Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.7
6.7 Bestedingscriterium of anti-oppoteis
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633582:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 12; Kamerstukken I 2011/12, 33003, nr. D, p. 34.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 12.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 12.
Kamerstukken I 2011/12, 33003, nr. G, p. 13; Rapport Commissie Van Vijfeijken 2007, p. 85.
Toelichting bij Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001, Stcrt. 2000, 250, gewijzigd bij ministeriële regeling 1 februari 2007, Stcrt. 2007, 28, in pdf-versie, p. 7, eerste kolom.
Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 12.
Hof Amsterdam 10 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4620, r.o. 5.12-5.15.
Van Kooten 2017, p. 470, 471.
Een instelling mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden voor de doelstelling van de instelling (art. 1a, lid 1, onderdeel d jo. art. 1b, lid 1 Uitv.reg. AWR 1994). Dit bestedingscriterium of anti-oppotvereiste moet ervoor zorgen dat de anbi het voor het algemeen belang bestemde vermogen binnen een redelijk tijdsbestek besteedt conform haar doelstelling en niet onnodig vermogen oppot.1 Vermogen in deze context omvat volgens de toelichting alle vermogensbestanddelen die de instelling heeft om ten behoeve van de doelstelling van de instelling te besteden.2 Het bestedingscriterium heeft niet als eis dat instelling de inkomsten in het jaar van ontvangst aanwendt.
De term ‘voorziene werkzaamheden’ houdt enerzijds in dat instellingen vermogensvorming moeten motiveren aan de hand van concrete voorgenomen activiteiten en anderzijds dat vermogensvorming voor toekomstige werkzaamheden alleen mogelijk is als er sprake is van voorziene werkzaamheden binnen een redelijk tijdsbestek.3 Bij de toepassing van deze vermogenstoets staat redelijkheid centraal. De wetgever heeft bewust gekozen voor de open norm ‘redelijkerwijs nodig’ omdat die ruimte biedt voor maatwerk en voor toetsing.4 Deze open norm heeft de kritiek5 ontlokt dat die misbruikgevoelig is en een bron van discussie kan vormen tussen de instelling en de Belastingdienst. De staatssecretaris is er echter van overtuigd dat de praktijk prima uit de voeten kan met de open norm.6
Bepaalde vermogensbestanddelen acht de regelgever noodzakelijk voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden zodat ze niet onder de anti-oppoteis vallen. De vermogenstoets is bijvoorbeeld niet van toepassing op vermogensbestanddelen voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van die instelling (art. 1b, lid 2, onderdeel b Uitv.reg. AWR 1994). Zo mag een religieuze instelling volgens de minister een gebedshuis (zoals een kerk, moskee, tempel of synagoge) aanhouden, omdat het een vermogensbestanddeel betreft waarvan de instandhouding voortvloeit uit de doelstelling van de instelling, namelijk de instandhouding van gebouwen voor de eredienst.7
De instelling vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden en een motivering voor de omvang van dat vermogen aan de hand van concreet voorgenomen activiteiten of investeringen. Een instelling mag geen vermogen aanhouden zonder daar vooraf een bepaalde bestemming (concrete voorgenomen activiteiten of investeringen) aan te geven, door dit in haar beleidsplan (zie hierna) of het jaarverslag vast te leggen.8 De staatssecretaris beklemtoont daarom de samenhang tussen de anti-oppoteis, het beleidsplan en de boekhouding.9 Uit deze stukken kan blijken wat de omvang van het vermogen van de instelling is en welke uitgaven de instelling verwacht te gaan doen in de toekomst. Zo verloor een religieuze stichting haar anbi-status omdat haar overige reserves in de loop der jaren toegenomen waren en zij onvoldoende concreet activiteiten had benoemd waarvoor zij het vermogen had aangehouden. Hof Amsterdam oordeelde na verwijzing dat in de toelichting op de jaarrekeningen van deze stichting ondubbelzinnig was aangegeven dat het een reserve betrof zonder enig geoormerkt doeleinde en verder een financiële onderbouwing, bijvoorbeeld in een beleidsplan, ontbrak.10 Ook van belang was dat een relatief groot deel van het resultaat bestemd was voor de overige reserves en gelden verschoven werden tussen de reserves.
Van Kooten vreest dat de Belastingdienst bij het toetsen van dit criterium op de stoel van de kerkelijke bestuurders gaat zitten en dit een overheidsbemoeienis met kerkgenootschappen gaat opleveren die schuurt met het verbod op institutionele zeggenschap van de staat binnen een kerkgenootschap.11 Zo kan de Belastingdienst van oordeel zijn dat de wijze van beheer van het kerkelijk vermogen niet de redelijkheidstoets doorstaat. Een voorbeeld ter illustratie: een kerkgenootschap moet bewijzen dat de ondernomen activiteiten samenhangen met het doel van het kerkgenootschap en ook in redelijke verhouding daartoe staan. De Belastingdienst kan van mening zijn dat een bepaalde activiteit (zoals een kostbare evangelisatieactie met weinig resultaat) niet de redelijkheidstoets doorstaat, terwijl het kerkgenootschap de theologische argumenten zwaarder laat wegen dan de financiële aspecten. Ik wil hier echter bij aantekenen dat de rechter daar uiteindelijk over beslist. Hierbij moet de rechter zich naar mijn mening laten leiden door het eerder besproken beginsel van de interpretatieve terughoudendheid en waar mogelijk ruimte geven aan de subjectieve kwalificatie die de instelling aan de activiteit toekent.
6.7.1 Toetsing bestedingscriterium