Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.8.2.2:3.8.2.2 Gebrek BC
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.8.2.2
3.8.2.2 Gebrek BC
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS499939:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer de schuld BC niet bestaat, kan A van C terugvorderen. Dit wordt in de moderne literatuur op verschillende manieren gemotiveerd. Auteurs die vanuit het Leistungsbegrip redeneren, betogen dat A jegens C de bedoeling heeft gehad om de schuld BC na te komen. Deze bedoeling is niet verwezenlijkt, zodat A van C kan terugvorderen.1 Tegen deze opvatting kan worden ingebracht dat uit het Leistungsbegrip niet eenduidig volgt dat A jegens C een bedoeling heeft nagestreefd. Dit blijkt uit het feit dat in de oudere literatuur wel is verdedigd dat A jegens B de bedoeling heeft gehad om BC na te komen.2
Sommige auteurs menen daarom dat slechts bepalend is dat B geen handelingen verricht heeft op grond waarvan de prestatie van A aan hem kan worden toegerekend.3 Niet B kan daarom van C terugvorderen, maar A. Zo wordt voorkomen dat B van C dient terug te vorderen om vervolgens hetgeen hij van C heeft verkregen af te staan aan A (A zou dan een Kondiktion der Kondiktion hebben). In een dergelijke benadering zou A niet alleen het risico lopen dat C failliet is of verweren kan voeren tegen de vordering van B, maar ook dat B failliet is of verweren kan voeren tegen de vordering van A.
C dient soms echter niet alleen aan A terug te betalen, maar ook de gebrekkige rechtsverhouding met B af te wikkelen. Hij kan bijvoorbeeld een vordering hebben op B tot terugbetaling van zijn eigen prestatie. Daarbij kan C verweren hebben uit de rechtsverhouding met B, zoals een opschortingsrecht omdat hij niet terug hoeft te betalen zolang B dat ook niet doet (‘gelijk oversteken’). Dat C aan A moet teruggeven en van een ander, te weten B, kan terugvorderen, is echter niet problematisch. C wordt voldoende beschermd door een ruime of analogische toepassing van §818 lid 3, op grond waarvan hij niet hoeft terug te betalen als hij de ontvangen prestatie niet waardeert op haar marktwaarde. Daarom kan hij zich ook tegenover A beroepen op verweren die hij anders tegen B had kunnen inroepen.