Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.4.4.3
4.4.4.3 Competentieverdeling
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388510:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarnaast hebben de cor en de gor eigen bevoegdheden. Bij wetswijziging in 1998 is een einde gemaakt aan de discussie hierover. Kamerstukken II, 1995-1996, 24615, nr. 3, p. 15. Als voorbeeld van een besluit waarbij geen sprake is van een basisbevoegdheid van een afzonderlijke or noemt het kabinet het (voorgenomen) besluit van de moedervennootschap om duurzaam samen te gaan werken met een ander concern. Voor de discussie hierover in de literatuur verwijs ik o.m. naar: H.J.M.N. Honée, Concernrecht en medezeggenschapsregelingen, Deventer: Kluwer 1981 p. 164-165, M.G. Rood, ‘Over de verhouding WOR-vennootschapsrecht’, TVVS 1993,129.
Het uitgangspunt van WOR 1970 was dat een aangelegenheid voor alle ondernemingen moest gelden Kamerstukken II, 1969-1970,10335, nr. 3, p. 25 in 1979 is dit genuanceerd in die zin dat ook in geval een onderwerp ziet op een meerderheid van de ondernemingen sprake is van een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Kamerstukken II, 1975-1976, 13954, nr. 1-3, p. 52. Zie: Ondernemingskamer 25 juni 1981, NJ 1982, 248.
Zie ook: S.M. Bartman, A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2013, p. 185.
Ondernemingskamer 11 januari 1990, SR 1990-3, p. 92.
Ondernemingskamer 30 augustus 1984, NJ 1984, 475 (AMFAS). Zie ook: President Rechtbank Haarlem 27 april 1981, NJ 1981, 452 (Van Gelder). Zie voor andere voorbeelden van concernbeleid: Ondernemingskamer 25 juni 1981, NJ 1981, 248; Hoge Raad 7 oktober 1998 NJ 1998, 778, JAR 1998/ 251, ROR 2000/4 (NS reizigers).
Ondernemingskamer 3 juli 2003, ARO 2003/123, JAR 2003/207, ROR 2003, 26 (GOR sector gevangeniswezen).
Ondernemingskamer 25 juni 1981, NJ 1982, 248, Ondernemingskamer 10 mei 1990, NJ 1992,126 HSA). Zie ook de noot van Maeijer bij Rechtbank Groningen 24 april 1981, NJ 1982, 249.
Hoge Raad 7 oktober 1998 NJ 1998, 778, JAR 1998/251, ROR 2000/4 (NS reizigers).
S.M. Bartman, A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2013, p. 184.
Hof ’s-Hertogenbosch 30 juni 2006, JAR 2006/186, ROR 2006/24 (Dumeco Weert). Deze kosten moeten dan worden vergoed door de dochtermaatschappij die de ondernemer in de zin van de WOR is.
Wanneer meerdere medezeggenschapsorganen binnen een concern zijn ingesteld, kunnen zich competentievraagstukken voordoen. Art. 35 WOR bepaalt dat aangelegenheden van gemeenschappelijk belang worden afgedaan door de cor of de gor.1 Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat sprake is van een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang indien: (i) sprake is van concernbeleid of (ii) het een onderwerp betreft dat in alle ondernemingen, of in ieder geval een meerderheid daarvan, gelijke afdoening vereist.2 In het eerste geval moet worden gekeken naar de inhoud van het besluit, terwijl in het tweede geval meer wordt gekeken naar wie beslist.3 Zo overwoog de Ondernemingskamer dat een besluit tot extra openstelling van een aantal postkantoren een aangelegenheid betreft die gelijke afdoening vereist.4 Van concernbeleid is bijvoorbeeld sprake indien de sluiting of verkoop van één vestiging onderdeel is van een algehele (concernbrede) reorganisatie.5 Ook wanneer een besluit eerst uitgeprobeerd wordt op een minderheid van de ondernemingen in de groep met de bedoeling het op basis van die ervaringen later op alle ondernemingen toe te passen, is sprake van een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang.6
Indien sprake is van een (voorgenomen) besluit dat een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang betreft, gaan alle bevoegdheden van de afzonderlijke ondernemingsraden over op de cor of gor (art. 35 lid 2 WOR). De bevoegdheid van de cor of gor is namelijk een exclusieve bevoegdheid. Wanneer het gaat om bijvoorbeeld een besluit inzake reorganisatie of fusie met grote personele gevolgen bij één of meerdere ondernemingen, kan een behandeling door de cor of gor onbevredigend zijn. Dit omdat de vertegenwoordigers van de getroffen onderneming(en) in de cor of gor een minderheid vormen. In een dergelijk geval wordt er wel voor gekozen het principebesluit voor te leggen aan de cor of gor en de uitwerking van dit besluit aan de afzonderlijke ondernemingsraden. De vraag is of dit past binnen het systeem van art. 35 WOR. Gesteld kan immers worden dat niet alleen de bevoegdheid tot advisering over het voorgenomen besluit zelf, maar ook het adviesrecht over de uitvoering daarvan over gaat op de cor. Lange tijd heeft de Ondernemingskamer deze strikte benadering gehanteerd.7 Na de beschikking inzake NS Reizigers is echter duidelijk geworden dat Ondernemingskamer en Hoge Raad van oordeel zijn dat het ‘opknippen’ van het besluit in een principe- en een uitvoeringsbesluit niet in strijd is met het systeem van de wet.8 Bartman en Dorresteijn wijzen erop dat de concernondernemer niet verplicht is een (voorgenomen) besluit te splitsen in een principebesluit en een uitvoeringsbesluit, tenzij het principebesluit zodanige ruimte laat dat de uitvoering leidt tot nieuwe adviesplichtige besluiten als bedoeld in art. 25 lid 1 WOR.9 Naar mijn mening doet het opsplitsen in principe- en uitvoeringsbesluit wel het meeste recht aan de medezeggenschap van de werknemers.
Uit jurisprudentie volgt dat de afzonderlijke ondernemingsraden zelfstandig de bevoegdheid beh ouden om deskundigen te raadplegen.10 Juist bij competentievraagstukken kan het nuttig zijn voor de or een deskundige, zoals een advocaat, in te huren.