Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.2.1:7.2.2.1 Regeling van klachtdelicten hoort in het Wetboek van Strafvordering
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.2.1
7.2.2.1 Regeling van klachtdelicten hoort in het Wetboek van Strafvordering
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946092:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.
Smidt & Smidt 1901 (Deel V), p. 293.
Smidt & Smidt 1891 (deel I), p. 44 en 494.
Smidt & Smidt 1891 (deel I), p. 494.
Smidt & Smidt 1891 (deel I), p. 494.
Zie hierover uitgebreider: hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.
Smidt & Smidt 1891 (deel I), p. 493.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 4, paragraaf 2.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 4, paragraaf 2.3.3.
Hoofdstuk 4, paragraaf 6.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de bespreking van de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van klachtdelicten in hoofdstuk 2 kwam ook de driedeling van die regeling aan bod. Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht zijn de algemene voorschriften ten aanzien van het indienen en intrekken van klachten in Boek I van het Wetboek van Strafrecht opgenomen. De klachtdelicten worden concreet aangewezen in Boek II van het strafwetboek en de vorm van de klacht wordt nader geregeld in het Wetboek van Strafvordering. De juridische structuur van deze regeling is sindsdien niet meer ten gronde ter discussie gesteld en de wetgever is voornemens om bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering deze verdeling van de regeling van klachtdelicten – met een materieelrechtelijk en formeelrechtelijk deel – te handhaven. 1Het is opvallend dat het juridisch debat over de wettelijke vormgeving van het klachtvereiste volledig is verstomd met de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886, want er is het nodige af te dingen op de toenmalige keuzes van de wetgever.
Van oudsher heeft men geworsteld met de vraag of de rechtsfiguur van de klacht materieelrechtelijk dan wel formeelrechtelijk van aard is. Illustratief hiervoor is het gegeven dat in de negentiende eeuw zowel in materieelrechtelijke strafbepalingen als via strafvorderlijke rechtsregels klachtdelicten werden aangewezen.2 Met de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 eindigt deze diffuse situatie. In de toelichting op de Invoeringswet Wetboek van Strafrecht uit 1886 maakt de wetgever duidelijk dat de rechter het klachtvereiste “niet als eene processuele bepaling maar als een voorschrift van materieel strafrecht te beschouwen heeft”.3 Deze stellingname van de wetgever is duidelijk, maar de onderbouwing daarvoor is dat niet.
Bij de voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht nam de Raad van State het standpunt in dat titel VII in Boek I van het Wetboek van Strafrecht – met algemene voorschriften voor het indienen en intrekken van klachten – regels van “van bloot formeelen aard” bevatte. Minister van Justitie Modderman reageerde dat alleen de vorm van de klacht tot het procesrecht behoorde en bepalingen ten aanzien van de bevoegdheid tot het indienen en intrekken van een klacht moesten zijns inziens tot het materiële recht worden gerekend. Een onderbouwing waarom de bepalingen in titel VII tot het materiële recht moesten worden gerekend bleef echter uit. 4Modderman merkte slechts op dat die titel noodzakelijk zou zijn, omdat anders elk afzonderlijk klachtdelict in Boek II van een nadere omschrijving van de klacht zou moeten worden voorzien. De zin en strekking van de klacht zou volgens Modderman anders te onbepaald zijn. 5De totstandkoming van Titel VII in Boek I lijkt daarmee vooral een gevolg te zijn van de keuze om klachtdelicten in Boek II van het Wetboek van Strafrecht aan te wijzen. Die conclusie lijkt ook gerechtvaardigd nu het oorspronkelijke wetsontwerp van de Staatscommissie in Boek I géén aparte titel bevatte met bepalingen over de klacht. De Staatscommissie besloot die titel pas toe te voegen, nadat een ontwerp van Boek II tot stand was gekomen waarin klachtdelicten werden aangewezen. De reden waarom klachtdelicten zouden moeten worden aangewezen in Boek II van het Wetboek van Strafrecht is echter niet van een nadere toelichting voorzien.
De keuze van de wetgever om klachtdelicten in Boek II van het Wetboek van Strafrecht aan te wijzen achtte de Raad van State indertijd wel acceptabel. Dit zou voldoende verband houden met het materiële strafrecht, omdat niet alleen de vervolging maar daarmee ook de straffeloosheid afhankelijk is van het al dan niet indienen van een klacht. 6Hier verwart de Raad van State materieelrechtelijke strafwaardigheid echter met strafprocesrechtelijke vervolgbaarheid. Volgens oudere ideeën ten aanzien van klachtdelicten, van bijvoorbeeld Mittermaier en Zachariae, kan de klacht een rol spelen bij de vaststelling van materiële strafwaardigheid van de gedraging. 7Dit idee ligt evenwel niet ten grondslag aan de Nederlandse klachtdelicten. In navolging van het debat bij de Nederlandse Juristenvereniging van 1877 is in het Wetboek van Strafrecht van 1886 slechts één grondbeginsel aangenomen dat redengevend dient te zijn voor het aanmerken van een strafbaar feit als klachtdelict. Het betreft uitsluitend delicten waarbij “het bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactie”.8 Deze enkele zinsnede vormt niet alleen de grondslag voor Nederlandse klachtdelicten, maar vormt ook de basis voor mijn conclusie dat het klachtvereiste ten onrechte een materieelrechtelijke achtergrond wordt toegedicht. Het maakt immers duidelijk dat een klachtvereiste niet wordt toegevoegd ten behoeve van de vaststelling van strafwaardigheid van de gedraging, maar dat dit gebeurt met het oog op de gevolgen die de vervolging van die gedraging met zich kunnen brengen voor de getroffene. Dat is een wezenlijk verschil dat tot op heden nauwelijks is onderkend.
In hoofdstuk 4 is onder meer het verband tussen de klacht en de wederrechtelijkheid van de gedraging onderzocht.9 Dat onderzoek biedt een bevestiging voor de gedachte dat de toevoeging van een klachtvereiste – waarmee de wetgever voorrang verleent aan het belang van de direct door het feit getroffene – in beginsel geen verband houdt met het strafwaardige karakter van de gedraging. Alleen bij de schending van het auteursrecht en diverse zedendelicten vervulde de klacht in het verleden wel een normerende rol. Bij die feiten kende het klachtvereiste echter steeds een bijzondere redengeving die afweek van voornoemd grondbeginsel en het klachtvereiste is bij al deze delicten inmiddels afgeschaft. In hoofdstuk 4 werd dan ook geconcludeerd dat het formeelrechtelijke karakter van de klacht leidend is bij de huidige klachtdelicten.
Daarnaast werd vastgesteld dat een materieelrechtelijke invulling van het klachtvereiste zich niet alleen slecht verhoudt tot het grondbeginsel dat redengevend behoort te zijn voor klachtdelicten, maar dat een materiële, normerende werking van de klacht ook om andere redenen onwenselijk is. Met name de verschillen ten opzichte van de wijze waarop toestemming van invloed kan zijn op de strafwaardigheid van gedragingen maakt duidelijk dat de klacht zich hiervoor minder goed leent. 10Het achteraf berusten in aangedaan onrecht is immers iets anders dan het vooraf accepteren van bepaalde gedragingen. Het eerste kan wel van belang zijn voor de beoordeling van de ernst van het feit, maar uitsluitend het laatste zou de gedraging daadwerkelijk straffeloos moeten kunnen maken. Toestemming is namelijk een positief waardeoordeel dat deel uitmaakt van de feitenconstellatie ten tijde van de gedraging. Bij het klachtvereiste is het moment waarop de gedraging wordt gewaardeerd losgemaakt van het moment waarop die gedraging plaatsheeft. Daarbij is problematisch dat bij het indienen of afzien van een klacht andere overwegingen – die geen verband houden met een beoordeling van de strafwaardigheid van de gedraging – een rol kunnen spelen. Uit het voorgaande volgt dat op een materieelrechtelijke toepassing van het klachtvereiste het nodige is af te dingen. Daar komt bij dat een wisselend materieel- en formeelrechtelijke toepassing van de klacht afbreuk zou doen aan de heldere functie van deze rechtsfiguur die rechtstreeks volgt uit het hiervoor omschreven grondbeginsel.
Ook als de rechtsfiguur van het klachtvereiste wordt bezien binnen het kader van vervolgingsbeletselen dat de Nederlandse strafrechtspleging kent, leidt dit tot de conclusie dat het is aangewezen dit vervolgingsbeletsel te regelen in het Wetboek van Strafvordering. Het totaal aan vervolgingsbeletselen is in hoofdstuk 4 paragraaf 4 nader onderzocht. Daaruit volgt dat vervolgingsbeletselen op uiteenlopende wijze zowel in de wet als in het ongeschreven recht zijn geregeld. De beletselen zijn vervat in materieelrechtelijke en formeelrechtelijke rechtsregels en de ratio voor de diverse beletselen loopt uiteen. Er is op dit punt geen sprake van een dwingende wetssystematiek die voorschrijft op welke wijze een vervolgingsbeletsel wettelijk moet worden ingekleed. Het is de functie van en de ratio achter het vervolgingsbeletsel die richtinggevend zijn voor de wijze waarop een vervolgingsbeletsel wettelijk wordt vormgegeven. Dit volgt ook uit het feit dat (nieuwe) inzichten ten aanzien van de achtergrond van diverse vervolgingsbeletselen er in het verleden toe hebben geleid dat (onderdelen van) die beletselen zijn verschoven van het materiële recht naar het formele recht en vice versa. Met het oog op de regeling van klachtdelicten leiden deze vaststellingen tot belangrijke conclusies. Het overhevelen van de regeling van klachtdelicten naar het Wetboek van Strafvordering is met het oog op de wetssystematiek ten aanzien van vervolgingsbeletselen an sich niet bezwaarlijk. De conclusie dat de functie en ratio van een vervolgingsbeletsel richtinggevend moeten zijn voor de wettelijke vormgeving van dat beletsel draagt juist in sterke mate bij aan de gedachte dat de rechtsfiguur van het klachtvereiste exclusieve regeling in het Wetboek van Strafvordering verdient. Hiervoor is immers gebleken dat het klachtvereiste een strafprocessueel mechanisme is dat de vervolging van een strafbaar feit kan verhinderen, maar dat niet raakt aan de materiële strafwaardigheid van de gedraging.
Een louter formeelrechtelijke regeling van het klachtvereiste brengt beter voor het voetlicht dat daarbij de gevolgen van de vervolging en niet de gevolgen van de gedraging centraal staan. De perceptie van de klacht als strafprocessueel mechanisme draagt daarmee bij aan het besef dat het overtreden van de strafwet – ook waar het klachtdelicten betreft – hoe dan ook laakbaar is en dat daaropvolgend in een formeelrechtelijke context de klacht slechts een rol speelt bij de vraag of de rechtsschending kan worden vervolgd, waarna via toepassing van het eveneens formeelrechtelijke opportuniteitsbeginsel antwoord wordt gegeven op de vraag of de rechtsschending moet worden vervolgd. Eerder in dit onderzoek is erop gewezen dat deze processuele duiding van het klachtvereiste ook beter aansluit op de werking van relatieve klachtdelicten, waarbij de klachtgerechtigde de klacht kan beperken tot een deel van de daders.11
Desalniettemin is het aanwijzen van klachtdelicten tot op heden als materieelrechtelijk van aard bestempeld. Daaraan lijkt de idee ten grondslag te liggen dat bij het al dan niet aanwijzen van klachtdelicten door de wetgever de weging van de door de strafbare feiten geraakte belangen dermate is verweven met het strafbare feit dat die beoordeling materieelrechtelijk van aard is en daarmee regeling in het Wetboek van Strafrecht verdient. Uit het voorgaande volgt dat die gedachtegang gemankeerd is. Het beginsel waarop Nederlandse klachtdelicten zijn gegrond, maakt duidelijk dat het bij het oordeel van de wetgever om een klachtvereiste toe te voegen draait om een weging van de mate waarin de gemeenschap en het individu zijn gebaat bij (het achterwege blijven van) vervolging. Die weging van belangen ziet niet primair op de aard en ernst van het delict, maar op de gevolgen die het al dan niet vervolgen van dat feit met zich brengt voor de maatschappij en het individu. Daarmee is in de kern sprake van een strafprocesrechtelijke afweging. De aard en ernst van het strafbare feit spelen logischerwijs wel een rol bij het bepalen van de mate waarin het algemeen belang is gebaat bij de vervolging van het betreffende strafbare feit, maar dit rechtvaardigt geenszins de conclusie dat sprake is van een materieelrechtelijke afweging die in het Wetboek van Strafrecht thuishoort. Het wegen van de ernst van delicten en de gevolgen die dit met zich brengt is immers geenszins voorbehouden aan het materiële strafrecht. In art. 67 van het Wetboek van Strafvordering wordt bijvoorbeeld voorgeschreven welke feiten dusdanig ernstig zijn dat een verdachte daarvoor in voorlopige hechtenis kan worden genomen. Ook daarbij spelen zowel de ernst van het feit als de weging van het maatschappelijk belang een belangrijke rol en dit maakt het geenszins een materieelrechtelijk vraagstuk.
In het licht van het voorgaande is het teleurstellend dat in de memorie van toelichting bij het voorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering – wederom zonder concrete onderbouwing – slechts wordt gesteld dat het aanwijzen van klachtdelicten en klachtgerechtigden tot het materiële strafrecht behoort.12 De wetgever is vooralsnog voornemens om door te gaan op de ingeslagen weg, terwijl een duidelijke redengeving daarvoor ontbreekt en hiervoor is geduid dat het Nederlandse klachtvereiste een strafprocessueel mechanisme is dat regeling in het Wetboek van Strafvordering verdient. Juist in een periode waarin meer aandacht uitgaat naar de positie van het slachtoffer en waarin een nieuw Wetboek van Strafvordering wordt vormgegeven waarmee de wetgever recht wil doen aan de belangen van dat slachtoffer is het aangewezen om de regeling van klachtdelicten daarin te verankeren. De klacht is immers bij uitstek de procesrechtelijke drempel die strekt ter voorkoming van secundaire victimisatie.