Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.3.4
8.4.3.4 Het bepaaldheidsvereiste als middel om generale zekerheid te verhinderen
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS414680:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Scholten in zijn noot bij HR 29 december 1933 NJ 1934/346 (Fijn van Draat/ Credietmij De Nederlanden). Houwing 1940, p. 85. Wiarda 1940, p. 84.
In zijn noot bij HR 29 december 1933 NJ 1934/346 (Fijn van Draat/Credietmij De Nederlanden).
Zie: §8.3.7.
Wiarda 1940, p. 83.
Houwing 1940, p. 85.
Houwing 1940, p. 91.
Suijling 1936, p. 167.
HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat in het geval van een dubbele levering constituto possessorio degene aan wie het eerste constituto possessorio was geleverd, eigendom van de zaak verkreeg.
HR 13 maart 1959, NJ 1959/579 (Van Vliet q.q./AB) m.nt. L.E.H. Rutten.
Uniken Venema 1958, p. 171 en 181.
Verpaalen 1964, p. 39.
Snijders 1970, p. 35 noot 2.
Het standpunt dat generale zekerheid op vorderingen onwenselijk was, leefde ook voort. Zie: Köster 1964, p. 82.
Tegenstanders van het Fijn van Draat-arrest waren van mening dat een vervreemder toekomstige vorderingen bij voorbaat kon leveren, mits de vorderingen bepaalbaar waren. In het algemeen was een vordering bepaalbaar als de akte haar schuldeiser, schuldenaar en oorzaak vermeldde.1 Scholten achtte een levering bij voorbaat van alle bestaande en toekomstige vorderingen uit welke hoofde dan ook niet mogelijk. Volgens hem stuitte deze mogelijkheid af op het bepaaldheidsvereiste; hij achtte de levering nietig wegens te grote onbepaaldheid.2
Net zoals bij de discussie over generale zekerheid op roerende zaken meen ik dat het bepaaldheidsvereiste niet in de weg stond en staat aan een generale cessie of de vestiging van een generaal pandrecht.3 Het voorwerp van de levering of vestiging wordt niet alleen bepaald door de bewoordingen van de overeenkomst, maar door alle omstandigheden van het geval. Voor zover de levering slechts voor partijen kenbaar was zoals in het geval van een stille cessie, moesten partijen zelf kunnen vaststellen welke vorderingen waren overgedragen of bezwaard. Indien hierover discussie bestond, moest in laatste instantie de rechter de vaststelling kunnen maken.
Een meerderheid van de literatuur meende dat niet het bepaaldheidsvereiste een generale cessie verhinderde, maar de wenselijkheid. Zo beschouwde Wiarda de generale cessie in beginsel als onzedelijk en dus ongeoorloofd.4 Houwing stelde voorop dat een cessie van alle toekomstige vorderingen voldoende bepaalbaar was, maar dat dit niet altijd genoeg was. Hij schreef dat de levering ‘het willen loslaten en het willen aanvaarden van een zaak’ was en dat daarvoor was vereist dat partijen zich bewust waren van de identiteit van hetgeen de vervreemder leverde. Daarvoor was volgens Houwing vereist dat de vorderingen niet bepaalbaar waren, maar op basis van de akte moest kunnen worden vastgesteld welke vorderingen waren bedoeld.5 Bovendien vond Houwing generale cessie onwenselijk, omdat de schuldeiser dan zekerheid zou krijgen op goederen die niet als grondslag voor de kredietverstrekking hadden gediend.6 De zekerheidsnemer wist met andere woorden niet op basis van welke vorderingen hij krediet verstrekte. Suijling was van mening dat de zekerheidsgever niet het slachtoffer mocht worden van een te lage waardering van zijn toekomstige goederen. Hij was bang dat de zekerheidsgever zijn toekomstige vorderingen cedeerde, zonder daarvoor in de plaats onder gunstigere voorwaarden of meer krediet te krijgen.7
Na het Sio-arrest8 en het Van Vliet-arrest9 waarin de Hoge Raad generale zekerheid op roerende zaken heeft gesanctioneerd, verdween de opvatting in de literatuur dat het bepaaldheidsvereiste een generaal zekerheidsrecht op vorderingen verhinderde. Onder anderen Uniken Venema10, Verpaalen11 en Snijders12 verdedigden bovendien de wenselijkheid van een generaal zekerheidsrecht op vorderingen.13