Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.5.3:3.5.3 Onderscheid nodig vanwege uiteenlopende rechtsgevolgen?
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.5.3
3.5.3 Onderscheid nodig vanwege uiteenlopende rechtsgevolgen?
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585121:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 132. Voor deze vorderingen gaat het om het jegensvereiste zoals neergelegd in art. 3:296 BW.
Vgl. Jansen 2015, p. 74 e.v. die schrijft hoe 19e-eeuwse auteurs, en in het bijzonder Diephuis, in hun handboeken over het burgerlijk recht de structuur van de wet, waar zij die ongelukkig achtten, niet meer volgden om tot een overzichtelijker behandeling van de materie te kunnen komen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
179. Het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste zoals in de wet neergelegd zijn van belang voor deels andere rechtsgevolgen. De rechtsgevolgen overlappen elkaar waar het gaat om de regulering van de aanspraak op schadevergoeding in het geval van buitencontractuele aansprakelijkheid. Het relativiteitsvereiste is echter naar algemeen wordt aangenomen ook van belang voor andere vorderingen die op een onrechtmatige daad gebaseerd kunnen worden, onder meer de verklaring voor recht, het verbod en bevel.1 Het toerekeningsvereiste heeft hier op het eerste gezicht geen rol. Het toerekeningsvereiste is – andersom – ook van belang voor de aanspraak op schadevergoeding wegens tekortschieten in de nakoming van een verbintenis en, meer in het algemeen, voor alle wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. Het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in art. 6:162 en 6:163 BW heeft hier naar het schijnt geen rol.
Het relativiteitsvereiste lijkt op het eerste gezicht dus nodig te zijn voor andere vorderingen die op een onrechtmatige daad kunnen worden gegrond; het schadetoerekeningsvereiste lijkt nodig te zijn voor de begrenzing van aansprakelijkheid bij wanprestatie. Deze dogmatische structuur van de wet behoeft er mijns inziens niet aan in de weg te staan om in de doctrine en jurisprudentie op dit stuk slechts één vereiste te hanteren.2 Het onderscheid tussen relativiteit en toerekening is naar mijn mening vooral een kwestie van terminologie. Van regels over de toerekenbaarheid van schade kan men ook zeggen dat diezelfde regels het beschermingsbereik van de geschonden norm bepalen. Andersom kan men zeggen dat regels over het beschermingsbereik van de geschonden norm bepalen welke schade al dan niet toerekenbaar is. Wanneer in de doctrinaire behandeling van de begrenzingsmaterie en in de beoordeling van de grenzen aan aansprakelijkheid in concrete geschillen, één perspectief wordt gekozen om aan de hand van hetgeen met de geschonden norm is beoogd en andere omstandigheden te beoordelen hoever aansprakelijkheid redelijkerwijs dient te reiken, kan men de daarbij gevonden uitkomst vervolgens zowel uitdrukken in termen van de strekking van de geschonden norm als in termen van toerekenbaarheid van schade. Om deze reden is het geen probleem om in de doctrine niet de wettelijke dogmatiek te volgen.