Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/8.8
8.8 Akkoord buiten insolventie
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441227:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Afdeling 7.1 voorontwerp Insolventiewet.
Vgl. Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-IV, p. 155.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-IV, p. 158.
Art. 7.1.7 lid 2 onder a en op verzoek van de rechter-commissaris ingevolge lid 5 van de voornoemde bepaling voorontwerp Insolventiewet.
Art. 7.1.9 lid 1 en 2 voorontwerp Insolventiewet.
Met uitzondering van art. 153 lid 2 onder 4 Fw.
Art. 7.1.30 voorontwerp Insolventiewet.
Ingevolge art. 255 Fw heeft de rechtbank hierin een keuzevrijheid. In de praktijk wordt door de rechtbank in verband met het voorkomen van extra kosten en het besparen van onnodig werk, steeds gekozen voor meteen vergaderen over een akkoord. Vgl. Verschoof 2008, (T&C Insolventierecht), art. 255 Fw, aant. 2.
Art. 276 Fw.
Vgl. Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-IV, p. 340 en 341.
Art. 157 Fw.
In het voorontwerp Insolventiewet is een regeling opgenomen voor een akkoord buiten insolventie.1 Een akkoord buiten insolventie houdt in dat een door de schuldenaar aangeboden regeling door een gewone meerderheid van zijn schuldeisers dient te worden aanvaard en vervolgens door de rechter moet worden gehomologeerd. Na homologatie is de regeling bindend voor alle bekende schuldeisers, derhalve ook voor degenen die tegen het akkoord hebben gestemd en schuldeisers die niet hebben gestemd, maar daartoe wel zijn opgeroepen. De procedure vertoont sterke gelijkenissen zowel met de regeling van het akkoord die in het voorontwerp Insolventiewet is geregeld binnen insolventie als met de regeling van het akkoord in de huidige Faillissementswet, met dit verschil dat een akkoord buiten insolventie na homologatie slechts bindend is voor de schuldeisers die op de lijst van vorderingen voorkomen.2 Een schuldeiser die niet conform de procedure wordt opgeroepen, raakt niet aan een akkoord gebonden en behoudt derhalve ten volle zijn vordering op de schuldenaar.3 De regeling van het akkoord buiten insolventie verschilt wezenlijk van de regeling van art. 287a Fw, nu het akkoord buiten insolventie verbindend is voor iedere schuldeiser die op de lijst van vorderingen staat. Daarnaast is de totstandkoming van een akkoord buiten insolventie een formele procedure, terwijl bij de regeling van art. 287a Fw sprake is van een overeenkomst die onder bepaalde bijzondere omstandigheden ook voor een niet-instemmende schuldeiser verbindend kan zijn. De regeling in het voorontwerp Insolventiewet van het akkoord buiten insolventie is bedoeld voor zowel natuurlijke als rechtspersonen. Dat neemt niet weg dat met beide regelingen getracht wordt het traject van de informele reorganisatie te bevorderen.4
De regeling van het akkoord buiten insolventie heeft haar neerslag gekregen in titel 7, art. 7.1.1 tot en met art. 7.1.32 van het voorontwerp Insolventiewet. Om de slagingskans zo groot mogelijk te maken, kan een akkoord in stilte worden voorbereid en behoeft het niet te worden gepubliceerd. Daarnaast voorziet de regeling in de mogelijkheid van benoeming van een stille bewindvoerder door de rechtbank.5 Deze heeft onder meer tot taak een onderzoek in te stellen naar het aangeboden akkoord en de betrouwbaarheid van de door de schuldenaar overgelegde lijsten van vorderingen. Het onderzoek van de stille bewindvoerder dient vervolgens uit te monden in een verslag dat ter griffie wordt ingediend en door de griffier aan de schuldenaar en de op de lijst van vorderingen voorkomende schuldeisers wordt toegezonden.6 De procedure rondom de betwisting en erkenning van ingediende vorderingen geschiedt op dezelfde wijze als in surseance/insolventie. Het stemrecht over het akkoord buiten insolventie komt overeen met de procedure betreffende het akkoord in de schuldsaneringsregeling, aangezien ook deze regeling de gebondenheid van zowel concurrente als preferente schuldeisers aan het akkoord kent. Buiten dat zijn de aannemingsvereisten dezelfde als voor een akkoord in faillissement, ook wat betreft de regeling omtrent de vaststelling van een akkoord door de rechter-commissaris. Indien een akkoord wordt aangenomen, dient het te worden gehomologeerd. Art. 7.1.23 voorontwerp Insolventiewet is nagenoeg gelijkluidend aan art. 153 Fw.7 Een eenmaal gehomologeerd akkoord buiten insolventie heeft echter niet dezelfde bindende kracht als een krachtens de Faillissementswet gehomologeerd akkoord of als een op grond van art. 6.2.20 voorontwerp Insolventiewet gehomologeerd akkoord.8 In art. 7.1.24 voorontwerp Insolventiewet staat uitdrukkelijk dat een gehomologeerd akkoord slechts verbindend is voor de erkende en toegelaten schuldeisers die op de lijst van vorderingen staan. Een ander opvallend verschil met een akkoord in faillissement of een akkoord in insolventie is dat een akkoord buiten insolventie nadat de homologatie onherroepelijk is geworden, kan worden aangetast door een beroep op vernietiging van een bij het akkoord betrokken schuldeiser.9
In het voorontwerp Insolventiewet is de voorziening van het aanvragen van de surseance gelijktijdig met het indienen van een akkoord, overgenomen in art. 2.2.3 lid 4 voorontwerp Insolventiewet.10 In de huidige regeling kan het aanbieden van een akkoord bij het verzoek tot surseanceverlening er voor zorgen dat de definitieve surseanceverlening mét alle daarbij horende nadelen, niet wordt uitgesproken. Ingevolge art. 255 Fw kan de rechtbank beslissen dat de behandeling van het verzoek over de definitieve surseanceverlening niet zal plaatsvinden, maar dat daarentegen in een nader vast te stellen vergadering het neergelegde akkoord zal worden besproken.11 Indien een akkoord wordt aangenomen en vervolgens door de rechtbank wordt gehomologeerd, eindigt de voorlopige surseance.12 In de rechtspraktijk blijkt dat het aanbieden van een akkoord tegelijkertijd met de aanvraag van een surseanceverlening een positieve uitwerking heeft. De schuldenaar geeft met de aanvraag aan dat hij zijn problemen onderkent, maar zorgt ook meteen voor een oplossing van zijn financiële problemen. Het huidige art. 255 Fw is gericht op een vlotte procedurele afwikkeling van een akkoord, zodra het is aangeboden. Indien een akkoord door de schuldenaar in samenspraak met zijn financiers en zijn (grote) schuldeisers tegelijkertijd met de surseanceaanvraag wordt aangeboden, kan de periode tussen aanvraag van een voorlopige surseance en beëindiging van de surseance door een akkoord betrekkelijk kort zijn. De nadelen die vastzitten aan een surseance kunnen hierdoor beperkt blijven.
Hoewel het systeem van het aanbieden van een akkoord gelijktijdig met een verzoek tot insolventverklaring parallel loopt aan de regeling van art. 255 Fw, is de uitwerking ervan een andere dan die van art. 255 Fw. In het voorontwerp Insolventiewet is niet de mogelijkheid teruggekeerd om het aangeboden akkoord te behandelen zonder dat de insolventie wordt uitgesproken. Daarvoor in de plaats kan de regeling voor het akkoord buiten insolventie gebruikt worden zonder dat het tot insolventverklaring komt. Ingevolge art. 2.2.6a voorontwerp Insolventiewet kan een beslissing op een insolventieverzoek worden aangehouden, indien een akkoord buiten insolventie wordt aangeboden. Wordt de insolventie toch uitgesproken, dan regelt art. 7.1.6 voorontwerp Insolventiewet dat het aangeboden akkoord buiten insolventie komt te vervallen. De schuldenaar kan dan alleen nog een akkoord binnen insolventie aanbieden. Door het voorontwerp wordt niet geregeld dat een reeds buiten insolventie aangeboden akkoord omgezet kan worden in een akkoord in insolventie.13 Het is jammer dat de mogelijkheid van art. 255 Fw niet terugkeert in het voorontwerp Insolventiewet. Een gehomologeerd akkoord buiten insolventie heeft immers niet dezelfde rechtsgevolgen als een gehomologeerd akkoord in surseance. Het systeem van art. 255 Fw is weliswaar teruggekeerd in art. 2.2.3 lid 4 voorontwerp Insolventiewet, maar niet het algemeen verbindend zijn van een gehomologeerd akkoord in de zin van art. 273 Fw terwijl met beide regelingen in hoge mate hetzelfde wordt nagestreefd. Met de procedure van art. 255 Fw wordt bereikt dat een gehomologeerd akkoord verbindend is voor alle concurrente schuldeisers. Daar is bovendien geen afzonderlijke regeling voor nodig. Een gehomologeerd akkoord buiten insolventie heeft ondanks dezelfde rechterlijke bemoeienissen geen algemene verbindendheid in de zin van art. 273 Fw.14Afdeling 7.1 voorontwerp Insolventiewet bevat daarentegen een afzonderlijke regeling van het akkoord buiten insolventie van maar liefst tweeëndertig artikelen. Het is de vraag of deze afdeling noodzakelijk is en of met het eenvoudig overnemen van de voorziening van art. 214 lid 3 jo. art. 255 Fw niet hetzelfde bereikt had kunnen worden en zelfs meer in verband met de algemene verbindendheid van art. 273 Fw.