AB 2023/86
Art. 6:13 Awb. Het niet meer ambtshalve door de bestuursrechter beoordelen of tijdig bezwaar is gemaakt, heeft geen gevolgen voor de ambtshalve beoordeling of verwijtbaar geen bezwaar is gemaakt.
ABRvS 11-01-2023, ECLI:NL:RVS:2023:76, m.nt. R. Stijnen
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
11 januari 2023
- Magistraten
Mr. H.C.P. Venema
- Zaaknummer
202200120/1/R1
- Noot
R. Stijnen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS690180:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Bestuursprocesrecht / Bezwaar
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2023:76, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 11‑01‑2023
- Wetingang
Art. 6:13 Awb
Essentie
Art. 6:13 Awb. Het niet ambtshalve door de bestuursrechter meer beoordelen of tijdig bezwaar is gemaakt heeft geen gevolgen voor de ambtshalve beoordeling of verwijtbaar geen bezwaar is gemaakt.
Samenvatting
De Caisson B.V. en appellant A betogen dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het is ingesteld door De Caisson B.V. en is gericht tegen het besluit van 18 december 2019. Hiertoe voeren zij aan dat geen van de procespartijen de ontvankelijkheid van het beroep van De Caisson B.V., voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 18 december 2019, ter discussie heeft gesteld. Ter zitting hebben zij gesteld dat de jurisprudentie over de tijdigheid van een bezwaarschrift van toepassing moet zijn op deze situatie, omdat het college in één besluit op de bezwaren tegen de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft beslist en aldus voor verwarring heeft gezorgd.
Vaststaat dat De Caisson B.V. geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 december 2019. De Afdeling stelt voorop dat de ontvankelijkheid in beginsel een ambtshalve te beoordelen aspect is. De beoordeling hiervan vindt dus plaats ook als geen van de procespartijen de ontvankelijkheid ter discussie heeft gesteld. Weliswaar heeft de Afdeling in de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730, in navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, overwogen dat een belanghebbende niet langer ambtshalve door de bestuursrechter wordt tegengeworpen dat het bezwaar niet tijdig was, maar die situatie is niet vergelijkbaar met dit geval en is hier niet van toepassing. In die uitspraken is ten gunste van belanghebbenden teruggekomen van de vaste rechtspraak dat bezwaar- en beroepstermijnen van openbare orde zijn. Uit die uitspraken volgt evenwel niet dat een belanghebbende niet langer door de bestuursrechter wordt tegengeworpen dat geen bezwaar is gemaakt. De Afdeling volgt niet de stelling van De Caisson B.V. en appellant A dat de hiervoor weergegeven lijn naar dit geval moet worden doorgetrokken. Daartoe overweegt de Afdeling dat het gegeven dat De Caisson B.V. geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 december 2019 niet is ontstaan doordat het college in één besluit op de bezwaren tegen de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft beslist. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook terecht de ontvankelijkheid van De Caisson B.V. beoordeeld. Nu verder niet is gebleken dat aan De Caisson B.V. niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het besluit van 18 december 2019, heeft de rechtbank het beroep van De Caisson B.V. en appellant A, voor zover ingediend door De Caisson B.V., terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen het besluit van 18 december 2019.
Partij(en)
Uitspraak op het hoger beroep van De Caisson B.V., te Kapelle, en appellant A, appellanten, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 november 2021 in zaak nr. 20/10272 in het geding tussen:
De Caisson B.V. en appellant A,
en
Het college van burgemeester en wethouders van Kapelle.
Uitspraak
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2019 heeft het college het verzoek van appellant Aom handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning op het perceel locatie 1 in Kapelle voor de huisvesting van zeven arbeidsmigranten, wat in strijd is met het bestemmingsplan, afgewezen voor zover het gaat over het verblijf van maximaal vier arbeidsmigranten.
Bij besluit van 3 april 2020 heeft het college de door P.W.G. Onroerend Goed B.V. gevraagde omgevingsvergunning voor het mogen gebruiken van de woning voor de huisvesting van vier personen (die niet samen één huishouden vormen) verleend.
Bij besluit van 11 november 2020 heeft het college het door appellant A tegen het besluit van 18 december 2019 gemaakte bezwaar en het door De Caisson B.V. en appellant A tegen het besluit van 3 april 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 november 2021 heeft de rechtbank het door De Caisson B.V. en appellant A daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht (niet opgenomen; red.).
Tegen deze uitspraak hebben De Caisson B.V. en appellant A hoger beroep ingesteld.
Het college en P.W.G. Onroerend Goed B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2022, waar De Caisson B.V. en appellant A, bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, en het college, vertegenwoordigd door B. Davidse en P. Vogel, zijn verschenen. Voorts is ter zitting P.W.G. Onroerend Goed B.V., vertegenwoordigd door gemachtigde A, vergezeld door gemachtigde B, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1.
Appellant A exploiteert aan de locatie 2 in Kapelle Motel Café Restaurant "De Caisson", een restaurant met motel en zalenverhuur. De woning aan de locatie 1 is oorspronkelijk gebouwd als bedrijfswoning van De Caisson en is inmiddels in eigendom van een derde die het pand verhuurt aan een detacheringsbureau. Ook een tankstation behoorde tot het complex, maar de exploitatie daarvan is intussen in handen van derden. De woning ligt tussen "De Caisson" en het tankstation in. Op 16 oktober 2019 heeft appellant A een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning aan de locatie 1 voor de huisvesting van zeven arbeidsmigranten, aangezien dat in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied 2e herziening", vastgesteld op 24 februari 2015 (hierna: het bestemmingsplan).
2.
Bij besluit van 18 december 2019 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen voor zover het gaat over het verblijf van maximaal vier arbeidsmigranten in de woning. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de overtreding voor een gedeelte (tot maximaal vier personen) gelegaliseerd kan worden.
Op 24 december 2019 heeft P.W.G. Onroerend Goed B.V. een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het mogen gebruiken van het pand voor huisvesting van vier personen, die niet samen één huishouden vormen. De gevraagde omgevingsvergunning is bij besluit van 3 april 2020 verleend. Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Het college heeft bij besluit op bezwaar van 11 november 2020 de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden en de verleende omgevingsvergunning, in stand gelaten.
3.
De rechtbank heeft het beroep van De Caisson B.V. en appellant A, voor zover ingediend door De Caisson B.V., niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen het besluit van 18 december 2019, omdat De Caisson B.V. tegen dat besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Het beroep van De Caisson B.V. en appellant A is voor het overige ongegrond verklaard.
Beoordeling van het hoger beroep
Procedureel
4.
De Caisson B.V. en appellant A betogen dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het is ingesteld door De Caisson B.V. en is gericht tegen het besluit van 18 december 2019. Hiertoe voeren zij aan dat geen van de procespartijen de ontvankelijkheid van het beroep van De Caisson B.V., voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 18 december 2019, ter discussie heeft gesteld. Ter zitting hebben zij gesteld dat de jurisprudentie over de tijdigheid van een bezwaarschrift van toepassing moet zijn op deze situatie, omdat het college in één besluit op de bezwaren tegen de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft beslist en aldus voor verwarring heeft gezorgd.
4.1.
Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.
4.2.
Vaststaat dat De Caisson B.V. geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 december 2019. De Afdeling stelt voorop dat de ontvankelijkheid in beginsel een ambtshalve te beoordelen aspect is. De beoordeling hiervan vindt dus plaats ook als geen van de procespartijen de ontvankelijkheid ter discussie heeft gesteld. Weliswaar heeft de Afdeling in de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730, in navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, overwogen dat een belanghebbende niet langer ambtshalve door de bestuursrechter wordt tegengeworpen dat het bezwaar niet tijdig was, maar die situatie is niet vergelijkbaar met dit geval en is hier niet van toepassing. In die uitspraken is ten gunste van belanghebbenden teruggekomen van de vaste rechtspraak dat bezwaar- en beroepstermijnen van openbare orde zijn. Uit die uitspraken volgt evenwel niet dat een belanghebbende niet langer door de bestuursrechter wordt tegengeworpen dat geen bezwaar is gemaakt. De Afdeling volgt niet de stelling van De Caisson B.V. en appellant A dat de hiervoor weergegeven lijn naar dit geval moet worden doorgetrokken. Daartoe overweegt de Afdeling dat het gegeven dat De Caisson B.V. geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 december 2019 niet is ontstaan doordat het college in één besluit op de bezwaren tegen de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft beslist. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook terecht de ontvankelijkheid van De Caisson B.V. beoordeeld. Nu verder niet is gebleken dat aan De Caisson B.V. niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het besluit van 18 december 2019, heeft de rechtbank het beroep van De Caisson B.V. en appellant A, voor zover ingediend door De Caisson B.V., terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen het besluit van 18 december 2019.
Het betoog faalt.
Verleende omgevingsvergunning
5.
De Caisson B.V. en appellant A betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de richtafstand als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) 0 m bedraagt en dat met de realisatie van de beoogde woonfunctie voor vier personen sprake blijft van een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat de activiteiten in "De Caisson" geacht moeten worden onder milieucategorie 2 te vallen, omdat het perceel locatie 2 onder meer de aanduiding "specifieke vorm van horeca - 1" heeft en bestemd is voor zalenverhuur tot en met categorie 2 uit de Staat van Horeca-activiteiten die als bijlage 5 bij de planregels is gevoegd. Gelet hierop moet worden uitgegaan van een richtafstand van 10 m voor een "gemengd gebied". Volgens De Caisson B.V. en appellant A wordt in de aangevallen uitspraak niet onderbouwd waarom zalenverhuur met feesten en partijen tot in de nachtelijke uren als milieucategorie 1 uit de VNG-brochure en niet als milieucategorie 2 zou kwalificeren. Verder voeren zij onder verwijzing naar bijlage 10 zoals opgenomen bij de plantoelichting behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld op 15 december 2009, aan dat door zalenverhuur in te delen in categorie 2 de planwetgever deze activiteit heeft willen kwalificeren als dan wel gelijk willen stellen aan een activiteit in de milieucategorie 2 als bedoeld in de VNG-brochure.
Verder voeren De Caisson B.V. en appellant A aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de situeringskenmerken van de woning. In dat verband wijzen zij erop dat er sprake is van slechts één ontsluitingsroute, zodat iedere bezoeker die de horeca-inrichting verlaat, langs de woning zal moeten rijden en dat de woning en de horeca inrichting in elkaars directe nabijheid zijn gevestigd.
5.1.
Op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan is aan het perceel locatie 2 de bestemming "Horeca" en de functieaanduidingen "horeca tot en met categorie 1" en "specifieke vorm van horeca - 1" toegekend.
Artikel 14.1 van de planregels van het bestemmingsplan luidt:
"De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- a.
ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie 1': uitsluitend horecabedrijven tot en met categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten (bijlage 5);
- b.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1': tevens zalenverhuur tot en met categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten;
[…]"
In de Staat van Horeca-activiteiten die als bijlage 5 bij de planregels is gevoegd wordt onderscheid gemaakt tussen "Categorie I ‘lichte horeca’", "Categorie 2 ‘middelzware horeca’" en "Categorie 3 ‘zware horeca’". Onder de eerste categorie wordt verstaan:
"Bedrijven die in beginsel alleen overdag en ’s avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken."
Onder de tweede categorie wordt verstaan:
"Bedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken: bar, bierhuis, biljartcentrum, café, proeflokaal, shoarma/grillroom, zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen)."
Tot slot wordt onder de derde categorie verstaan:
"Bedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen: dancing, discotheek, nachtclub, partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen)".
5.2.
Het college heeft voor de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat aansluiting gezocht bij de richtafstanden die in de VNG-brochure zijn opgenomen. Gelet op wat er ter plaatse mogelijk is, kan volgens het college aansluiting worden gezocht bij de activiteit "Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congres". Deze activiteit is in de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 m wordt aanbevolen in een rustige woonwijk. Omdat in dit geval volgens het college sprake is van een gemengd gebied, is de aanbevolen richtafstand 0 m. Weliswaar is volgens de planregels ook zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen) mogelijk, maar het mag daarbij volgens het college niet gaan om regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen. Daarbij geldt volgens het college dat gelet op de geldende voorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) geen zodanige (geluids)overlast kan worden verwacht dat het wonen ter plaatse van locatie 1 ruimtelijk niet aanvaardbaar is. Om deze reden zijn de ruimtelijke gevolgen volgens het college aanvaardbaar.
5.3.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat bijlage 10 zoals opgenomen bij de plantoelichting behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied" gebruikt kan worden als richtsnoer bij de uitleg van de Staat van Horeca-activiteiten zoals opgenomen als bijlage 5 bij de planregels van het plan "Buitengebied 2e herziening" waaraan de omgevingsvergunning is getoetst. In bijlage 10 is opgenomen dat voor een indicatie van de mate van hinder veroorzaakt door horeca-activiteiten de basis-zoneringslijst uit de VNG-brochure een goed vertrekpunt biedt. De daar gehanteerde, nogal grove benadering behoeft echter voor een in de praktijk bruikbare Staat van Horeca-activiteiten aanvulling en nadere motivering. In aanvulling op de gegevens uit de VNG-brochure is gebruikgemaakt van de ruimtelijk relevante criteria openingstijden en de mate waarin een bedrijfstype naar verwachting bezoekers en in het bijzonder bezoekers per auto of brommers/scooters aantrekt. Mede op grond van de bovenstaande criteria is de hiervoor weergegeven indeling in de Staat van Horeca-activiteiten gemaakt.
5.4.
De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet aan de hand van de VNG-brochure de ruimtelijke gevolgen inzichtelijk heeft kunnen maken. Dat de basis-zoneringslijst uit de VNG-brochure een goed vertrekpunt heeft geboden voor de indeling in de Staat van Horeca-activiteiten, betekent op zichzelf niet dat het college bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat geen gebruik kan maken van de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit bijlage 10 volgt dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, de Staat van Horeca-activiteiten enige flexibiliteit biedt en in de praktijk is gebleken dat de Staat van Horeca-activiteiten een relatief grof hulpmiddel blijkt te zijn om hinder door horeca-activiteiten in te schatten.
Verder volgt de Afdeling De Caisson B.V. en appellant A niet in hun stelling dat beoogd is om zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen) in te delen in milieucategorie 2 als bedoeld in de VNG-brochure, omdat zalenverhuur in de Staat van Horeca-activiteiten is ingedeeld in "Categorie 2 ‘middelzware horeca’". In de VNG-brochure wordt onder meer een onderscheid gemaakt tussen de activiteit "Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congres" die behoort tot milieucategorie 1 en de activiteit "Discotheken, muziekcafés" die behoort tot milieucategorie 2. Volgens de Staat van Horeca-activiteiten zijn "dancing, discotheek, nachtclub en partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen)" ingedeeld in "Categorie 3 ‘zware horeca’". De activiteit "Discotheken, muziekcafés" die behoort tot milieucategorie 2 past volgens het college daarom niet binnen de planologische mogelijkheden die het plan ter plaatse biedt. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aangesloten kan worden bij de activiteit "Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congres" die als milieucategorie 1 kwalificeert. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de omgeving mogen aanmerken als gemengd gebied. Tussen partijen is dat ook niet in geschil. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de richtafstand als bedoeld in de VNG-brochure 0 m bedraagt. De door De Caisson B.V. en appellant A genoemde situeringskenmerken zijn niet zodanig bijzonder dat in dit geval moet worden geoordeeld dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat verband acht de Afdeling van belang dat het college heeft toegelicht dat ter plaatse lange tijd bewoning plaatsvond en dat nooit is geklaagd over (geluids)overlast. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat het college mocht concluderen dat met de realisatie van de beoogde woonfunctie sprake blijft van een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat.
Het betoog faalt.
6.
De Caisson B.V. en appellant A betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door de huisvesting van vier personen er niets verandert in het geluidniveau van De Caisson B.V. Onder verwijzing naar artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit voeren zij aan dat aan de woning aan de locatie 1 geen bescherming toekomt, omdat deze op 1 januari 2008 nog in gebruik was als dienstwoning en daarmee viel en is blijven vallen onder de in het Activiteitenbesluit geformuleerde uitzondering op de geluidwaarden van artikel 2.17 van dat besluit. Of dit gebruik plaatsvond ten behoeve van de horeca-inrichting of ten behoeve van het tankstation is daarbij niet van belang, omdat het feitelijk gebruik doorslaggevend is bij de vraag of een hindergevoelig object bescherming toekomt. De rechtbank had volgens De Caisson B.V. en appellant A daarom moeten beoordelen of de woning in gebruik was door personen gelieerd aan het complex, waaronder het tankstation. Voor zover wel moet worden uitgegaan van 1 januari 2008 als peildatum, had de rechtbank moeten onderzoeken of de tankstationbediende die de woning tot mei/eind 2018 bewoond heeft, een relatie tot het tankstation had, bijvoorbeeld als toezichthouder, zo stellen De Caisson B.V. en appellant A.
Verder voeren zij aan dat de rechtbank had moeten beoordelen of het college gelet op het belang van een goede ruimtelijke ordening heeft mogen besluiten om, zonder nader onderzoek, een mogelijk (milieu)knelpunt te continueren en wellicht uit te breiden, omdat vergunning verleend is voor de huisvesting van vier personen die niet behoren tot één huishouden.
6.1.
Artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit luidt:
"Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
- a.
de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
[…]"
Artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit luidt:
"Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit artikel 2.17 niet van toepassing op de gevel van onderscheidenlijk in een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting."
6.2.
De Afdeling stelt voorop dat artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit overgangsrecht bevat voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 één van de daar genoemde Besluiten van toepassing was. Voor de toepasselijkheid van dat overgangsrecht is, anders dan De Caisson B.V. en appellant A blijkbaar veronderstellen, niet van belang wat op of voor de datum van 1 januari 2008 de aard van woningen in de omgeving van de inrichting is. De Caisson B.V. en appellant A stellen op zichzelf wel met juistheid dat artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit niet alleen ziet op woningen die een relatie hebben met de inrichting waarom het gaat — in dit geval "De Caisson" —, maar ook op woningen die een relatie hebben met een andere inrichting. Het artikel spreekt immers van "een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.".
De begrippen dienstwoning en bedrijfswoning zijn in het Activiteitenbesluit niet gedefinieerd. In de Nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, blz. 294–295) staat dat met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet is beoogd geluidsbescherming te bieden aan dienst- of bedrijfswoningen die onder het Besluit horeca-inrichtingen geen geluidsbescherming genoten. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2235, is bij de vraag of het gaat om een burgerwoning dan wel een dienst- of bedrijfswoning in dit opzicht niet de planologische status van het object doorslaggevend, maar het feitelijk gebruik dat hiervan wordt gemaakt.
6.3.
De Afdeling stelt vast dat de woning aan de locatie 1 sinds 1993 in ieder geval niet meer wordt gebruikt ten behoeve van de horecavoorziening. Verder stelt de Afdeling vast dat het perceel waarop het complex was gevestigd en waartoe de horecavoorziening, motelkamers, tankstation en bedrijfswoning behoorden, in 2003 kadastraal is gesplitst in de locatie 2 met de horecavoorziening en de motelkamers en de locatie 1 met de bedrijfswoning en het tankstation. Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op wat het college heeft verklaard, voldoende aannemelijk dat de woning aan de locatie 1 gezien het feitelijk gebruik daarvan ten tijde van de in geding zijnde besluiten van het college niet als dienst- of bedrijfswoning kon worden aangemerkt en evenmin als een woning bij een inrichting, daaronder begrepen het tankstation. Het standpunt van De Caisson B.V. en appellant A dat de rechtbank nader had moeten beoordelen of de woning in gebruik was door personen gelieerd aan het complex, waaronder het tankstation, volgt de Afdeling daarom niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de geluidswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit op de woning van toepassing zijn en dat "De Caisson" deze waarden niet mocht overschrijden.
Zoals hiervoor is overwogen is in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- leef- en ondernemersklimaat. Nu wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand, heeft het college geen aanleiding hoeven zien verdere toetsing te verrichten.
Het betoog faalt.
Gedeeltelijke afwijzing handhavingsverzoek
7.
De Caisson B.V. en appellant A betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college heeft kunnen besluiten het verzoek om handhaving af te wijzen voor zover de bewoning plaatsvindt door maximaal vier personen, omdat het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning onjuist is. De door het college verleende omgevingsvergunning voor bewoning door maximaal vier personen van locatie 1 houdt geen stand, zodat daarmee nog steeds sprake is van een overtreding, waartegen het college handhavend had moeten optreden, zo stellen De Caisson B.V. en appellant A.
7.1
Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verleende omgevingsvergunning, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het niet onredelijk is dat het college het verzoek om handhavend op te treden heeft afgewezen voor zover de bewoning plaatsvindt door maximaal vier personen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat nu de door het college verleende omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan standhoudt, geen sprake (meer) is van een overtreding.
Het betoog faalt.
Conclusie
8.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
9.
Het college hoeft ten aanzien van De Caisson B.V. en appellant A geen proceskosten te vergoeden. Ook ten aanzien van P.W.G. Onroerend Goed B.V., die om vergoeding van de proceskosten heeft verzocht, hoeft het college geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Noot
Auteur: R. Stijnen
Inleiding
1.
Dit is weliswaar geen opmerkelijke uitspraak van een enkelvoudige kamer van de Afdeling, maar ik acht het wel van praktisch belang die op te nemen in dit tijdschrift met een noot, omdat deze uitspraak duidelijk maakt dat de vraag naar het wel of niet ambtshalve toetsen door de bestuursrechter of tijdig bezwaar is gemaakt, moet worden onderscheiden van de vraag of wel of niet ambtshalve door de bestuursrechter wordt beoordeeld of verwijtbaar is achterwege gelaten bezwaar te maken. Hier grijpen verschillende leerstukken in elkaar, die ik zal bepreken voor ik aan de opgenomen uitspraak toekom.
De tijdigheid van een rechtsmiddel in een vorige instantie
2.
Naar huidige rechtspraak is de bezwaar- en beroepstermijn van art. 6:7 Awb niet meer van openbare orde en geldt dit dus ook voor de verschoonbare termijnoverschrijding (art. 6:11 Awb). Weliswaar is sprake van dwingend recht, zodat het bestuur en de rechter gehouden zijn om ambtshalve te beoordelen of het rechtsmiddel bij hen tijdig is ingesteld, maar de bestuursrechters toetsen niet langer ambtshalve of in de vorige instantie het bezwaar- of beroep terecht ontvankelijk is geacht (bijvoorbeeld (HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, Gst. 2021/109; ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730, AB 2021/269, m.nt. L.M. Koenraad; CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, Gst. 2021/110, m.nt. R. Stijnen; CBb 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:931, AB 2021/323, m.nt. L.M. Koenraad; Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7065, NJFS 2022/233 en Gemeenschappelijk Hof van Justitie 31 oktober 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:116). Dit betekent ook dat de rechter, gelet op art. 8:69 lid 1 Awb, voorbij moet gaan aan het standpunt van het bestuursorgaan dat die het (te late) bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard (ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3737, ABkort 2023/2 en ABRvS 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:201). Alleen een derde partij die opkomt tegen een besluit op bezwaar mag aanvoeren dat het bestuursorgaan ten onrechte het te late bezwaar van de andere partij inhoudelijk heeft beoordeeld. In hoger beroep mag het bestuursorgaan wel aanvoeren dat de rechter in eerste aanleg ten onrechte het te laat ingestelde beroep ontvankelijk heeft geacht. Ik neem aan dat dit loslaten van de ambtshalve toetsing ook geldt voor de vraag of tijdig een zienswijze is ingebracht tijdens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Art. 6:13 Awb: twee situaties
3.
In art. 6:13 Awb is bepaald dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in art. 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. Deze bepaling ziet op twee situaties. Indien door een belanghebbende helemaal geen zienswijze tijdens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is ingebracht of geen bezwaar is gemaakt (of administratief beroep is ingesteld), kan alleen beroep worden ingesteld indien die belanghebbende van dit nalaten geen verwijt kan worden gemaakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de situatie dat een omwonende geen zienswijze indient tegen de voorgenomen afwijzing van de aanvraag van zijn buurman om een omgevingsvergunning en dat hij vervolgens beroep instelt tegen het besluit om toch een omgevingsvergunning aan de buurman te verlenen (ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1735). Afgeleid hiervan is de onderdelenfuik (of onderdelentrechter). Dit betekent dat wanneer in de zienswijze of het bezwaarschrift een besluitonderdeel niet is aangevochten, het beroep later niet kan worden uitgebreid tot het eerder niet aangevochten besluitonderdeel (bijv. ABRvS 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:289, AB 2021/208, m.nt. T.N. Sanders en CRvB 25 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0694, AB 2007/360, m.nt. A. Tollenaar). Met het arrest Varkens in Nood (HvJ EU 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7, AB 2021/200, m.nt. A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma) zijn beide elementen van art. 6:13 Awb deels op z’n kop gezet. Volgens de Afdeling moet Varkens in Nood tot gevolg hebben dat een belanghebbende in omgevingsrechtelijke zaken niet kan worden tegengeworpen dat hij geen zienswijze heeft ingediend en dat voor anderen dan belanghebbenden wel de eisen van art. 6:13 Awb onverkort gelden. Dit betekent dat in die zaken voor belanghebbenden ook de onderdelenfuik niet geldt, maar wel voor anderen. Anderen dan belanghebbende komen dan met een zienswijze wel aan de voorkant binnen, maar worden er door de rechter weer via art. 8:69a Awb (relativiteit) aan de achterkant uitgegooid. Zie voor het voorgaande ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, AB 2021/201, m.nt. A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma; ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, AB 2021/202, m.nt. A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma en ABRvS 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3020, AB 2022/167, m.nt. H.D. Tolsma en T. van Hooren).
Grondenfuik en goede procesorde
4.
Verder moet de onderdelenfuik worden onderscheiden van de grondenfuik (of grondentrechter). Art. 6:13 Awb ziet niet op het laatste (zie bijv. CBb 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:496, AB 2020/92). Het is veeleer de goede procesorde die bepaalt of een nieuwe grond nog mag worden aangevoerd. Vanouds vond de Afdeling dat in hoger beroep in beginsel geen nieuwe gronden mogen worden aangevoerd. Daarin stond de Afdeling alleen. Een uitzondering maakte de Afdeling in boetezaken. Inmiddels is de Afdeling om uit een oogpunt van rechtseenheid, want de grondenfuik wordt in hoger beroep niet meer toegepast in zaken die niet zien op omgevingsrechtelijke zaken (uitgezonderd planschade en andere nadeelcompensatie) of op vreemdelingenzaken (ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363, AB 2022/102, m.nt. R. Ortlep; ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:362, AB 2022/143; ABRvS 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:693, AB 2022/144, m.nt. A.G.A. Nijmeijer en H.D. Tolsma en ABRvS 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1423, JOM 2022/228). Dat is wel apart, want dat betekent dat in omgevingsrechtelijke zaken voor de belanghebbende geen onderdelenfuik, maar wel een grondenfuik geldt. Dat voelt contra-intuïtief, maar omdat het eerste ziet op de besluitvormingsfase en het tweede op het hoger beroep, is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Overigens kan de goede procesorde met zich brengen dat een vlak voor de zitting aangevoerde grond of onderbouwing daarvan wegens de goede procesorde buiten beschouwing blijft (bijv. CRvB 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2236, ABkort 2022/430). Als er geen grondenfuik geldt, kan dit betekenen dat een grond of onderbouwing die in eerste aanleg wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing is gelaten alsnog (tijdig) in hoger beroep kan worden aangevoerd (bijv. CBb 12 juni 2008, ECLI:NL:CBB:2007:BA7366, JOR 2007/187, m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol). Verder kan een procedurele instemming niet later worden teruggenomen (ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2053, punt 5.1). Ook zal een prijsgegeven stelling niet opnieuw kunnen worden aangevoerd (bijv. CRvB 20 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2587, AB 2021/36, m.nt. R. Ortlep), waarbij voor de belanghebbende een uitzondering geldt in boetezaken (bijv. CBb 26 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ5507, JOR 2013/172, m.nt. V.H. Affourtit).
De casus
5.
De casus is als volgt. Er worden twee afzonderlijke besluiten genomen door het college van burgemeester en wethouders van Kapelle, te weten een handhavingsbesluit en een omgevingsvergunning. Beide besluiten zien op het gebruik van een woning voor het verblijf van maximaal vier arbeidsmigranten (die niet samen één huishouden vormen). De omwonende die het handhavingsbesluit heeft uitgelokt (appellant A) gaat in bezwaar tegen beide besluiten. De Caisson B.V. (de vennootschap) maakt slechts bezwaar tegen de omgevingsvergunning. Het college beslist op alle drie de bezwaren met één besluit op bezwaar waartegen appellant A en de vennootschap beroep instellen. Ambtshalve oordeelt de rechter in eerste aanleg dat het beroep van de vennootschap voor zover dit zich richt tegen de heroverweging van het handhavingsbesluit gelet op art. 8:1 in verbinding met art. 7:1 Awb niet-ontvankelijk is, omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het handhavingsbesluit alvorens beroep in te stellen (ECLI:NL:RBZWB:2021:6082). De vennootschap en appellant A stellen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het beroep van de vennootschap niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarvoor voeren zij twee redenen aan. Ten eerste is door geen van de partijen de ontvankelijkheid van het beroep van de vennootschap aan de orde gesteld (waarmee zij impliceren dat dit niet ambtshalve door de rechter mag worden opgeworpen). Ten tweede hebben zij gesteld dat de jurisprudentie over de tijdigheid van een bezwaarschrift van toepassing moet zijn op deze situatie, omdat het college in één besluit op de bezwaren tegen de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft beslist en aldus voor verwarring heeft gezorgd. Met beide argumenten maakt de Afdeling korte metten. De Afdeling stelt voorop dat de ontvankelijkheid in beginsel een ambtshalve te beoordelen aspect is. De beoordeling hiervan vindt dus plaats ook als geen van de procespartijen de ontvankelijkheid ter discussie heeft gesteld. Dat de rechter niet langer terugkijkt of in de vorige instantie tijdig bezwaar is gemaakt, doet hier niet aan af. Uit die rechtspraak volgt immers niet dat een belanghebbende niet langer door de bestuursrechter wordt tegengeworpen dat geen bezwaar is gemaakt. De Afdeling ziet niet in dat de hiervoor weergegeven lijn naar dit geval moet worden doorgetrokken, want het gegeven dat de vennootschap geen bezwaar heeft gemaakt tegen het handhavingsbesluit is niet ontstaan doordat het college in één besluit op de bezwaren tegen de omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft beslist. Dit laatste zou ook in de sleutel van de verwijtbaarheidstoets van art. 6:13 Awb kunnen worden geplaatst. Deze situatie is dus niet te vergelijken met die waarin het bestuursorgaan het bezwaar (te) ruim opvat en vervolgens niet ambtshalve wordt teruggefloten door de bestuursrechter (zie CRvB 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1846, AB 2022/68, m.nt. R. Stijnen).
Slot
6.
Het komt er op neer dat art. 6:7 en art. 7:11 Awb enerzijds niet van openbare orde zijn, maar art. 6:13 Awb dat waarschijnlijk wel is. Ook los daarvan: als art. 6:13 Awb niet van openbare orde zou zijn, dan is het net als art. 6:7 Awb wel dwingend van aard en moet de rechtbank die bepaling dus toepassen aan zijn eigen poort. Maar goed, in de Varkens in Nood-rechtspraak zien we dat art. 6:13 Awb openbare orde-aspecten in zich herbergt. Zo zal de bestuursrechter bij het ontbreken van een zienswijze in omgevingsrechtelijke zaken ambtshalve nagaan of de degene die beroep heeft ingesteld belanghebbende is, omdat hem dan het ontbreken van een zienswijze niet kan worden tegengeworpen (ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1755). Voorts kunnen besluiten die hangende de procedure worden genomen met zich brengen dat van rechtswege een rechtsmiddel ontstaat van een derde partij (zie bijv. ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3590, AB 2021/129, met noot van mij onder AB 2021/130). Het ligt dan ook temeer in de rede dat de rechter strak de hand houdt aan de strekking van art. 6:13 en art. 8:26 Awb (zie ook ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:174).