Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/8.5
8.5 Hoge Raad
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442386:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 augustus 2005, NJ 2006, 230 en JOR 2005/257 (Groenemeijer/Payroll).
HR 21 mei 1999, NJ 1999, 507 en JOR 1999/213, nt. Soedira.
r.o. 4.6.2.
Het arrest wordt nader besproken door Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6214 e.v.; Harmsen, JOR 2005/257 en Tvl 2006,22, p. 103 e.v.; Houben, Tvl 2006,21, p. 96 e.v.; Spanjaard, Ondernemingsrecht 2005,15, p. 526 e.v. en Soedira, Bb 2005, nr. 22, p. 233 e.v.
Vijf schuldeisers hebben niets van zich laten horen..
r.o. 3.5.2.
r.o. 3.5.3 en 3.5.4.
Zie ook Hof Leeuwarden 13 december 2006, LJN AZ4625 en Hof 's-Hertogenbosch 19 februari 2008, LJN BC6079.
Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 18.
Alvorens in te gaan op het arrest uit 20051 bespreek ik eerst een arrest van de Hoge Raad uit 1999, waarin de vraag werd voorgelegd hoe in het kader van een buitengerechtelijke regeling art. 3:13 lid 2 BW, de wettelijke bepaling inzake misbruik van bevoegdheid, dient te worden toegepast.2 De Hoge Raad laat zich in dit arrest niet uit over de omstandigheden zelf, die tot misbruik van bevoegdheid zouden kunnen leiden, maar beperkt zich tot een antwoord op voornoemde vraag. Het hof heeft zich in hoger beroep echter wel uitgesproken over de vraag of in casu sprake was van bijzondere omstandigheden die kunnen nopen tot het aannemen van misbruik van bevoegdheid, waardoor medewerking van de weigerachtige schuldeiser kon worden afgedwongen. Het hof:
"Spoelstra heeft tot medio 1995 als accountant gewerkt voor Wekking (KWI) en er staat onbestreden vast dat Wekking tot dat tijdstip niet in betalingsmoeilijkheden verkeerde. Er is niet aannemelijk geworden dat Spoelstra betrekkelijk kort nadien heeft moeten beseffen dat de financiële situatie van Wekking zozeer was verslechterd dat haar faillissement dreigde en dat crediteuren alsdan met minder dan met het in het kader van het buitengerechtelijk akkoord aangeboden percentage genoegen zouden moeten nemen. Het feit dat de fiscus en de bedrijfsvereniging met het akkoord instemden behoefde Spoelstra niet te overtuigen. Bij een buitengerechtelijk akkoord als het voorgestelde ontbreken de aan de wettelijke akkoorden verbonden waarborgen.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat Spoelstra zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht."3
In cassatie werd gesteld dat het hof bij de belangenafweging in het kader van art. 3:13 BW was uitgegaan van een verkeerde maatstaf. De schuldenaar (KWI) betoogde dat het hof niet had moeten onderzoeken of de schuldeiser besefte of had behoren te beseffen dat de financiële situatie van de schuldenaar zozeer was verslechterd, maar of objectief gezien een onevenredigheid bestond tussen beider belangen. De Hoge Raad oordeelde dat van misbruik van bevoegdheid eerst sprake was indien degene die de bevoegdheid uitoefent, de onevenredigheid van de beide belangen kent of behoort te kennen. Het arrest brengt echter geen duidelijkheid over hoe zwaar bepaalde omstandigheden kunnen wegen bij de beoordeling van de vraag of aan de zijde van een weigerachtige schuldeiser sprake is van misbruik van bevoegdheid. In 2005 daarentegen wordt door de Hoge Raad op heldere wijze verwoord dat de tot dan toe gehanteerde maatstaven waaronder medewerking aan een buitengerechtelijke regeling kan worden afgedwongen, te soepel zijn en dat een strengere maatstaf dient te worden aangelegd.4 Alvorens in te gaan op de juridische overwegingen, eerst een korte schets van de casus.
Groenemeijer dreef een multimediabedrijf dat op een gegeven moment is gestaakt met achterlating van een aanzienlijke schuldenlast. Groenemeijer heeft geprobeerd zijn schulden te saneren door zijn schuldeisers (66 schuldeisers in totaal, waaronder 4 preferente) een buitengerechtelijke regeling aan te bieden, waarbij Groenemeijer een bepaald percentage van de vorderingen zou voldoen tegen finale kwijting. Ten tijde van de behandeling van het kort geding in eerste aanleg hebben 51 schuldeisers, waaronder de preferente, met de regeling ingestemd. Payroll is een van de 10 concurrente schuldeisers die tegen de buitengerechtelijke regeling heeft gestemd.5 Op grond van de regeling zou Payroll 6,99% van haar vordering voldaan krijgen tegen finale kwijting. De voorzieningenrechter heeft de vordering van Groenemeijer afgewezen, omdat niet is gebleken dat Payroll door haar instemming aan de buitengerechtelijke regeling te onthouden, misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. In hoger beroep stelt Groenemeijer zich op het standpunt dat door de weigering van Payroll in te stemmen met de regeling, schuldeisers die reeds hun instemming hebben verleend zich zouden kunnen terugtrekken en dat schuldeisers die hun instemming niet hebben verleend, een faillissementsaanvraag kunnen doen. Het hof ziet in dezen geen redden het verzoek om Payroll te verplichten medewerking te verlenen aan de buitengerechtelijke regeling, te honoreren.
Voordat de Hoge Raad toekomt aan beantwoording van de vraag of Payroll misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, geeft hij eerst eninge algemene beschouwingen over de essentiële verschillen in wijzen van totstandkoming, rechtsgevolgen en verbindenheid van een buitengerechtelijke regeling ten opzichte van de akkoorden uit de Faillissementswet.
“Ten aanzien van de totstandkoming en de gevolgen van een dergelijk akkoord gelden niet de bijzondere voorwaarden en waarborgen welke de Faillissementswet in geval van faillissement, surseance en de schuldaneringsregeling natuurlijke personen bevat voor het daar telkens geregelde akkoord, welke regeling meebrengt dat aan zo’n akkoord, dat mede met het oog op de belangen van de gezamelijke schuldeisers is onderworpen aan rechterlijk toezicht, verbindende kracht kan toekomen ook jegens een betrokken schuldeiser die daarmee niet instemt. Bij een buitengerechtelijk akkoord als het onderhavige, op de totstandkoming waarvan de gewone regels van het verbintenissenrecht van toepassing zijn, staat het een schuldeiser in beginsel vrij het hem door de schuldenaar aangeboden akkoord – dat inhoudt dat hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op boldoening – te weigeren. Dit kan uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt ( art. 3:13 BW) en de schuldeiser Aldus naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren.”6
De algemene beschouwingen van de Hoge Raad belichten op heldere wijze welke plaats een buitengerechtelijke regeling inneemt in ons recht en welke rechtsgevolgen er dientengevolge aan zijn verbonden. Uitgangspunt in dezen is dat het een schuldeiser vrij staat deelname aan een buitengerechtelijke regeling te weigeren en dat voor een gedwongen toetreding aan een buitengerechtelijke regeling slechts plaats is indien de weigering in redelijkheid niet had mogen plaatsvinden. Welke omstandigheden kunnen een dergelijke weigering onredelijk maken? De Hoge Raad overweegt hierover als volgt:
"De omstandigheid dat een schuldeiser de slechte financiële positie van de schuldenaar of diens dreigende faillissement kent of behoort te kennen, zal in het algemeen niet voldoende zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat die schuldeiser misbruik maakt van zijn bevoegdheid te weigeren met het hem aangeboden buitengerechtelijk akkoord in te stemmen. Tegenover het belang van de schuldeiser bij voldoening van zijn vordering door verhaal op alle goederen van zijn schuldenaar, zal het belang van de schuldenaar dat door de instemming van de in het geding betrokken schuldeiser met het akkoord de mogelijkheid bestaat dat een faillissement, surseance van betaling of schuldsaneringsregeling wordt voorkomen doorgaans niet zwaar genoeg wegen, terwijl in beginsel van de individuele schuldeiser niet behoeft te worden gevergd dat deze het belang laat prevaleren dat de schuldenaar beoogt te behartigen, namelijk dat hij (sneller) van zijn bestaande schuldenlast wordt bevrijd indien alle schuldeisers met het buitengerechtelijk akkoord instemmen. Daarbij moet worden bedacht dat tot de belangen die aan de zijde van de schuldeiser een rol kunnen spelen behoort dat bij een buitengerechtelijk akkoord de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet biedt met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de vermogenspositie van de schuldenaar door de curator of de bewindvoerder en de rechter-commissaris.
Uit het voorgaande volgt dat bij de toewijzing van een vordering tot medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord terughoudendheid geboden is en dat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden plaats kan zijn voor een bevel aan een schuldeiser om aan de uitvoering van een hem aangeboden akkoord mee te werken."7
Uit dit arrest blijkt dat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden een schuldeiser kan worden verplicht zijn medewerking te verlenen aan een buitengerechtelijke regeling en dat terughoudendheid geboden is. Kennis van de slechte financiële situatie of een dreiging van het faillissement van de schuldenaar vallen in beginsel niet onder de zeer bijzondere omstandigheden waarover de Hoge Raad spreekt. Evenmin is de situatie dat de schuldenaar door een buitengerechtelijke regeling sneller van zijn schuldenlast zal zijn verlost, een zeer bijzondere omstandigheid die zou moeten prevaleren boven het belang van de weigerachtige schuldeiser. Welke omstandigheden zouden bij een weigering tot medewerking aan een buitengerechtelijke regeling wel kunnen leiden tot misbruik van bevoegdheid aan de zijde van een schuldeiser? De Hoge Raad heeft hierover nog geen uitspraak gedaan. Wel valt uit het arrest af te leiden dat het moet gaan om zeer bijzondere omstandigheden die door de schuldenaar gesteld moeten zijn en door hem aannemelijk moeten zijn gemaakt. Waarom legt de Hoge Raad de lat zo hoog voor het kunnen aannemen van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van de weigerachtige schuldeiser? Op de eerste plaats omdat een buitengerechtelijke regeling wordt beheerst door de gewone regels van het algemene verbintenissenrecht en een gedwongen toetreding tot een overeenkomst in ons recht weliswaar niet is uitgesloten, maar wel zeer uitzonderlijk is. Terughoudendheid hierin is dus geboden en alleen op grond van zeer bijzonder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Daarnaast ontbeert een buitengerechtelijke regeling het onafhankelijke toezicht en de waarborgen die wel aanwezig zijn bij de wettelijke akkoorden, waardoor deze laatste 'dwangakkoorden' kunnen en mogen zijn. Opgemerkt dient hier nog te worden dat de Hoge Raad zich in zijn arrest niet heeft laten leiden door het toen net door de wetgever voorgestelde art. 287a Fw.8 Evenmin heeft de wetgever zich daarna iets aangetrokken van het onderhavige arrest van de Hoge Raad. Uit het thans ingevoerde art. 287a Fw blijkt immers dat de wetgever zich heeft laten inspireren door criteria die de lagere rechtspraak ten aanzien van deze problematiek heeft geformuleerd en niet door de strenge maatstaven die de Hoge Raad heeft aangelegd in zijn arrest uit 2005.9