Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.1.2.1
13.4.1.2.1 Gefaciliteerde certificering
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232829:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139, StaatscourantStaatscourant nr. 15751, punt 4.4.
Zie Helder en Van den Belt, VFP 2001, pagina 6. Het betreft hier overigens het besluit van 14 november 2000, nr. CPP2000/1943M, maar de hierin gestelde voorwaarden zijn gelijk aan die van het besluit van 9 maart 2018.
Nog los van het antwoord op de vraag of dat daadwerkelijk nodig is, zie paragraaf 13.4.1.2.2 hierna.
Hiermee wordt uiteraard ook een afwijking van één of meer andere voorwaarden mogelijk.
Naar de mening van de staatssecretaris kunnen certificaten vereenzelvigd worden met de gecertificeerde aandelen, indien uit de statuten en in voorkomend geval de administratievoorwaarden blijkt dat aan de volgende voorwaarden voldaan is:1
Voor ieder ingeleverd aandeel wordt ofwel één certificaat uitgereikt, ofwel een aantal certificaten met een gelijk totaal nominaal bedrag als het ingeleverde aandeel.
De STAK kan de aandelen niet vervreemden of verpanden; vervreemden is eventueel wel toegestaan, als de opbrengst onmiddellijk wordt uitgekeerd aan de certificaathouders, tegen inlevering van de certificaten.
De STAK heeft een onmiddellijke doorstootplicht; de dividenden en andere uitkeringen op de aandelen die zij ontvangt moeten onmiddellijk aan de certificaathouders ter beschikking worden gesteld.
Als er op de gecertificeerde aandelen bonusaandelen of stockdividenden worden uitgekeerd, dient de STAK dienovereenkomstig certificaten te verstrekken.
Indien bij de uitgifte van nieuwe aandelen door de vennootschap voorkeursrechten aan de aandeelhouders worden toegekend, moet de STAK de certificaathouders in de gelegenheid stellen om dienovereenkomstig een voorkeursrecht op certificaten uit te oefenen. De STAK moet vervolgens van haar voorkeursrechten als aandeelhouder in dezelfde mate gebruik maken als de certificaathouders hun voorkeursrecht willen uitoefenen;
Indien de STAK liquidatie-uitkeringen op de aandelen ontvangt, dienen deze onmiddellijk aan de certificaathouders te worden overgedragen, tegen inlevering van de certificaten.
De vervreemdingsbevoegdheid ten aanzien van de certificaten mag niet kleiner zijn dan de vervreemdingsbevoegdheid van de gecertificeerde aandelen.
De certificaten kunnen alleen tegen afgifte van de aandelen worden ingetrokken of ingeleverd.
De statuten, administratievoorwaarden of andere overeenkomsten mogen geen bepalingen bevatten die de vereenzelviging van de certificaten met de gecertificeerde aandelen zouden verhinderen. De voorwaarden voor vereenzelviging zijn van zodanig aard dat het voldoen hieraan vanzelf met zich brengt dat de certificaathouder het volledige economische belang bij de gecertificeerde aandelen heeft en daarmee de economisch eigenaar van deze aandelen is. De omgekeerde situatie, economische eigendom zonder dat aan alle voorwaarden voldaan is, kan zich echter wel voordoen.
Indien aan de voornoemde voorwaarden wordt voldaan en er sprake is van een gefaciliteerde certificering, is naar de mening van de staatssecretaris geen sprake van een vervreemding van het aanmerkelijk belang. De oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de certificaten wordt dan gesteld op de verkrijgingsprijs van de gecertificeerde aandelen. Deze interpretatie impliceert dat de staatssecretaris bovendien van mening is, dat wél sprake is van een vervreemding, indien niet aan de voorwaarden voor vereenzelviging van certificaten en aandelen voldaan is.
Helder en Van den Belt hebben in dit verband gesuggereerd dat het verstandig is om een clausule in de administratievoorwaarden op te nemen, die bepaalt dat de administratievoorwaarden niet van kracht zijn indien en voor zover deze in strijd mochten komen met de voorwaarden van het besluit.2 Het lijkt mij overigens de vraag in hoeverre een dergelijke clausule steeds het gewenste effect zou bewerkstelligen: beperkende voorwaarden, zoals een strengere blokkeringsregeling ter zake van de certificaten dan ter zake van de aandelen, zouden hiermee verruimd kunnen worden, maar het opleggen van aanvullende verplichtingen, zoals een ontbrekende doorstootverplichting, lijkt mij daarmee niet gerepareerd. Ook kan men zich afvragen in hoeverre het bij certificering als beschermingsfiguur bezwaarlijk is om aan de voorwaarden te voldoen.3 De voorwaarden die naar mijn mening als het meest bezwaarlijk gezien kunnen worden zijn allereerst de doorstootverplichting en daarnaast mogelijk de voorwaarde inzake de vervreemdingsbevoegdheid van de certificaten. Het eerste is evenwel vermoedelijk niet daadwerkelijk problematisch in geval van een holdingstructuur, aangezien winsten dan op het niveau onder de STAK aangehouden kunnen worden. Het tweede is te ondervangen door ook een strikte blokkeringsregeling op te nemen, of bijvoorbeeld de bij de certificering gewenste kwaliteitseisen, in de statuten van de vennootschap. Indien deze aandeelhouders heeft die niet bij de certificering betrokken zijn, kan een houdstermaatschappij voor de te certificeren aandelen wellicht uitkomst bieden.4, 5