Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.4:7.4 Een algemene maatstaf voor het gebruiksbegrip ontbreekt
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.4
7.4 Een algemene maatstaf voor het gebruiksbegrip ontbreekt
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297978:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. gesch. Boek 6, p. 747, waar is aangegeven dat het bewaren of vervoeren van zaken in beginsel geen ‘gebruik’ oplevert, terwijl de Hoge Raad (Loretta-arrest, r.o. 3.3) heeft overwogen dat voor de toepassing van art. 6:181niet de eis mag worden gesteld dat het dier ‘duurzaam en ten eigen nutte’ wordt gebruikt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De nogal onbepaalde term ‘gebruik’ vervult een centrale rol binnen art. 6:181. Toch is gedurende de parlementaire totstandkoming maar weinig aandacht geschonken aan het gebruiksbegrip van deze bepaling, terwijl hetgeen terzake wel naar voren is gebracht weinig standvastige en/of voor meerdere uitleg vatbare uitlatingen betreft. Met het Loretta-arrest heeft de Hoge Raad wel wat meer duidelijkheid geschapen, maar uitgekristalliseerd is de uitleg van het gebruiksbegrip van art. 6:181 nog zeker niet. Tot aan de verschijning van het Loretta-arrest werd in de doctrine hoofdzakelijk volstaan met het verwijzen naar de beknopte en weinig verheldering biedende wetsgeschiedenis, terwijl na het Loretta-arrest in de literatuur over gebruiksbegrip van art. 6:181 in feite meer vragen zijn opgeworpen dan dat antwoorden zijn gegeven. Wel is inmiddels duidelijk dat ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 meer omvat dan alleen het aanwenden van zaken als ‘productiemiddel’, en derhalve ruim wordt uitgelegd. Al met al lijkt voor ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 te gelden dat dit begrip:
niet enkel ziet op het als ‘productiemiddel’ aanwenden van een zaak;
ook gevallen omvat waarin de zaak zélf het object van dienstverlening is;
(dus) ook ziet op het be- en verwerken van een zaak;
uitdrukt dat het moet gaan om een feitelijk handelen met een zaak;
(dus) niet eist dat het ‘gebruik’ ten eigen nutte is;
evenmin eist dat het ‘gebruik’ duurzaam is;
het stadium waarin het ‘gebruik’ zich bevindt niet relevant acht;
(dus) ook omvat het onder zich hebben van een zaak met het oog op dan wel na afloop van het (eigenlijke) gebruik;
in beginsel steeds een zeker verband met een ‘gebruik’ van de zaak eist, waaraan het enkele onder zich hebben van een zaak (bewaren/vervoeren) niet voldoet.
Onduidelijk is echter waar het ruime bereik van het gebruiksbegrip van art. 6:181 zijn grens vindt. Kenmerkend aan de wetsgeschiedenis en tot nog toe verschenen literatuur en rechtspraak is bovendien dat daarin telkens concrete activiteiten worden genoemd, om daaromtrent vervolgens aan te geven of deze wel of geen ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 opleveren. Op deze wijze zijn meerdere in de praktijk veel voorkomende activiteiten de revue gepasseerd. Een algemene, overkoepelende maatstaf aan de hand waarvan steeds in voorkomende gevallen kan worden getoetst of al dan niet is voldaan aan het gebruiksbegrip van art. 6:181 ontbreekt zodoende. Bovendien lopen de meningen over een duiding van de diverse voorkomende concrete activiteiten met de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken in relatie tot art. 6:181 uiteen. Verder valt op dat vooral wordt getracht de reikwijdte van het gebruiksbegrip van art. 6:181 op negatieve wijze af te bakenen: aangegeven wordt welke concrete activiteiten geen ‘gebruik’ opleveren of welke eisen daarvoor in ieder geval niet gesteld mogen worden.1 In het navolgende wordt onderzocht of, positief geformuleerd, een praktisch hanteerbare algemene maatstaf valt te geven aan de hand waarvan telkens kan worden beoordeeld of iemand al dan niet een ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 is.