Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.3.2
21.3.2 Aanhangers van maatschappelijk gezien ongewenste godsdiensten
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457635:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 februari 1982, nr. 7511/76 en 7743/76 (Campbell and Cosans v UK), par. 36. Wat met menselijke waardigheid wordt bedoeld, is discutabel. Zie 21.2.5. Murdoch 2012, p. 16 stelt dat overtuigingen die: de hulp aan zelfdoding huldigen (EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty v the UK), par. 31); betrekking hebben op de voorkeur voor een bepaalde taal (EHRM 23 juli 1968, nrs. 1474/62; 1677/62; 1691/62; 1769/63; 1994/63; 2126/64 (Belgian Linguistic case), par. 6); betrekking hebben op het om religieuze redenen uitstrooien van menselijke overblijfselen (as) over het eigen land (EHRM 10 maart 1981, nr. 8741/79 (X. v Germany)) hiermee in strijd zijn.
De Beer werpt de vraag op of deze overtuigingen ook als levensovertuiging kunnen gelden. Zie De Beer, S&D 2007/10, p. 23.
EHRM 13 februari 2003, nr. 41340/98, 41342/98, 41343/98, 41344/98, AB 2003, 152 (Refah Partisi v Turkije), m.nt. M.J. Kanne.
EHRM 13 februari 2003, nr. 41340/98, 41342/98, 41343/98, 41344/98, AB 2003, 152 (Refah Partisi vTurkije), par. 98.
Over de tweede vraag, de vraag of aanhangers van maatschappelijk gezien ongewenste godsdiensten door een subjectief godsdienstbegrip met succes een beroep kunnen doen op een recht met een religieus object, moeten we opmerken dat het EHRM dit probleem heeft proberen op te lossen door het godsdienstbegrip enigszins te objectiveren. Dit doet het door het godsdienstbegrip negatief af te bakenen. Ten eerste stelt het de eis dat de te beschermen religie of overtuiging niet in strijd mag zijn met de menselijke waardigheid.1 Wellicht sluit deze eis uit dat racisme, fascisme, pedofilie etc. als ‘overtuiging’ worden erkend.2 Ten tweede plaatst het godsdienstoefening binnen de kaders van liberale en democratische idealen. Zo oordeelde het EHRM in Refah Partisi tegen Turkije3 dat een politieke partij mocht worden ontbonden omdat leden van deze partij voorstander waren van onder andere het invoeren van de Sharia, dat is het recht direct gebaseerd op islamitische voorschriften. Het EHRM maakte duidelijk dat een politieke partij die de democratie of de rechtsstaat niet respecteert of erop uit is die te vernietigen of de fundamentele (mensen)rechten die hiermee verbonden zijn niet serieus neemt, geen bescherming kan verwachten op grond van de rechten opgenomen in het EVRM.4
De afbakening van het EHRM is niet uitputtend en niet erg nauwkeurig. Want wanneer is godsdienst in strijd met de menselijke waardigheid en wanneer treedt godsdienst buiten de liberale en democratische kaders? Het biedt geen antwoord op de vragen als: mogen salafistische ouders zich beroepen op de vrijstelling van de leerplicht en hun kinderen thuisonderwijs geven, mogen aanhangers van ID-theorie een school stichten en hun kinderen voorschotelen dat de evolutietheorie en ID-theorie gelijkwaardige perspectieven op het ontstaan van het leven zijn, gaat de Scientology-kerk uit van een godsdienst of levensovertuiging en komt het daarom als kerkgenootschap in aanmerking voor belastingvrijstellingen, etc.
Bovendien is het discutabel om godsdiensten die in strijd zijn met de menselijke waardigheid of liberale en democratische kaders niet als zodanig te erkennen. Want waarom zou het begrip van godsdienst hieraan moeten voldoen? Wel zou men kunnen stellen dat deze godsdiensten niet vallen binnen het onderliggende vrijheidsbegrip van de godsdienstvrijheid omdat de bescherming van de godsdienstvrijheid wortelt in het ideaal van menselijke waardigheid. Maar dit is een wat omslachtige redenering. Logischer lijkt het om bij dergelijke claims de misbruikbepaling opgenomen in artikel 17 EVRM toe te passen. Daarin is bepaald dat een beroep op de in het verdrag genoemde grondrechten nooit gebruikt mag worden om ‘… rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.’ Dit kan echter alleen wanneer de justitiabele een beroep doet op artikel 9 EVRM. Daarnaast is de kans groot dat aanhangers van een dergelijke godsdienst alleen controversiële ideeën huldigen zonder dat ze die in praktijk brengen. In dat geval biedt artikel 17 EVRM wellicht ook geen soelaas.