingsambtenaren waarover artikel 344 Sv in het tweede lid bepaalt dat ‘[h]et bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, (...) door den rechter [kan] worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.’ De zogeheten unus testis, nullus testis-regel neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv, geldt niet wanneer het om de waarneming van opsporingsambtenaren gaat. De ratio van die bepaling is dat door opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal waarborgen voor de juistheid van hun inhoud bieden, daar zij
‘worden opgemaakt door personen die in het bijzonder belast zijn met en onderwezen in het vaststellen van door hen waargenomen strafbare feiten en dit geschiedt onder de verse indruk van die waarneming’.1
Zelfs in de Nederlandsrechtelijke context kan de grondslag van deze bepaling in twijfel worden getrokken,2 maar de rechtvaardiging voor toepasselijkheid van deze bepaling zonder enige nadere beperking (bijvoorbeeld tot staten waarmee een verdragsrelatie bestaat), ook waar het gaat om de waarneming van opsporingsambtenaren van vreemde staten, is onduidelijk. Die gelding lijkt te zijn ingegeven door de wens om na een bepaalde vorm van rechtshulp, in casu gaat het om overname van strafvervolging, zo effectief mogelijk aan het doel van samenwerking tegemoet te komen:
‘Bij het ontbreken van een desbetreffende bepaling zou, na overneming van de vervolging door Nederland, de behandeling van de strafzaak ernstig kunnen worden bemoeilijkt. Zo zal de rechter het tweede lid van artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering ook moeten kunnen toepassen, indien het proces-verbaal door een buitenlandse opsporingsambtenaar is opgemaakt.’3
De mogelijk grotere twijfel in voorkomende gevallen over de capaciteiten van vreemde opsporingsambtenaren zal zich in de praktijk overigens, naar mag worden aangenomen, vertalen in een kritischer opstelling van de rechter die het bewijsmateriaal moet wegen, zodat het resultaat uiteindelijk vergelijkbaar zou zijn met de situatie dat 552gg Sv niet zou bestaan dan wel beperkter zou gelden; de wetgever heeft het evenwel niet onmogelijk gemaakt dat een veroordeling is terug te voeren op het proces-verbaal van één buitenlandse opsporingsambtenaar van in beginsel elke willekeurige staat, ongeacht de vraag of met die staat enige verdragsrelatie bestaat.