Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.6
5.6 Onwaardigheid onder het oude erfrecht
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859053:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij de wet van 10 december 2012 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Strafwetboek en het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de onwaardigheid om te erven, de herroeping van giften, het verval van huwelijksvoordelen en de plaatsvervulling. De wet is in werking getreden op 21 januari 2013, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 15.
Parl.St. Senaat 2010/11, nr. 5-550/1, p. 2. Zie over de wetswijziging in 2003 nader Vanwinckelen, Not.Fisc.M. 2003, 8, p. 218-231.
Barbaix 2018, p. 426, Coene, Not.Fisc.M. 1997, afl. 5, p. 137-149, Puelinckx-Coene 1996, p. 83-84, Puelinckx-Coene 2011, p. 78, Vanwinckelen, Not.Fisc.M. 2003, 8, p. 218 en 223-231 en Parl.St. Senaat 2010/11, nr. 5-550/1, p. 2.
Hof van Beroep Antwerpen 8 mei 2000, RW 2000-2001/nr. 34, p. 1280.
Coene, Not.Fisc.M 1997, afl. 5, p. 138 en de daar genoemde literatuurverwijzingen. Vgl. ook Parl.St. Senaat 2010/11, nr. 5-550/1, p. 2.
Parl.St. Senaat 2010/11, nr. 5-550/1, p. 11 en Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 15. Naast algemene onwaardigheidsgronden zijn er ook bijzondere onwaardigheidsgronden gekoppeld aan de ontzetting uit het ouderlijk gezag. De bijzondere gronden van onwaardigheid zijn ongewijzigd gebleven. De bijzondere gronden blijven buiten beschouwing. Zie hierover nader Barbaix 2018, p. 437 e.v. en Casman 2013, p. 30-34.
In de navolgende paragrafen wordt enkel het huidige recht besproken waarbij soms een korte opmerking wordt gemaakt over de onwaardigheidsregeling voor 2012. Een uitgebreide bespreking van de onwaardigheidsregeling voor 2012 valt buiten het bestek van dit onderzoek.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 10 en Coene, Not.Fisc.M., 1997, p. 139.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 10.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 10.
Parl.St. Kamer 2019/20, nr. 55-1272/001, p. 64-65.
De Belgische wetgeving met betrekking tot onwaardigheid is in de periode van 1804 tot de grondige herziening in 20121 vrijwel ongewijzigd gebleven. Enkel in 2003 is een kleine aanpassing doorgevoerd vanwege de afschaffing van de doodstraf.2 Voorafgaand aan de hervorming in 2012 is in zowel de rechtspraak als in de literatuur jarenlang gepleit voor aanpassing en actualisering van de regeling van onwaardigheid.3 Zo overweegt het Hof van Beroep te Antwerpen op 8 mei 2000 dat ‘de gevallen van onwaardigheidsverklaring limitatief geïnterpreteerd dienen te worden, en dat het mogelijk wenselijk ware dat de wetgever hier actualiseerde in geval van gedragingen en feiten die, zoals in casu, niet alleen uiterst laakbaar, maar uiterst verwerpelijk en mensonterend zijn’.4 De noodzaak tot wijziging heeft zich des te meer opgedrongen, omdat het geweld binnen de familie toeneemt, wat zich vertaalt in een toename van gevallen in de rechtspraak waar onwaardigheid aan de orde komt.5
De modernisering van het Belgische erfrecht in 2012 is gebaseerd op drie doelstellingen: 1) actualisering van de gronden van onwaardigheid door uitbreiding daarvan, 2) uitbreiding van de gevolgen van onwaardigheid in overige domeinen van het personen- en familierecht en 3) derdenbescherming in geval van onwaardigheid.6 Al deze onderdelen komen in de volgende paragrafen aan de orde.7
Twee gronden zijn bij de modernisering in 2012 niet teruggekeerd. Ten eerste de lasterlijk geoordeelde beschuldiging van een feit waarop levenslange opsluiting of levenslange hechtenis is gesteld (oude art. 727, 2° Oud BBW). Oorspronkelijk, voor de afschaffing van de doodstraf, ging het bij deze grond om het sanctioneren van de dader die door een lasterlijke beschuldiging van een feit waarop de doodstraf stond, op slinkse wijze vroegtijdig de nalatenschap in handen wilde krijgen.8 Volgens de Belgische wetgever betreft dit niet langer een gepaste grond tot onwaardigheid. Er zijn andere feiten dan een dergelijke lasterlijke beschuldiging die ten aanzien van de erflater veel erger zijn en beter door de sanctie van onwaardigheid zouden worden getroffen, aldus de wetgever.9 Coene merkt op dat een lasterlijk geoordeelde aangifte van een feit waarop een zware gevangenisstraf staat mogelijk ook al een vrij onheuse gedraging is en verwijst daarbij naar het (huidige) Nederlandse artikel 4:3 lid 1 sub c BW.10 In mijn optiek sluit de uitbreiding met ergere feiten niet uit dat de lasterlijke beschuldiging gehandhaafd blijft. Niettemin heeft de Belgische wetgever ervoor gekozen de lasterlijke beschuldiging als grond te elimineren en niet te laten voortbestaan naast andere feiten die volgens de wetgever dus erger zijn.
De tweede grond die niet is gehandhaafd, betreft de meerderjarige erfgenaam die kennis draagt van de op de overledene gepleegde doodslag en daarvan bij het gerecht geen aangifte heeft gedaan (oude art. 727, 3° Oud BBW). Van deze onwaardigheidsgrond is gezegd dat het eerder gericht bleek te zijn op het in stand houden van een soort private vendetta-leer of familiale wraakplicht en is om die reden opgeheven.11
In 2022 is de regeling terminologisch op onderdelen gewijzigd vanwege de coherentie met de overige bepalingen uit Boek 4 BBW. Inhoudelijk hebben de bepalingen geen wijzigingen ondergaan.12 Sinds deze laatste wijziging zijn de onwaardigheidsbepalingen terug te vinden in de artikelen 4.6 tot en met 4.9 BBW.