Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.4.1:4.6.4.1 Betekenis van het devaluatieverweer
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.4.1
4.6.4.1 Betekenis van het devaluatieverweer
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498829:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 6:212 bepaalt dat de verarmde slechts afdracht van een verrijking kan vorderen ‘voor zover dit redelijk is’. Volgens de parlementaire geschiedenis gaat het bij de vraag of een verplichting tot afdracht redelijk is om een andere vraag dan of de verrijking ongerechtvaardigd is.1 Deze opvatting acht ik juist. Of een verrijking bestaat, of de verrijking ongerechtvaardigd is en hoe groot de verrijking is, zijn vragen waar een objectief antwoord op kan worden gegeven dat onafhankelijk is van de persoon van de verrijkte (dan wel de persoon van de verarmde).
In de hier verdedigde beperking van artikel 6:212 tot inbreuken op exclusieve rechtsposities komen deze vragen op het volgende neer: (i) is inbreuk gemaakt op een exclusieve rechtspositie?; (ii) is daarvoor toestemming gegeven door middel van een rechtshandeling of beschermt de wet de verrijkte anderszins?; en (iii) wat is de normale gebruiksvergoeding die op de markt in rekening wordt gebracht voor het gebruik van (de inbreuk op) de rechtspositie? De antwoorden op deze vragen zijn systematisch en feitelijk vast te stellen. Zij zijn niet in sterkere mate verweven met de redelijkheid dan vragen en criteria uit andere leerstukken. Dit betekent volgens mij dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet ontstaat omdat dit redelijk zou zijn. Anders gezegd, de woorden ‘voor zover dit redelijk is’ vormen niet de grondslag van de vordering.2
Wat is dan wel de betekenis van de woorden ‘voor zover dit redelijk is’? Bedacht moet worden dat de vraag hoe groot een ongerechtvaardigde verrijking is, niets zegt over hoe de verrijkte zélf de inbreuk op het vermogensrecht waardeert. De persoonlijke beleving door een verrijkte van diens verrijking kan immers veel minder zijn dan de marktwaarde van de inbreuk. De verrijkte is niet altijd debet aan dit verschil in waardering. Stel bijvoorbeeld dat aannemer B op grond van een overeenkomst met C een huis bouwt op een perceel grond van C. In strijd met de overeenkomst gebruikt B onbevoegd en zonder medeweten van C materialen die gestolen zijn van A. C had bedongen dat andere, goedkopere materialen zouden worden gebruikt. De natrekking van de materialen door de grond van C vormt een inbreuk op een exclusieve rechtspositie van A. Voor deze inbreuk bestaat geen rechtvaardiging. C is daarom ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van A. Als C verplicht zou zijn om de marktwaarde van de zaken te vergoeden, zou hem echter een uitgave worden opgedrongen.
Het voorbeeld maakt duidelijk dat de verrijkte soms moet worden beschermd tegen een te omvangrijke verplichting tot afdracht van objectief genoten voordeel. In de parlementaire geschiedenis wordt dan ook terecht opgemerkt dat het vereiste dat de afdrachtverplichting redelijk is, dient te voorkomen dat een verrijkte een zeker bestedingspatroon wordt opgedrongen.
Volgens de Duitse auteurs vormt het argument van de verrijkte dat hij de verrijking niet subjectief waardeert een verweer.3 De verrijkte moet een uitdrukkelijk beroep doen op dit verweer, dat aan de orde kan komen nadat vaststaat dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking. Ook in het Engelse recht lijkt de stelling van de verrijkte dat hij de verrijking niet waardeert een verweer te zijn.4 De Engelse auteurs spreken in dit verband van ‘devaluatie’. Mijns inziens gaat het inderdaad om een verweer. Het gaat immers om de persoonlijke beleving van de verrijkte. Hij moet daarom zelf gemotiveerd stellen dat hij de verrijking niet waardeert op haar marktwaarde. Ik meen dat op hem ook de bewijslast rust van feiten waarop hij zich beroept. In navolging van de Engelse auteurs noem ik het argument van de verrijkte dat hij de verrijking niet waardeert het ‘devaluatieverweer’.
Ergo: als startpunt bij de vaststelling van de omvang van de verplichting tot afdracht van een verrijking moet daarom een marktconforme gebruiksvergoeding worden genomen. Pas daarna komt de stelling van de verrijkingsschuldenaar aan de orde dat deze de inbreuk niet subjectief waardeert op de marktconforme vergoeding.
Ook de Hoge Raad lijkt de woorden ‘voor zover dit redelijk is’ als een verweer op te vatten. In de casus van het Groene Specht-arrest5 verbetert A het huis van haar zus B zonder dat voor deze prestatie een rechtsgrond bestaat. A kan daarom van B de waarde van haar prestaties terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling, maar zij doet dit niet. Vervolgens verkoopt B het huis aan haar zoon C voor een prijs die onder de marktwaarde ligt. C wordt daardoor verrijkt. A vordert daarom op grond van artikel 6:212 afdracht van de verrijking van C. C voert onder meer aan dat hij de verbeteringen van het huis door A niet waardeert omdat hij van plan was het huis af te breken. De Hoge Raad wijst de vordering van A af, omdat onvoldoende verband bestaat tussen de verrijking van C en de verarming van A en de verrijking ook niet ongerechtvaardigd is.6 ierbij is van belang dat de Hoge Raad in een overweging ten overvloede een opmerking maakt over de subjectieve waardering van een genoten verrijking. Hij overweegt dat zelfs al zou C verplicht zijn geweest tot afdracht van zijn verrijking, hij slechts de verrijking zou dienen af te dragen voor zover hij zelf werkelijk is gebaat. Het redeneerschema van de Hoge Raad is dus dat eerst moet vaststaan of een verrijking ten koste van de schuldeiser ongerechtvaardigd is. Daarna kan de stelling van de verrijkte aan de orde komen dat de schuldenaar de verrijking – die ongerechtvaardigd is – niet waardeert.