Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.5.3
10.4.5.3 De bewijslast
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491793:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook onderdeel 10.4.2.
HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 56. Zie ook Sanò, EC Tax Review 2018-5, onderdeel 4.1, p. 274. Vgl. ook Petrosovitch, European Taxation 2010/12, onderdeel 4.2.5, p. 565. Voor een meer algemene beschouwing over de bewijslastverdeling bij de bestrijding van misbruik in het EU-recht verwijs ik naar Rodríguez, EC Tax Review 2020-2, onderdeel 3. Deze auteur schrijft onder meer: “there should be at least prima facie evidence of fraud and abuse – we understand that it should be provided by the tax administration – (…)”.
Dat de inspecteur de bewijslast draagt voor de hoofdtoets is zonder meer in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets. Het vertrekpunt moet namelijk zijn dat belastingplichtigen een splitsing tot stand brengen omdat dat wenselijk is. De antimisbruikbepalingen zijn uitzonderingsbepalingen.1 Deze verdeling van de bewijslast is ook in overeenstemming met art. 15 Fusierichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie.2