Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.4.2
III.7.4.2 Herleving van de afdoeningsbevoegdheid van het Openbaar Ministerie
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS304290:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de rol van de rechter in relatie tot de consensualiteit van de herstelbemiddeling: Hildebrandt 2002 en 2003; Lauwaert 2009, p. 20.
Zie Cleven, Lens en Pemberton 2015, tabel 3.1 en p. 108; in 14% van de zaken (109 van de in totaal 766 geselecteerde zaken) kwam het voorstel voor herstelbemiddeling van de rechter. Zie voorts Verberk 2011, p. 11.
Zie Pelikan 2010, p. 14. Pelikan spreekt voor Oostenrijk van een initiële beslissing van de officier van justitie en van een subsidiaire discretionaire bevoegdheid van de rechter.
Nu is er ook een minder vergaande mogelijkheid, namelijk die van een herleving van de afdoeningsbevoegdheid van het Openbaar Ministerie, zoals wordt gesuggereerd door Cleven e.a.. In dat geval zou een na de dagvaarding succesvol afgerond bemiddelingstraject aanleiding moeten geven om de vervolgingsbeslissing te herzien en het Openbaar Ministerie de bevoegdheid te geven om de zaak alsnog buitengerechtelijk af te doen door middel van een voorwaardelijk sepot. Deze variant doet wellicht meer recht aan het vervolgingsmonopolie, en daarmee aan de verhouding tussen het Openbaar Ministerie en de rechter, en we zouden haar dan ook zeker niet willen uitsluiten.1 Anders dan bij een rechterlijk (voorwaardelijk) sepot heeft de rechter in dat geval echter minder handelingsruimte om een hersteltraject in te zetten en de afloop daarvan te controleren. De praktijk laat zien dat het Openbaar Ministerie in de bulk van de zaken verantwoordelijk is voor het voorstel tot herstelbemiddeling, maar ook de rechter laat zich in dit opzicht niet onbetuigd.2 Dat zou pleiten voor invoering van beide mogelijkheden, met dien verstande dat de bevoegdheid van de rechter een subsidiaire zou zijn, en de herziening van de vervolgingsbeslissing na dagvaarding door het Openbaar Ministerie de koninklijke weg vormt.3
Aandachtspunt bij dit alles is dat er enige regie dient plaats te vinden van de zijde van de rechter, daartoe mogelijk verzocht door het Openbaar Ministerie en/of de verdediging. Vooropgesteld zij dat de rechter niet hoeft te worden betrokken bij een mogelijke voorverkenning ten behoeve van de herstelbemiddeling. Het Openbaar Ministerie en de verdediging kunnen daarover, in overleg met (de advocaat van) het slachtoffer zelf ook communiceren. Echter, als pas op een later moment duidelijk wordt dat er een mogelijkheid zou zijn tot herstelbemiddeling en dat afdoende zou kunnen zijn als sanctiemodaliteit, zou de rechter de ruimte moeten hebben om in het kader van een regiebeslissing een verkenning ter zake te laten verrichten. Dat past in de regie-gedachte die opgeld doet binnen de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Weliswaar heeft de wetgever daar het oog op de voorbereiding van het zittingsproces, maar in samenhang met het voorgestelde rechterlijk voorwaardelijk sepot, ligt hier ruimte om ook in die fase van het strafproces te komen tot meer opportune afdoening. Gedacht kan worden aan de bevoegdheid ex art. 258a lid 2 Sv tot het nemen van een voorzittersbeschikking.