Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/7:7 Het object van het vertrouwen: gedragingen, bewerkingen, verplichtingen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/7
7 Het object van het vertrouwen: gedragingen, bewerkingen, verplichtingen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456972:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Afgezien van het algemene vertrouwen dat feitelijk aan elke vorm van samenwerking ten grondslag ligt (descriptief) of in juridische zin moet liggen (normatief-voorwaardelijk), kan het vertrouwen in meer concrete zin (het vertrouwen dat reden is om terughoudender te toetsen: normatief-beperkend) betrekking hebben op gedragingen, op beweringen en op de naleving van verplichtingen. Het gaat dan om het optreden van de vreemde staat waarop het vertrouwen zich richt, om hetgeen waarin men vertrouwen heeft. Deze gedragingen, beweringen en verplichtingen kunnen daarom worden gezien als object van het vertrouwen. Door dit onderscheid te maken en uit te werken ontstaat meer inzicht in de legitimiteit van en redenen voor deze normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel, die tot terughoudendheid leidt bij toetsing van concrete samenwerking. Aan deze concretisering gaat de abstracte gedachte vooraf dat er vertrouwen bestaat in het strafrechtsysteem van de andere staat. Dat kan als (abstract) object van het vertrouwen gelden, waarna dat kan worden uitgewerkt in meer concrete objecten van vertrouwen, hetgeen waarin mijn meer concreet vertrouwen heeft.
Of vertrouwen zich richt op bepaalde concrete beweringen van de zijde van de verzoekende staat of bijvoorbeeld op de naleving van abstracte verdragsrechtelijke verplichtingen, kan verschil maken voor de daarop te baseren terughoudendheid in toetsing van samenwerking. Het onderscheid kan van belang zijn bij het sluiten van een verdrag. Het kan bij de wetgever inscherpen welke implicaties het al dan niet opnemen van bepaalde voorwaarden en het daarbij al dan niet achterwege laten van weigeringsgronden heeft. Zo kan men voornemens zijn een uitleveringsverdrag te sluiten met daarin een specialiteitsbepaling, de verplichting om de vervolging te beperken tot het feit waarvoor uitlevering wordt toegestaan. Doorgaans is aan een dergelijke specialiteitsbepaling geen weigeringsgrond gekoppeld voor het geval de vrees zou bestaan dat de specialiteitsregel niet zal worden nageleefd. Dat betekent dat het verdrag in wezen vertrouwen dicteert waar het de naleving van die specialiteitsbepaling betreft.
Ook voor de beoordeling van een concreet rechtshulpverzoek is het in dit hoofdstuk gemaakte onderscheid relevant. Wanneer het (eventuele) vertrouwen in concreto ziet op een bewering van de zijde van de andere staat, is de vraag in de kern of al dan niet kan worden afgegaan op die bewering. Door die vraag te onderkennen kunnen relevante vervolgvragen worden gesteld die doorslaggevend zijn voor het antwoord op de primaire vraag of op de bewering kan worden afgegaan. Is de verdenking die ten grondslag ligt aan een verzoek tot uitlevering ter fine van vervolging of tot kleine rechtshulp geformuleerd door een rechter of door een officier van justitie? Welke toetsing zou in een nationaalrechtelijke context op haar plaats zijn bij een min of meer vergelijkbaar verzoek van de corresponderende autoriteit? Wat is de armslag voor toetsing van de verdenking door een Nederlandse rechtercommissaris bij een vordering tot doorzoeking van een woning afkomstig van een Nederlandse officier? En welke reden is er om bij een rechtshulpverzoek afkomstig van een officier van justitie uit een andere staat een terughoudendere toets uit te voeren? En is dit anders bij een verzoek van een onderzoeksrechter uit een andere staat? De ontrafeling van het vertrouwensbeginsel op dit punt helpt degene die in de praktijk wordt geconfronteerd met vragen omtrent het in (beweringen, gedragingen of naleving van verplichtingen door autoriteiten van) de andere staat te stellen vertrouwen, om nauwkeurig te benoemen waar het vertrouwen precies op ziet en welke mate van vertrouwen gerechtvaardigd is. Door na te gaan of het vertrouwen een gedraging, zoals de berechting, een bewering, bijvoorbeeld in het verzoek, of een verplichting, zoals het specialiteitsbeginsel, betreft, kan bijvoorbeeld de uitleveringsrechter vaststellen wie daarvoor verantwoordelijk is en waarom hij wel of niet uit kan gaan van vertrouwen. Uiteindelijk gaat het dan om het mogelijk maken van een inschatting van risicofactoren: de ene autoriteit, de rechter, geniet wellicht meer vertrouwen dan de andere, de politieambtenaar; de ene verplichting, zoals een verdragsrechtelijke, zal wellicht eerder worden nageleefd dan een andere, een min of meer informele toezegging; en het ene object, een concrete feitelijke bewering, leent zich eerder voor toetsing dan het andere, een juridische bewering over een toekomstig aspect.
Bij het navolgende is van belang te onderkennen dat deze drie objecten van het vertrouwen, gedragingen, bewering en verplichtingen, als archetypen van elkaar kunnen worden onderscheiden en dat dit onderscheid nuttig is in analytisch opzicht, maar dat zij in de praktijk overlap en samenhang kunnen vertonen en dat ook dikwijls doen. Zo toetst de rechter in het kader van de berechting, een gedraging, veelal aan verplichtingen en gaat hij de juistheid van beweringen na. En het effectueren van een gedraging – bijvoorbeeld de garantie dat na uitlevering een rechtsmiddel kan worden aangewend in geval van een verstekvonnis – vormt ook weer een verplichting waar de verzoekende staat in dit voorbeeld aan is gebonden. Van een waterscheiding tussen de hier gehanteerde objecten van vertrouwen (gedragingen, beweringen en verplichtingen) is in praktisch opzicht dus geen sprake.
7.1 Vertrouwen op gedragingen7.2 Vertrouwen op beweringen7.3 Vertrouwen op de naleving van verplichtingen7.4 Conclusie