Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.1
7.1 Inleiding
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299225:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het bedrijfsbegrip van art. 6:181 ziet blijkens hoofdstuk 6 op ‘de professional’. Omwille van de leesbaarheid wordt in dit hoofdstuk ter aanduiding van de ex art. 6:181 aansprakelijke niettemin van ‘bedrijf’ en ‘bedrijfsmatige’ gebruiker gesproken.
Zie de definitie in de Van Dale.
Ontleend aan Beekhuis 1963, p. 573 met betrekking tot art. 6.3.15 O.M., de vroege voorloper van art. 6:173, dat de aansprakelijkheid voor zaken nog legde bij de ‘gebruiker’ daarvan.
Parl. gesch. Boek 6, p. 737. Het betreft art. 6.3.15 O.M., zie Parl. gesch. Boek 6, p. 742. Dit artikel werd vervangen door art. 6.3.2.5 G.O., en uiteindelijk als bezittersaansprakelijkheid ex art. 6:173 ingevoerd.
Parl. gesch. Boek 6, p. 741.
Art. 6.3.2.5 G.O., de opvolger van art. 6.3.15 O.M. Zie Parl. gesch. Boek 6, p. 732-733, 745.
Parl. gesch. Boek 6, p. 748.
Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1373. Het werd bezwaarlijk geacht dat men op de enkele grond dat men bezitter is aansprakelijk kon zijn voor gebreken van roerende zaken, ook wanneer het gebrek is ontstaan tijdens het productieproces, maar zonder dat dit tot aansprakelijkheid van de producent zelf leidde of op deze verhaal kon worden genomen.
Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1373-1375; Kamerstukken II 1983/84, 17541, 4. Als motieven voor aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker – en het ontbreken van die van de bezitter – werd een beroep gedaan op de gevaartheorie en profijtgedachte.
Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1386-1387; Kamerstukken II 1985/86, 17541, 12. Daarbij werd via lid 2 van art. 6:173 de bezittersaansprakelijkheid uitgesloten voor door afd. 6.3.3 BW bestreken schade door productiegebreken.
O.a. HR 14 februari 1919, W 10412 (APC/Gemeente Groningen); HR 31 mei 1963, NJ 1966/338 (Ingeschaarde vaars) en HR 29 november 1985, NJ 1987/291, m.nt. CJHB (Van Amsterdam/Van den Hurk). Zie over art. 1404 OBW ook par. 3.3.2 en par. 4.3.
Zie over dit arrest ook par. 3.3.3.1.
Art. 6:181 koppelt de aansprakelijkheid aan het gebruik van de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken. Wanneer heeft het in art. 6:181 bedoelde ‘bedrijf’ nu als ‘gebruiker’ daarvan te gelden?1 Naar normaal spraakgebruik heeft het werkwoord ‘gebruiken’ de betekenis van ‘het zich bedienen van’.2 De gedachten over het gebruiksbegrip van art. 6:181 gaan zodoende al gauw uit naar het gebruik van machines, werktuigen, gebouwen en dieren als ‘productiemiddel’ waarmee wordt bijgedragen aan de uitoefening van het betreffende bedrijf. Vastomlijnd is de term ‘gebruik’ echter allerminst. Zo is al problematisch de zeer basale casus waarin iemand een ander in de bedrijfsmatige sfeer een stoel aanbiedt: heeft degene die op de stoel gaat zitten als ‘gebruiker’ daarvan te gelden, of is dat degene die de stoel als zitplaats heeft aangeboden, dan wel kunnen beiden als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de stoel worden aangemerkt?3 Een vraag is voorts of enkel van draaiende machines, kantoorgebouwen die tussen negen en vijf ‘in bedrijf’ zijn en van paarden die tijdens een paardrijles in draf lopen, kan worden gezegd dat deze bedrijfsmatig worden ‘gebruikt’. Of kunnen ook ’s nachts uitgeschakelde machines, gebouwen buiten kantooruren en paarden die na afloop van de les ‘op stal’ staan ‘in gebruik’ zijn? Wetsontwerper Meijers kreeg al een vraag in deze richting voorgelegd ten tijde van de beraadslagingen over de vroege voorloper van art. 6:173,4 waarin de algemene aansprakelijkheid voor zaken werd gelegd op de gebruiker daarvan, en antwoordde als volgt:
‘Wanneer is een machine in gebruik? Is dat het geval, wanneer zij voor gebruik gereedstaat, of alleen wanneer zij werkt? Dat is een vraag, die men aan de rechtspraak zal moeten overlaten. Wanneer begint het gevaar groter te worden? Daarvan zal het antwoord op de vraag afhangen. Als een machine geheel uitgeschakeld is en rotsvast op een bepaalde plaats staat, kan men haar niet meer als gevaarlijk voorwerp beschouwen. Bij vliegtuigen laat men de aansprakelijkheid beginnen reeds voordat het toestel in de lucht is. Krachtens de nieuwe regeling van het tractaat van Rome begint reeds zodra het vliegtuig in beweging is, ook op de grond, de verzwaarde aansprakelijkheid. Zo zal men ook bij machinerieën naar omstandigheden een beslissing moeten geven omtrent de vraag, wanneer men kan zeggen, dat zij in gebruik zijn en de verhoogde aansprakelijkheid begint.’5 (curs. AK)
Duidelijk is dat Meijers dacht aan een aansprakelijkheid voor zaken die als ‘gevaarlijk’ zijn te beschouwen. Ter beantwoording van de vraag of een zaak al of niet ‘in gebruik’ is, werd aldus vooral waarde gehecht aan de gevaartheorie (‘Wanneer begint het gevaar groter te worden?’). Gedurende de verdere parlementaire behandeling van de aansprakelijkheid voor zaken zag men kennelijk in dat hantering van het gebruiksbegrip voor de nodige problemen zou kunnen zorgen. Voorgesteld werd de aansprakelijkheid voor zaken in plaats van op de gebruiker op de bezitter te leggen.6 De term ‘gebruik’ kon dan als onnodig complicerende eis worden geschrapt.7 Toen het er naar uitzag dat tegelijkertijd met art. 6:173 geen regeling van productenaansprakelijkheid (thans afd. 6.3.3 BW) zou worden ingevoerd, vond de wetgever een bezittersaansprakelijkheid voor roerende zaken toch te ver gaan.8 Voorgesteld werd de aansprakelijkheid voor de in art. 6:173 bedoelde zaken – overeenkomstig de maatstaf van art. 6:181 – alleen te leggen bij degene die deze in de uitoefening van een bedrijf gebruikt.9 Wederom werden moeilijkheden voorzien ter toepassing van de term ‘gebruiken’ van een zaak, nu ook nog eens bedrijfsmatig.10 Toen vervolgens tóch een regeling van productenaansprakelijkheid tot stand bleek te komen vóór de inwerkingtreding van Boek 6 BW, werd de bedrijfsmatige ‘gebruiker’ weer als aansprakelijke persoon uit het ontwerp-artikel 6:173 geschrapt en werd de bezittersaansprakelijkheid hersteld.11 Dat de term ‘gebruik’ zodoende uiteindelijk niet in art. 6:173 is terechtgekomen, zou als een gelukkige ontwikkeling aangemerkt kunnen worden. Het oude recht had immers al aangetoond dat in de praktijk nogal werd geworsteld met de toepassing daarvan, namelijk bij de in art. 1404 OBW geregelde aansprakelijkheid voor dieren die rustte op de eigenaar of ‘gebruiker’. De Hoge Raad moest er meermaals aan te pas komen, ook in ‘alledaagse’ gevallen, om knopen over het gebruiksbegrip van deze bepaling door te hakken.12 Waar de term ‘gebruik’ niet in de definitieve versie van art. 6:173 is terechtgekomen, vervult zij binnen art. 6:181 wel een belangrijke rol. Dat het gebruiksbegrip van art. 6:181 in de rechtspraktijk afgebakend dient te worden, blijkt uit het inmiddels verschenen arrest HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta).13 Dit arrest handelt over een bepaald niet onalledaagse casus, waarin een manege tegen betaling het paard van een ander ‘beleerde’ (trainen, africhten en zadelmak maken). Tot in hoogste instantie werd geprocedeerd over de vraag of de manege daarmee als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van dit dier kwalificeerde. Met het Loretta-arrest heeft de Hoge Raad wel enige duidelijkheid geschapen, maar uitgekristalliseerd is de uitleg van het gebruiksbegrip van art. 6:181 nog allerminst. Dit kernbegrip wordt in dit hoofdstuk aan een nadere beschouwing onderworpen. Gezien de bevindingen in de hoofdstukken 4 en 5, zal hierbij overigens een ruime uitleg als uitgangspunt hebben te gelden.