Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/7.1.1
7.1.1 Het rechtmatig belang
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS451574:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een kort algemeen overzicht M.E.L. Klein, De verplichting tot het overleggen van bescheiden in het familie- en erfrecht, EB Tijdschrift voor scheidingsrecht 2009, p. 68-71.
Voor de zekerheid herhaal ik dat ik het begrip 'fishing expedition' zoveel mogelijk vervang door `vissen'. Over dit visverbod onder andere W.A. Hoyng, Vier procesrechtelijke wensen, In het nu, wat worden zal (Schoordijkbundel), Kluwer 1991, p. 105-118, J.G.A. Linssen in zijn noten in JBPR bij Rb Zutphen, 7 mei 2003, AI1718, JBPR 2003, 66 en bij HR 6 oktober 2006, JBPR 2007, 6, A.I.M van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, Serie burgerlijk proces en praktijk, Kluwer, Deventer 2003, p. 73, J.F. Garvelink en P.F. Hopman, Verboden te vissen: informatieplicht van banken en afdwingbaarheid daarvan, Tijdschrift voor Effectenrecht 2004, p. 11-15, B. Winters en J. Vossenberg, Vissen in het enquĆŖterecht, Vennootschap&Ondememing 2005, p. 62-65, Ekehnans in TCR en in zijn boek en N.J. Margetson, De grenzen van de exhibitieplicht, Praktisch Procederen 2007, p. 143-146. Laatstgenoemde stelt dat het niet de bedoeling is om als een jager zonder te kijken een schot hagel in de lucht af te vuren waarna pas wordt gekeken wat er zoal uit de lucht is komen vallen. Rb Den Bosch 22 maart 2007, BA1352, NJF 2007, 213 overweegt dat niet met voldoende stelligheid kan worden aangenomen dat Novio Net valse declaraties heeft ingediend, zodat de vordering tot inzage, mede nu de frauduleuze handelingen onvoldoende zijn omschreven, als een vordering tot het vissen naar stukken moet worden afgewezen. Hof Den Haag 9 oktober 2007, BB6971 overweegt dat er geen sprake is van rechtmatig belang omdat verzoeker Deloitte&Touche eigenlijk geen idee heeft of er in de door haar gevraagde stukken iets staat wat haar standpunten kan ondersteunen. Nu zij niet met voldoende concreetheid heeft gesteld wat de vele door haar gevraagde stukken te harer voordele inhouden, kan niet goed worden beoordeeld of zij wel een rechtmatig belang heeft. Rb Rotterdam 1 april 2009, BI1747 overweegt dat de strenge eisen die aan een verzoek ex art. 843a Rv in de jurisprudentie en literatuur waarop PWS zich beroept worden gesteld, met name zien op situaties waarin het de eisende partij in de (veelal nog aanhangig te maken) procedure was die een dergelijk verzoek deed. In die situaties doet zich het risico van de fishing expedition immers het meest gevoelen. Als, zoals in dit geval, gedaagden in een reeds aangevangen procedure een dergelijk verzoek doen, vloeit het rechtmatig belang veel sneller voort uit het gegeven dat, ook als de bewijslast bij de eisende partij ligt, een verweer gemotiveerd en onderbouwd moet worden om te kunnen voorkomen, dat de vordering aanstonds wordt toegewezen.
W.A. Hoyng, Vier procesrechtelijke wensen, In het nu, wat worden zal (Schoordijkbundel), Kluwer 1991, p. 105-118.
J.M. Barendrecht en W.A.J.P. van den Reek, Exhibitieplicht en bewijsbeslag, WPNR 6155 (1994), p. 739-745. In HR 23 februari 1996, NJ 1996, 434, een zaak waarin een partij vordert dat de wisselcrediteur veroordeeld wordt om de wissels voor handtekeningonderzoek bij een notaris te deponeren voor grafologisch onderzoek, wijst AG Vranken op deze bijdrage in het WPNR en concludeert dat hij even aan art. 843a Rv heeft gedacht maar er aan twijfelt, zonder die twijfel verder uit te werken, of dit wetsartikel in deze zaak wel van toepassing is. Vletter-van Dort volgt op p. 252-253 Barendrecht en Van den Reek waar zij schrijft dat inzage wordt verleend indien dit noodzakelijk is wegens het processuele gelijkheidsbeginsel in verband met het vaststellen van een rechtsbetrekking waarin degene die inzage vordert, partij is.
Volgens T. Koopmans in zijn noot onder HR 29 september 2000, NJ 2001, 95 heeft een niet-georganiseerde werkgever op de voet van art. 843a Rv het rechtmatig belang om van een werkgeversorganisatie overlegging te vorderen van stukken waaruit zou moeten blijken dat aan de representativiteitseis is voldaan. Als ondernemers een werkgeversorganisatie verlaten uit afkeer van CAO-beleid, hebben zij er duidelijk belang bij dat de CAO niet, via de omweg van de verbindendverklaring, toch op hun ondernemingen zal worden toegepast. En als hun uittreden uit de organisatie deze minder representatief heeft gemaakt, hebben zij er zeker rechtmatig belang bij te weten op welke wijze toch aan de representativiteitseis kan zijn voldaan.
Zie bijvoorbeeld Pres. Rb Amsterdam 15 mei 1997, KG 1997, 212 die overweegt dat de Nederlandse procesorde aldus is ingericht, dat partijen eerst aan hun stelplicht dienen te voldoen, waarna het woord aan de rechter is om te beslissen welke stellingen door welke partij bewezen dienen te worden. Het is in het algemeen in strijd met die procesorde om -zoals BAM in dit geding vordert- de andere partij reeds voordat de hiervoor bedoelde beslissingen genomen zijn, te dwingen het bewijsmateriaal waarover zij beschikt over te leggen of opgave op grond daarvan te verlangen,...'. Hof Den Haag 11 april 2008, BD0694, NJF 2008, 245 (ook genoemd en besproken door H.A. Dragstra, De exhibitieplicht in het arbeidsrecht, TRA 2009, p. 15-18) overweegt dat indien eisers de inzage wensen voor zover zij zouden moeten aantonen dat hun inkomen niet aanzienlijk te hoog was, er geen sprake is van rechtmatig belang omdat ten tijde van de uitspraak van het vonnis in het incident geenszins vaststaat dat op eisers een dergelijke bewijslast zal komen te rusten. Zie ook Rb Middelburg 7 mei 2008, BD3047 oordelend dat nu gedaagde de stelling waar de bescheiden betrekking op zouden hebben nog niet specifiek heeft betwist omdat gedaagde nog geen conclusie van antwoord heeft genomen, gedaagde geen onredelijk voordeel geniet en eiser geen onredelijk nadeel lijdt. Daarom is niet voldaan aan het criterium redelijk belang. Rb Zutphen 23 juli 2008, BD8506 is van oordeel dat het bezien in het licht van de ontkenning van de bewoning (van een vakantiehuis) door gedaagde voldoende aannemelijk wordt geacht dat de gemeente er belang bij heeft om kennis te nemen van de gegevens van het nutsgebruik omdat geoordeeld kan worden dat het gebruik van de nutsvoorzieningen een aanwijzing kan vormen voor de wijze waarop de woning wordt bewoond. De mate van gebruik van die nutsvoorzieningen vormen niet hƩt bewijs, maar kan wel aan het te leveren bewijs bijdragen.A.A.M. Menken, Exhibitieplicht ex art. 843a Rv, V&O 1998, p. 53-56 schrijft dat daar waar op het moment van het instellen van een vordering nog geen rechtmatig belang bestaat, dit rechtmatig belang wel is ontstaan op het moment dat de verzoekende partij een bewijsopdracht heeft gekregen in een procedure. P. van Uchelen en B. Verbunt, Vordering tot overlegging van due diligencerapporten ex art. 843a Rv, Ondernemingsrecht 2005, merken op p. 56 op dat het vereiste van een rechtmatig belang de bewijspositie van eiser betreft ten aanzien van stukken die alleen de tegenpartij bezit. Uit het oogpunt van equality of arms mag dan van de wederpartij worden verwacht dat het ontbrekende stuk wordt geproduceerd. H. Uittien, Gedwongen verstrekking van due diligence-rapportages, Tijdschrift voor de ondememingsrechtpraktijk 2007, p. 19-23 meent dat er sprake is van 'rechtmatig belang' indien het belang een rechtsvordering rechtvaardigt conform het bepaalde in art. 3:303 BW waarbij de hoofdvordering nog niet volledig duidelijk hoeft te zijn.
In zijn boek schrijft Van den Reek op p. 49 dat het in elk geval dient te gaan om een bewijsbelang en dat dit belang in het (objectieve) recht verankerd dient te zijn. A.A.M. Menken, Exhibitieplicht ex art. 843a Rv, V&O 1998, p. 53-56 is ook van mening dat het belang van eiser bewijsrechtelijk van aard moet zijn, waaraan hij nog toevoegt dat voor toewijzing van de vordering het belang van eiser zwaarder moet wegen dan het belang van gedaagde.
B.T.M. van der Wiel, De exhibitieplicht te terughoudend opgevat, NbBW 2004, p. 58-60, in zijn boek op p. 52 en verder.
Rb Amsterdam 22 juli 2009, BJ4427: het ligt voor de hand dat A de rekeningafschriften waarin Dexia inzage vordert heeft bekeken, waaraan het (bewijs)vermoeden wordt ontleend dat zij vanaf de eerste (termijn)betaling van voormelde rekening met betrekking tot de lease-overeenkomst wetenschap heeft gehad van het bestaan van deze lease-overeenkomst, zodat de inzagevordering kan worden afgewezen.
J.W. Winter, Center Parcs, art. 843a Rv, discovery op z'n Hollands, TVVS 1997, p. 55-56. Hij annoteert hier een niet gepubliceerd vonnis van 3 oktober 1996, rolnr. 92/5269 van de Rb Rotterdam. W.P. Wijers en A.J. Haasjes, Exhibitie in het (ondememings)recht, 0 & F 2006, p. 49-62 schrijven dat het bij 'rechtmatig belang' moet gaan om bescheiden die relevant zijn voor een door de rechter te nemen beslissing. Op voorhand moet vaststaan dat de opgevraagde bescheiden kunnen bijdragen aan de onderbouwing van stellingen.
P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, Opening van zaken, TCR 2002, p. 8-14. Zie par. 2.2.1.
J.G.A. Linssen in zijn noot onder Rb Zutphen, 7 mei 2003, AI1718, JBPR 2003, 66.
A.I.M van Mierlo en J.H. van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, Serie burgerlijk proces en praktijk, Kluwer, Deventer 2003, p. 73.
B .T.M. van der Wiel, De exhibitieplicht (te) terughoudend opgevat, NbBW 2004, p. 58-60. B. Winters en J. Vossenberg, Vissen in het enquĆŖterecht, Vennootschap&Ondememing 2005, p. 62-65 menen dat art. 843a Rv een beperkte reikwijdte heeft hetgeen mede wordt veroorzaakt door de woorden 'rechtmatig belang'. Ekehnans schrijft in zijn artikel in TCR 2005 en in zijn boek dat het bestanddeel 'rechtmatig belang' de mogelijkheid biedt om belangen bij verstrekking van bescheiden vrijmoedig af te wegen. Hierbij kan plaats zijn voor enige lankmoedigheid, zoals ook vragen aan een getuige niet strikt tot het probandum beperkt plegen te blijven. Het verzoek op inzage mag niet te ver verwijderd raken van wat relevant is, want dan verschiet het, zo meent hij, van kleur richting ongeoorloofd vissen. Hij bepleit een voor verzoeker milde benadering, die hij vanzelfsprekend vindt indien bijvoorbeeld de tegenpartij eerst bewijsvergaring heeft verhinderd of gewoon geweigerd. De milde benadering past volgens hem ook bij de meer actieve opstelling die de rechter zich heeft eigen gemaakt bij het gebruik van de comparitie na antwoord. Zie ook AG Timmerman, nr. 4.8 van zijn conclusie bij HR 23 oktober 2009, BJ7331.
J.G.A. Linssen in zijn noot onder Rb Zutphen, 7 mei 2003, AI1718, JBPR 2003, 66. Linssen heeft deze woorden herhaald in zijn noot onder HR 6 oktober 2006, JBPR 2007, 6, waaraan hij daar nog toevoegt dat de bescheiden naar maatstaven van redelijkheid noodzakelijk zijn. E.M. Wesselingvan Gent, To fish or not to fish, that' s the question, Het verzamelen van feiten en bewijs: begrenzing versus verruiming, een kruisbestuiving tussen civiel procesrecht en ondememingsprocesrecht, Nederlandse Vereniging voor Procesrecht, Boom Juridische uitgevers Den Haag 2006, p. 105 vindt dat de vordering tot het verstrekken van informatie er niet op gericht mag zijn bescheiden te verkrijgen ter onderbouwing van een vorderingsrecht waarvan men ƫberhaupt niet met zekerheid weet of men dit geldend kan maken. Nagegaan moet worden of het verstrekken van de gegevens noodzakelijk is voor effectuering van het materiƫle recht dat de eisende partij geldend maakt respectievelijk wil maken. Janssen schrijft in zijn noot in JBPR onder Rb Den Haag 21 september 2005, AV7698, JBPR 2006, 25, B9-954 bijna letterlijk hetzelfde. Hij voegt daar nog wel aan toe dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van rechtmatig belang zorgvuldig moet nagaan of het verstrekken van gegevens noodzakelijk is voor effectuering van het materieel recht dat de eisende partij geldend maakt of wil maken. J.F. Garvelink en P.F. Hopman, Verboden te vissen: informatieplicht van banken en afdwingbaarheid daarvan, Tijdschrift voor Effectenrecht 2004, p. 11-15 geven meer een uitgangspunt dan een definitie, waarbij dit uitgangspunt een zo beperkt mogelijke uitleg lijkt te zijn. Zij stellen namelijk bij hun uitleg van dit bestanddeel voorop dat een belangenafweging moet worden gemaakt waarbij, als ik hen goed begrijp, alle belangen nauwkeurig moeten worden afgewogen en dat ook nog eens met een terughoudend uitgangspunt. Dit leiden zij af uit de Memorie van Toelichting. Zie ook hof Leeuwarden 4 augustus 2009, BJ4901 die de gestelde rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk acht en de inzagevordering afwijst als `fishing expedition'.
IR 31 mei 2002, NJ 2003, 589, m.nt. Vranken.
Hof Den Bosch 14 oktober 2003, AM7927. In Rb Zutphen 7 mei 2003, Jbpr 2003, 66 m.nt. Linssen, wenst Leisureplan op de voet van art. 843a Rv-oud onder meer 'de volledige correspondentie' tussen de Rabobank en partij B over de periode november 2001 tot en met april 2002, betrekking hebbend op de ingeleide executoriale verkoop. De rechtbank overweegt dat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat Leisureplan als gevolg van de door haar aan de Rabobank verweten gedragingen, waarbij het niet alleen gaat om de concrete voorbereiding van de voorgenomen executoriale verkoop maar ook om de daaraan voorafgaande besprekingen tussen de Rabobank enerzijds en B anderzijds, schade geleden heeft. Aldus heeft Leisureplan een rechtmatig belang bij haar vordering tot inzage. Idem Rb Groningen 22 november 2002, NJ 2003, 102 in een zaak waarin Dekker bv bij werkzaamheden een glasvezelkabel van de KPN beschadigt, waardoor een waarschuwingssysteem van een klimaatregelingcomputer van een kuikenfokbedrijf van Jonkman uitvalt. De klimaatregeling valt door niet aan Dekker toe te rekenen oorzaken uit. Jonkman kan niet gewaarschuwd worden omdat het waarschuwingssysteem is uitgevallen en een groot aantal kuikens overlijdt. Jonkman vordert schadevergoeding van Dekker. In die procedure vordert Dekker in een incident op de voet van art. 843a Rv-oud 'afschriften van stukken met betrekking tot de contractuele verhouding tussen Jonkman enerzijds en KPN, de leveranciers en onderhoudsmonteurs van het waarschuwingssysteem anderzijds evenals de relevante correspondentie tussen deze partijen in verband met en naar aanleiding van de schade aan Dekker te verschaffen'. De rechtbank oordeelt `dat Dekker ... voldoende gemotiveerd haar rechtmatig belang bij het verkrijgen van afschriften van genoemde stukken -de bepaling van de mogelijkheid tot het nemen van regres op mogelijke hoofdelijke mededebiteuren- heeft aangegeven' en wijst de vordering toe. Rb Alkmaar 30 augustus 2007, BB2608 oordeelt dat een vereniging van eigenaars die bouwtekeningen vordert van de verkoper van de appartementen rechtmatig belang heeft.
Rb Utrecht 12 september 2007, BB3722, NJF 2007, 544. Op 18 maart 2009, BH6556 overweegt dezelfde rechtbank dat er sprake is van rechtmatig belang indien de gevraagde bescheiden relevant zijn voor het bepalen door de verzoekende partij van haar rechtspositie. Indien het verzoek binnen een procedure wordt gedaan, is onder meer aan deze eis voldaan, indien de bescheiden van belang zijn voor het onderbouwen van een niet op voorhand kansloze vordering of kansloos verweer. Zie ook Rb Den Haag 23 oktober 2003, JOR 2004, 63. In deze zaak waarin eisers van hun beleggingsbank kopieƫn van op band opgenomen gesprekken tussen hen en de bij de bank werkzame beleggingsadviseur vragen, wijst de rechtbank de vordering af omdat op voorhand een aantal omstandigheden erop wijst dat eisers in een bodemprocedure niet in het gelijk gesteld zullen worden. Uitgebreid over dit vonnis B.T.M. van der Wiel, De exhibitieplicht (te) terughoudend opgevat, NbBW 2004, p. 58-60.
Hof Arnhem 2 december 2008, BH2816. Hetzelfde hof overweegt op 28 april 2009, BI4184 dat zolang nog niet vaststaat dat met het gepachte een melkquotum samenhangt, de verpachter die ontbinding van de pachtovereenkomst vordert (nog) geen belang heeft bij het overzicht van de Centrale Organisatie Superheffing.
HR 20 september 1991, NI 1992, 552, m.nt. J.B.M.V. (Tripels-Masson), zie over dit arrest ook par. 3.3. Zie ook AG Huydecoper bij HR 21 januari 2005, AS3534, NI 2005, 249 die opmerkt dat voor een ieder geldt, dat hij ten opzichte van zijn crediteuren tot een zekere medewerking/ informatieverschaffing verplicht is indien het gaat om verhaal voor vorderingen van crediteuren en dat in dat verband art. 843a Rv aan iedereen die een rechtmatig belang heeft, aanspraak toekent op inzage van gegevens aangaande een rechtsbetrekking. Deze bepaling, zo vervolgt hij, geeft aan de ene kant een ruim bemeten aanspraak, doordat niet meer wordt vereist dan een beroep op een rechtmatig belang.
Rb Zwolle-Lelystad 11 mei 2007, BA502: eiseres, alimentatiegerechtigde, vordert in kort geding veroordeling van gedaagde om alle justificatoire bescheiden waaruit zijn inkomen en vermogenspositie blijkt, over te leggen. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering vooral is gericht op het realiseren van verhaal en dat art. 843a Rv niet is geschreven om een verhaalsonderzoek te doen. Rb Arnhem 26 maart 2008, BC8823: Ballast Nedam vordert op grond van onrechtmatige daad grote geldbedragen van een aantal gedaagden. In diezelfde dagvaarding vordert zij in een incident op de voet van art. 843a Rv dat gedaagden worden veroordeeld om inlichtingen te verschaffen omtrent hun inkomen en vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen. De rechtbank wijst de vordering af omdat art. 475g Rv, inhoudende dat een schuldenaar verplicht is desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven, in de afdeling staat die over executoriaal derdenbeslag handelt en op die situatie is toegeschreven. De situatie van HR 20 september 1991, NI 1992, 552 doet zich volgens de rechtbank niet voor omdat daarin wordt gesproken over de verplichting van de schuldenaar om 'een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg' inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie te verschaffen.
Rb Amsterdam 6 april 2006, B9 1899 (te vinden via www.boek9.nl, in zoekvenster invoeren 1899) waar een vordering tegen de krant De Telegraaf om aan eiseres af te geven kopieƫn van een geluidsband, dan wel een kopie, alsmede een typoscript daarvan waaruit volgens de krant in een publicatie zou blijken dat de directeur van eiseres opdracht zou hebben gegeven tot het stelen van een auto van een collega, wordt afgewezen omdat volgens de rechtbank uit art. 843a Rv niet voortvloeit dat op De Telegraaf een exhibitieplicht rust. Een enkel belang tot afgifte is voor toewijzing van de vordering op grond van art. 843a Rv niet voldoende. Voorshands is namelijk niet aannemelijk dat De Telegraaf met de publicatie onrechtmatig heeft gehandeld en de opvatting dat De Telegraaf de geluidsband ter beschikking moet stellen opdat X zelf de authenticiteit van die band kan controleren, kan niet als juist worden aanvaard omdat een zo vergaande verplichting niet uit art. 843a Rv voortvloeit.
Rb Rotterdam 17 mei 2006, AX6815, NJF 2006, 388: de vordering van booteigenaar Saipem om inzage in een (vermoedelijk) in opdracht van Joanna Shipping opgesteld schaderapport naar aanleiding van een brand aan boord van een boot van Saipem (ten tijde van de brand, die is ontstaan door werkzaamheden door derden, was de kapitein van de boot in dienst van Joanna Shipping) wordt afgewezen omdat de stelling van Saipem dat de brandveroorzakende werkzaamheden zijn uitgevoerd onder supervisie van de kapitein door Joanna Shipping voldoende is betwist.
Rb Alkmaar 21 mei 2008, BD2570.
Rb Haarlem 18 juni 2008: eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gevorderde inzage in de 'Services Agreement (meer) duidelijkheid over de (contractuele) verplichtingen van gedaagde kan geven.
Hof Arnhem 31 maart 2009, B12138.
Rb Den Haag 26 mei 2009, B9 7928 (te vinden via www.boek9.nl, in zoekvenster invoeren 7928).
Hof Arnhem 25 maart 2008, BC9246. B stelt in die zaak dat het door particulier recherchebureau Gawain in opdracht van Stichting A gedane onderzoek gedaan naar mogelijke malversaties gepleegd door B, een werknemer van A, niet goed is gedaan, hetgeen jegens hem onrechtmatig is en B wil een lijst van namen van personen die Gawain heeft gesproken in het kader van zijn onderzoek. Het hof is van oordeel dat B een rechtmatig belang heeft bij inzage in die lijst omdat hij stelt dat teveel en verkeerde mensen zijn benaderd terwijl hij, B, in de betreffende sector wil blijven werken en de gehoorde mensen wil benaderen om te proberen zijn blazoen te zuiveren. Daarnaast is het belang gelegen in het feit dat hij wenst te bezien of het rapport wel een voldoende objectief beeld geeft in die zin dat ook ontlastende verklaringen juist zijn verwerkt.
Rb Zwolle 15 mei 2006, AY6815 die overweegt dat het rechtmatig belang tot inzage gelegen is in het feit dat wel voldoende is gesteld dat A, een directeur van eiseres, in strijd met zijn rechtsplicht heeft gehandeld door buiten eiseres om met Adboard te handelen, terwijl door eiseres eveneens voldoende gemotiveerd is gesteld dat zij meer aan Adboard heeft betaald dan zij verschuldigd was.
Rb Arnhem 26 maart 2008, BC8823 die op het verweer van gedaagden dat Ballast Nedam geen vordering op hen heeft, overweegt dat Ballast Nedam aan haar inzagevordering een onrechtmatige daad ten grondslag legt en die daad voldoende heeft onderbouwd. Dezelfde rechtbank oordeelt op 16 maart 2009, BH6158 in een zaak waarin VIA (Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars) onder de Intemetvakbond (hierna Iv) bewijsbeslag heeft gelegd 'op alle gegevensdragers waaruit kan blijken dat de ledenraadpleging als door VIA bedoeld, heeft plaatsgevonden' omdat partijen een geschil hebben over de vraag of Iv haar leden op een juiste wijze heeft geraadpleegd over het tussen Iv en VIA bereikte principeakkoord, dat voorshands niet zonder meer valt uit te sluiten dat de onjuiste wijze van raadpleging door Iv zoals door VIA gesteld als een toerekenbare tekortkoming of als een onrechtmatige daad jegens VIA moet worden aangemerkt. Nu aangenomen moet worden dat VIA daarvan in een bodemprocedure bewijs zal moeten leveren en de in beslag genomen gegevens daarbij van belang kunnen zijn, heeft VIA een rechtmatig belang op inzage. Vergelijkbaar Rb Den Haag 21 september 2005, AV7698, JBPR 2006, 25, m.nt. M.A.J.G. Janssen en B9 954 (te vinden via www.boek9.nl, in zoekvenster invoeren 954).
Rb Den Haag 16 april 2008, B9 6133 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 6133 in).
Rb Maastricht 29 juli 2008, BD9036.
Rb Utrecht 18 maart 2009, BH6128 waarin theaterbureau A stelt dat theaterbureau B stukken van A onder zich heeft en bewijsbeslag heeft gelegd, dat zich tevens uitstrekt over stukken van B zelf waaruit zou blijken dat B onrechtmatig klanten van A benaderd en/of opdrachten van A afwerkt. De rechtbank overweegt dat de vordering tot inzage terughoudend moet worden beoordeeld omdat partijen concurrenten zijn, maar dat B niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat een aantal in beslag genomen bescheiden aan A toebehoort en dat A deze in haar administratie mist. Het is op voorhand niet te zeggen of de ontbrekende stukken zich onder de in beslaggenomen bescheiden bevinden, maar er zijn wel aanwijzingen dat althans een deel van de stukken zich onder de in beslaggenomen documenten bevindt.
Rb Utrecht 13 februari 2008, JAR 2008, 83. Ter controle of werkgever Oskam BV de reiskostenregeling juist naleeft vorderen twee vakbonden veroordeling van Oskam BV tot verstrekking aan hen van een deugdelijke lijst van werknemers en gewezen werknemers die voor het woon-werkverkeer gebruikmaken van een door Oskam BV ter beschikking gesteld voertuig. De rechtbank overweegt dat er sprake is van rechtmatig belang omdat de vakbonden willen voorkomen dat Oskam BV, die zich beroept op afspraken binnen het bedrijf, de betrokken werknemers zal houden aan die van de CAO afwijkende en dus nietige afspraken. Zo ook Rb Haarlem 16 juli 2008, BD7632 waar een VOF van iemand die voor haar heeft gewerkt, inzage in alle bankafschriften van drie op haar naam staande bankrekeningen in de periode 1 april 2004 tot 21 mei 2008 vordert omdat er kastekorten zijn en gedaagde de vrije hand had wat kasontvangsten en dergelijke betrof. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een rechtmatig belang omdat gedaagde de kastekorten niet heeft betwist noch haar verantwoordelijkheid voor de kasadministratie, terwijl het kasboek ontbreekt. Hoewel dus de oorzaak van de kastekorten nog niet duidelijk is, kan inzage in de bankafschriften van gedaagde meer duidelijkheid verschaffen. De rechtbank weegt mee dat gedaagde vroeger geen bezwaar had tegen inzage door de VOF in haar bankafschriften. Controle is ook voldoende reden voor Rb Zutphen 4 maart 2009, BH7615, NIF 2009, 168 om A in een procedure tegen B inzage toe te staan in twee tussen B en C gesloten vaststellingsovereenkomsten, daarbij overwegende: `aangezien bedoelde overeenkomsten ook van belang kunnen zijn voor de rechtsbetrekking tussen hem en B. Daaraan doet -anders dan uit de tekst van artikel 843a lid 1 Rv zou kunnen worden afgeleid- niet af dat A geen partij is bij de vaststellingsovereenkomsten. Uit de parlementaire geschiedenis Herziening Burgerlijk procesrecht (MvT, bladzijde 553 en 554) per 1 januari 2002 kan immers worden afgeleid dat de wetgever met het herziene artikel 843a Rv heeft beoogd aan te sluiten bij de verruiming van de processuele mededelingsplicht, die onder meer in artikel 22 Rv haar beslag heeft gekregen. Meer in het bijzonder wordt in de parlementaire geschiedenis verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1998 (N71998,459), waarbij een partij een schriftelijke koopovereenkomst, waarbij de wederpartij in de procedure geen partij was, niet in het geding wenste te brengen, welke weigering door de Hoge Raad gegrond werd bevonden. Uit de opmerkingen van de minister kan worden afgeleid dat deze beslissing van de Hoge Raad onder het gewijzigde artikel 843 a Rv anders zou moeten hebben geluid.'. Ook de Rb Rotterdam 3 juni 2009, B19158 wijst de door X gevorderde inzage in een schikkingsovereenkomst tussen Osfi en Z toe.
Hof Den Haag 12 juni 2007, S&S 2009, 34, Rb Rotterdam 30 januari 2008, zaak-/rolnummer 279904/HA ZA 07-674 (niet gepubliceerd): Kleinstra c.s., huurders van een boot die zij lek aan de verhuurder hebben teruggegeven, vorderen afschrift van een dispache (een door deskundige(n) opgemaakte verdeling van de averij-grosse). De rechtbank overweegt dat de dispache voor de beoordeling van de vraag of Kleinstra c.s. aansprakelijk zijn voor dit lek zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet van belang lijkt te zijn omdat de aansprakelijkheid wordt gegrond op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. De vordering wordt afgewezen. In hun incidentele conclusie hadden Kleinstra c.s. gesteld dat afschrift van de dispache diende te worden verschaft omdat 'daaruit de berekening en verdeling ten aanzien van de kosten in averij grosse dient te blijken. Welke berekening en verdeling van kosten en ook dat hoeft eigenlijk geen betoog, van belang zijn voor de weren van Kleinstra.'.
Rb Den Bosch 16 april 2008, BC9695, JA 2008, 68, m.nt. J. Ekehnans, NJF 2008, 228: verzekeraar Allianz vordert op de voet van art. 843a Rv inzage in een opleveringsrapport van een hoogwerker, stellende dat een ondeugdelijkheid in de hoogwerker een brand heeft veroorzaakt. Dit rapport kan informatie verschaffen omtrent de technische staat van de hoogwerker bij oplevering. Die informatie kan relevant zijn voor Allianz die deze stukken nodig heeft ter bepaling van feiten op grond waarvan een rechtsbetrekking kan worden vastgesteld. Onbekendheid met de inhoud van het rapport staat niet aan inzage in de weg omdat dat argument op een te restrictieve uitleg van art. 843a Rv berust. Een dergelijke uitleg zou namelijk met zich brengen dat van toepassing van dit artikel in de praktijk weinig terecht zou komen en zou indruisen tegen de bedoeling van de wetgever om de processuele mededelingsplichten te verruimen. Hof Amsterdam 2 december 2008, BG9050, NJF 2009, 39 vernietigt een uitspraak van Rb Amsterdam 19 juni 2008, BD4818 en wijst toe een vordering van KSK om een scheidsgerecht dat heeft geoordeeld over een geschil tussen KSK en een ander, te bevelen om over te leggen een afschrift van het originele verslag van de hoorzitting (HR 29 januari 2010, BK2007 vernietigt dit arrest omdat de beleidsvrijheid van arbiters om de procesvoering te bepalen niet kan worden doorkruist door een beroep op het algemeen geformuleerde, en niet specifiek op het arbitrale geding toegesneden art. 843a Rv). Rb Breda 18 juli 2008, BD7674 oordeelt dat de door aannemingsbedrijf Van Herwijnen van de gemeente Werkendam gevorderde inzage in de bescheiden betrekking hebbend op de inschrijving van een concurrent bij een aanbestedingsproject moet worden afgewezen omdat de gemeente in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat het door Van Herwijnen opgegeven referentiewerk niet van vergelijkbare aard is als het werk dat de gemeente wenste aan te besteden. De inschrijving van Van Herwijnen was al uit de competitie genomen, zodat hem de opdracht niet meer kon worden gegund. Soortgelijk in een aanbestedingszaak Rb Rotterdam 5 maart 2009, BH6004 en zie ook in het kader van het auteursrecht met een gelijksoortige motivering Rb Utrecht 29 oktober 2008, BG3678.
Rb Haarlem 7 januari 2009, BH2081.
Rb Rotterdam 7 mei 2008, BD4074. Een belegger die wenst te bewijzen dat Fortis advies gaf en het initiatief nam tot het doen van bepaalde overboekingen en transacties (die overwegend fout afliepen) en in dat kader de bandopnames zelf wil beluisteren, heeft rechtmatig belang.
Rb Amsterdam 3 november 2004, AR5041, Rb Utrecht 28 mei 2008, BD2666: Shipcon vordert slechts een verklaring voor recht met verwijzing naar de schadestaatprocedure zodat de op de voet van art. 843a Rv door BDO ingestelde incidentele vordering dat Shipcon inzage of afschriften moet geven in bepaalde bescheiden waaruit zou blijken dat er geen schade is geleden afgewezen moet worden omdat de hoogte van de geleden schade nog niet aan de orde is. Rb Rotterdam 4 juni 2008, BD9249 oordeelt dat voor zover eiser in het incident 'bedoelt gebruik te maken van de gevorderde bescheiden ten behoeve van een eventueel door haar te voeren verweer ten aanzien van het tenietgaan van de vordering, ... kan de vordering tot overlegging van afschriften eerst aan de orde komen wanneer zodanig verweer in de hoofdzaak wordt gevoerd'. Rb Amsterdam 11 september 2008, BF0587 gelast inzage omdat er voldoende belang is, ook indien de partij die inzage vordert in beginsel kan volstaan met een kale betwisting van de stellingen van de eiser in de 'hoofdprocedure', omdat niet valt uit te sluiten dat eiseres in de hoofdprocedure voldoende bewijs heeft en het dan aan gedaagde in de hoofdprocedure tevens eiser in het incident is om tegenbewijs te leveren. Een bijzondere vorm van ontijdigheid valt te lezen in Rb Rotterdam 8 oktober 2008, BG3804 waar verzekeraar Son zonder meer een schade-uitkering heeft geweigerd en pas nadat de penningen bij dagvaarding zijn gevorderd, inzage vordert in ladingrapporten, vaartijdenboeken, agenda's en journalen, reisboekingen en andere registraties. De rechtbank wijst de vordering af omdat Son, kennelijk zonder de beschikking over deze stukken te hebben, haar dekkingsplicht heeft afgewezen, zodat zonder nadere, niet gegeven, toelichting niet valt in te zien ten behoeve van welk verweer Son die bescheiden nodig heeft. Rb Haarlem 7 januari 2009, BH2081 overweegt dat de enkele stelling dat X niet alleen in de jaren 1993-1994 en 1998-1999 smeergelden heeft ontvangen onvoldoende is om inzage te verkrijgen in de bankafschriften over de hele periode dat de bankrekening heeft bestaan. Indien, zo overweegt de rechtbank, het casino van mening is dat ook in die andere jaren smeergelden zijn ontvangen, moet zij haar vordering aanpassen en zal in het kader van bewijslevering moeten worden beslist of inzage gegeven moet worden. Zie ook Rb Rotterdam 24 juni 2009, NIP' 2010, 31.
Rb Arnhem 26 juni 2009, BJ4425 wijst af een vordering tot inzage van Allianz door haar dan wel door haar advocaat dan wel door haar medisch adviseur van het volledig huisartsendossier van B en het USZO/GAK dossier van B -die van Allianz schadevergoeding vordert omdat hij is aangereden door een bij Allianz verzekerde auto-, aansluiting zoekend bij de arresten van de Hoge Raad van 22 februari 2008, BB5626 en BB3676. De rechtbank overweegt dat uit de overwegingen van de Hoge Raad in die arresten duidelijk naar voren komt `... dat het in beginsel uitsluitend aan de onafhankelijke, door de rechtbank te benoemen deskundige(n) is te beoordelen welke medische gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn en derhalve door de benadeelde dienen te worden verschaft. Voor een op voorhand af te geven bevel om nadere medische gegevens te verschaffen, is geen plaats. Hiermee strookt dan ook niet de handelwijze van Allianz, om via een omweg, te weten een vordering in kort geding, op grond van art. 843a Rv te trachten dergelijke gegevens te bemachtigen ....'.
Rb Zutphen 20 augustus 2008, JAR 2008, 255.
Rb Zwolle-Lelystad 5 maart 2008, BD8262.
Rb Den Bosch 21 mei 2008, BD2308 wijst af de vordering tot inzage omdat niet `...valt in te zien dat PF, gelet op haar uitgebreid gemotiveerde stellingen in de dagvaarding, de betreffende bescheiden nodig heeft voor het bewijs van die stellingen. Met Laurus is de rechtbank van oordeel dat de onderliggende motieven van Laurus rechtens niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of Laurus zich onvoldoende heeft ingespannen'.
Zie ook het in par. 6.3 aan de orde geweest zijnde arrest HR 6 oktober 2006, NI 2006, 547, JBPR 2007, 6, m.nt. I.G.A. Linssen, AA 2007, p. 371-374, m.nt. H.B. Krans, Meijer-VOF Gebr. Cornelis. De Hoge Raad overweegt dat er sprake is van een geval waarin Meijer overeenkomstig art. 7:619 BW het recht heeft om van de V.O.F. overlegging te verlangen van zodanige bewijsstukken als hij nodig heeft om de gegevens vast te stellen voor de bepaling van zijn aanspraak op loon. Hieruit volgt dat Meijer een rechtmatig, want uit art. 7:619 BW voortvloeiend belang, heeft om op de voet van art. 843a Rv de overlegging van het vaartijdenboek te verlangen, zonder gehouden te zijn te stellen 'dat hij in redelijkheid slechts bewijs zou kunnen leveren aan de hand van de in het bezit van de V.O.F. zijnde gegevens'. Na verwijzing gelast het hof Den Bosch op 30 oktober 2007, BB8632 de VOF het vaartijdenboek in het geding te brengen en wijst het hof de niet verschenen VOF erop dat als zij dit niet doet, het hof daaraan de gevolgtrekking verbindt dat het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd onder toewijzing van de vordering van de werknemer. K. Teuben, 'De verplichting tot het overleggen van stukken ex art. 843a Rv' in MvV 2006, p. 218-221 vermeldt dat uit dit arrest van 6 oktober 2006 lijkt te volgen dat wanneer een wettelijke bepaling recht geeft op overlegging van, of inzage in, bepaalde stukken, een nadere afweging tussen de belangen van de eisende partij en de belangen van de partij die de bescheiden onder zich heeft, in beginsel niet meer nodig is. De achterliggende gedachte zou dan zijn dat de wetgever hier de afweging reeds heeft gemaakt. T.S. Jansen, Art. 843a Rv in de ondernemingsrecht-praktijk. Verboden te vissen, maar vragen mag, Tijdschrift voor de ondememingsrechtpraktijk 2009, p. 89-94 wijst bij zijn omschrijving van de inhoud van het begrip 'rechtmatig belang' ook op dit arrest van 6 oktober 2006, waaruit volgens hem volgt dat voor zover er een materieelrechtelijke aanspraak op overlegging van bepaalde bewijsstukken bestaat, het rechtmatig belang is gegeven. Zie ook E.T. Visser, Het exhibitionisme in arbeidszaken en de fundamentele herbezinning, Arbeidsrecht 2007, afl. 6-7 p. 14-17. AG Timmerman concludeert bij HR 30 januari 2009, BG5847, RvdW 2009, 252 dat het hof Arnhem van oordeel is dat het, gelet op de artt. 7:626 en 619 BW en mede gelet op art. 843a Rv, aan de werkgever is om de tachograafschijven over een bepaalde periode in het geding te brengen (een motivering ontbreekt, de HR doet de zaak af op de voet van art. 81 RO).
Zie ook hof Arnhem 17 mei 2005, LJN AT6104, oordelend dat een erfgenaam rechtmatig belang heeft bij inzage in de administratieve bescheiden van de erflater en Rb Maastricht, 7 maart 2002, AE0630. Rb Arnhem 19 april 2006, AX7332 wijst een vordering tot inzage in bankafschriften gericht tegen iemand die jarenlang het beheer over het vermogen van een erflater heeft gevoerd af, omdat niet is onderbouwd welke aanleiding er is om te veronderstellen dat er nog aanspraken op delen van de opengevallen nalatenschap zijn, waarbij de rechtbank het tevens van belang vindt dat degene die de afschriften vordert, zelf de laatste jaren het betreffende beheer heeft gevoerd en dus de positie had om inzage te krijgen.
Zie daarover uitvoerig AG Huydecoper bij HR 21 januari 2005, AS3534, NJ 2005, 249. De AG merkt daar tevens op dat art. 843a Rv aan iedereen die daarbij een rechtmatig belang heeft, een aanspraak toekent op o.a. inzage van gegevens, waarbij deze bepaling een ruim bemeten aanspraak geeft doordat niet meer wordt vereist dan een beroep op een rechtmatig belang en dat een beperking op de aanspraak op informatie wordt gegeven door de eis dat er (nauw) verband moet bestaan met de rechtsbetrekking waarbij men partij is. Zie voor een curator die inzage vordert Rb Zutphen 21 maart 2007, BA8996. In deze zaak is de failliet Van de Meene aansprakelijk voor aan MPS veroorzaakte schade waarvoor de failliet is verzekerd bij Fortis. De curator stelt dat MPS en Fortis bepaalde afspraken hebben gemaakt wat de uitkering van de schadepenningen betreft en wenst inzage in die afspraken. De rechtbank wijst de vordering af omdat de curator voorlopig geen belang heeft omdat er van moet worden uitgegaan dat de gewraakte afspraak tussen MPS en Fortis inderdaad bestaat.
Aldus ook Van der Korst, p. 92. Rechtstreeks belang in de zin van dit artikel is een ander begrip dan rechtmatig belang in de zin van art. 843a Rv. Ik kan, mede gelet op dit verschil, niet doorgronden waarom Rb Arnhem in haar vonnis van 21 oktober 2008, BG3613 na uitvoerige overwegingen toegeschreven op art. 3:15j BW, plotsklaps overschakelt naar art. 843a Rv.
Zie J.A.C. van Veersen, Exhibitieplicht ex art. 3:15j BW; een ondergeschoven kindje, V&O 2006, p. 6-10.
Wetsvoorstel 27824, p. 8-9 nr 3, Memorie van Toelichting.
Voor de volledigheid: in wetsvoorstel 27824 werd art. 3:15b BW ingevoegd. Bij KB Stb. 2001, 581 werd bepaald dat, kort gezegd, na invoering van de Wet elektronische handtekening (27743) art. 15b vernummerd zou worden tot art. 15j BW.
Art. 4:39 BW geeft de personen aan wie de rechten van de artt. 4: 29 tot en met 33, 35, 36, en 38 toekomen (de echtgenoot van de erflater onder bepaalde omstandigheden, de erfgenamen die moeten meewerken aan de vestiging van een recht van vruchtgebruik en een kind, stiefkind, pleegkind, behuwd kind of kleinkind van de erflater) onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheden die zijn genoemd in art. 4:78 BW.
In het rijtje past ook art. 7:403 lid 2 BW, inhoudende dat de opdrachtnemer aan de opdrachtgever verantwoording doet van de wijze waarop hij zijn opdracht heeft gekweten. Zie daarover Rb Utrecht 5 juni 2009, BI6346.
In dit hoofdstuk passeert de literatuur en de jurisprudentie betrekking hebbend op lid 1 van art. 843a Rv de revue.1 Dat gebeurt per bestanddeel, te beginnen met het begrippenpaar 'rechtmatig belang'.
De grenzen van de exhibitieplicht hebben niet alleen veel hoofdbrekens gekost, zoals in het losbladig commentaar Burgerlijke Rechtsvordering onder nr. 5 valt te lezen, die grenzen doen dat nog steeds. Die zitten niet in de abstracte formulering: het woordduo 'rechtmatig belang' is eenvoudig genoeg te formuleren. De inhoud en grenzen van dit begrippenpaar zijn minder eenvoudig vast te stellen. Dit ligt niet alleen aan deze twee woorden, maar ook aan juridisch-maatschappelijke ontwikkelingen, waarin steeds meer rechten met elkaar in botsing komen. Tenslotte is de mate waarin men de waarheidsvinding van belang acht, eveneens van invloed op de inhoud van 'rechtmatig belang'. Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt immers dat de invulling van de diverse bestanddelen van art. 843a Rv mede afhangt van de wijze waarop tegen de civiele procedure wordt aangekeken. Indien het uitgangspunt is dat in een civiele procedure de materiƫle waarheid aan het licht moet komen, brengt dit uitgangspunt al snel mee dat het recht op inzage ruimhartig wordt uitgelegd. Daar waar de materiƫle waarheidsvinding minder van belang wordt geacht, gaat men al snel over tot een minder ruime uitleg van het recht op inzage. Het vraagstuk omtrent de partijautonomie en de lijdelijkheid van de rechter is hierbij tevens van belang in die zin dat de invulling van deze begrippen ook afhangt van de wijze waarop de rechter zich opstelt: sterk activistisch of enkel en alleen lezend wat partijen hem voorleggen en luisterend naar wat partijen hem vertellen. Ook in de hierna aan de orde gestelde literatuur blijkt dat de nadere, concrete invulling van de inhoud van de verschillende bestanddelen afhangt van het standpunt van de schrijver omtrent de bedoeling van de civiele procedure: materiƫle waarheidsvinding of strijd tussen partijen waarin zij zelf aan de orde moeten stellen wat zij van belang vinden en willen inzien. Bijna alle schrijvers stellen bij de uitleg van `rechtmatig belang' voorop dat hiermee wordt voorkomen dat een partij op goed geluk aan het vissen slaat.2
Hoyng kan de eerste worden genoemd die zich bezig heeft gehouden met de inhoud van verschillende begrippen in art. 843a Rv. Hij is ruimhartig in de uitleg van de woorden 'rechtmatig belang'. Hij is van mening dat er sprake is van rechtmatig belang indien een partij de stukken nodig heeft ter bepaling van feiten op grond waarvan een rechtsbetrekking kan worden vastgesteld.3
In 1994 kwamen Barendrecht en Van den Reek na een korte weergave van de geschiedenis van het recht op inzage, tot de conclusie dat de woorden let enkele belang op vertoning' te ruim zijn, en daarmee ontoereikend, om de inhoud van `rechtmatig belang' weer te geven.4 Er moet sprake zijn van een door het objectieve recht erkend bijzonder belang op vertoning dat zwaarder weegt dan een ander betrokken belang als bijvoorbeeld het bedrijfsgeheim.5 Duidelijk is volgens hen dat het om een bewijsbelang moet gaan.6 Een tweede relevant gezichtspunt is volgens hen dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat partijen in een procedure zoveel mogelijk over gelijke mogelijkheden moeten kunnen beschikken om hun standpunten te onderbouwen. Ruimhartig zijn zij niet: zij formuleren namelijk als regel dat inzage, afschrift of uittreksel gelet op het processuele gelijkheidsbeginsel noodzakelijk dient te zijn in verband met de vaststelling van een rechtsbetrekking waarin degene die vertoning vordert partij is. Zij komen waarschijnlijk aan dit `noodzakelijkheidscriterium' omdat zij in hun artikel vooral rekening houden met een tegenpartij die onwillig is om inzage te verschaffen omdat de informatie betrekking heeft op bedrijfsgeheimen.7
Conform Barendrecht en Van den Reek in hun bijdrage in het WPNR en de laatste opmerking van Van den Reek in zijn boek ook Van der Wiel in zijn artikel en in zijn boek.8 Hij stelt bij zijn uitleg van de woorden 'rechtmatig belang' in navolging van de parlementaire geschiedenis voorop dat dit begrip ruimer is dan `enig recht kan doen gelden'. Het feit dat het moet gaan om het bewijsbelang brengt volgens hem met zich dat rechtmatig belang ontbreekt indien de te bewijzen feiten niet worden weersproken9 en indien de door eiser gestelde inhoud van het document waarvan inzage wordt gevraagd niet geschikt is om bij te dragen aan het bewijs van de door eiser ingenomen stelling of wanneer bewijs van deze stellingen niet kan leiden tot toewijzing van het gevorderde. Van der Wiel is verder van mening dat bij de uitleg van 'rechtmatig belang' ook lid 4 van art. 843a Rv in ogenschouw moet worden genomen voor zover inhoudende 'indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd'. In zijn boek noemt Van der Wiel het vereiste van rechtmatig belang de belangrijkste drempel voor toewijzing van een vordering op grond van art. 843a Rv. Het is krachtens de parlementaire geschiedenis ruimer bedoeld dan 'enig recht kan doen gelden'.10
Winter noemt in een noot onder een vonnis van de rechtbank Rotterdam het woord 'relevant' waarmee hij ook een nadere inhoud aan de woorden 'rechtmatig belang' lijkt te willen geven.11 Hij schrijft dat een procespartij inzage dient te kunnen krijgen voor zover inzage noodzakelijk is om bewijs te kunnen leveren. Wat interne stukken betreft als notulen e.d. zou volgens hem een terughoudende opstelling zijn geboden.
Von Schmidt auf Altenstadt12 , Linssen13 , Van Mierlo14 en Van der Wiel15 herhalen allen de woorden van de minister uit de parlementaire geschiedenis waar hij zegt dat de bezitter van het stuk niet nodeloos mag worden lastiggevallen.
Linssen noemt bij de uitleg van de woorden 'rechtmatig belang' niet alleen de nodeloosheid. Volgens hem brengen deze woorden ook met zich dat de vordering tot het verstrekken van informatie er niet op gericht mag zijn om bescheiden te verkrijgen ter onderbouwing van een vorderingsrecht waarvan men uberhaupt niet of niet met (voldoende) zekerheid weet of men dit geldend kan maken.16
De jurisprudentie over het begrip rechtmatig belang is weinig richtinggevend en bestaat voor het overgrote deel uit uitspraken die enkel van belang zijn voor de betreffende specifieke casus. De enkele uitspraken waarin meer is te vinden dan een casuĆÆstisch oordeel worden hierna in de tekst behandeld. De overige jurisprudentie is in voetnoten vermeld.
In het Observatiearrest is art. 843a Rv niet uitgebreid aan de orde gekomen, maar het arrest is wel van belang bij de uitleg van het bestanddeel 'rechtmatig belang' in art. 843a Rv omdat het arrest een nadere inkleuring van het begrip `rechtmatig belang' geeft, maar dan vanuit een vordering waarbij geen inzage in stukken maar juist vernietiging van stukken werd gevraagd.17 In het kort geding dat tot dit arrest leidde, vraagt eiser aan de WA-verzekeringsmaatschappij Aegon om ter beschikkingstelling van alle foto- en filmopnames en wel zodanig dat Aegon geen enkele opname of kopie daarvan meer bezit. Van belang is dat deze eiser in een al aanhangig zijnde bodemzaak schadevergoeding eist wegens een door hem bij een aanrijding opgelopen whiplash. Tijdens deze bodemprocedure bleek dat hij door de WA-verzekeringsmaatschappij met behulp van camera's is geobserveerd omdat die maatschappij wilde controleren of de door de man gestelde fysieke beperkingen wel bestonden. Voordat die foto- en filmopnames in de bodemprocedure werden overgelegd, vordert de man in kort geding onder meer dat deze opnames eerst aan hem ter beschikking gesteld moeten worden. In essentie legt hij aan deze vordering ten grondslag dat de nadere onderzoeken en in het bijzonder de stelselmatige observaties van hemzelf, inbreuk hebben gemaakt op zijn privƩleven en jegens hem onrechtmatig zijn. Hij beroept zich hierbij op art. 8 EVRM en art. 10 van de Wet persoonsregistratie. De president wijst de vordering af. Het hof is het met deze afwijzing eens en overweegt dat zo al door de gedragingen van Aegon inbreuk is gemaakt op het privƩleven van de man, daarmee niet zonder meer is gegeven dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld. Dat hangt immers af van de omstandigheden van het geval, zoals de wijze waarop inbreuk is gemaakt, de duur en intensiteit daarvan en het doel waarmee dit is geschied. De Wet persoonsregistratie bevat in elk geval geen verbod op handelingen zoals Aegon heeft verricht. Op de cassatieklacht, inhoudende dat Aegon verplicht is het door haar verzamelde feitenmateriaal aan de man ter beschikking te stellen zodat hij dat materiaal desgewenst zelf in het geding kan brengen en de volledigheid en authenticiteit kan controleren, antwoordt de Hoge Raad dat een zo vergaande verplichting noch uit het bepaalde van art. 843a Rv noch uit het beginsel van `equality of arms' voortvloeit. Deze zaak betreft dus min of meer een 'omgekeerd inzagerecht', waarbij niet de verkrijging van bewijsmateriaal het doel was, maar juist de vernietiging van bewijsmateriaal: de man vorderde afgifte van het materiaal om het te vernietigen. Het mocht volgens hem niet in de bodemprocedure worden ingebracht. Zoals Vranken in zijn noot stelt, gaat een dergelijke vordering alle perken van de exhibitieplicht van art. 843a Rv te buiten. Aldus bezien heeft de man geen rechtmatig belang op afgifte van het materiaal.
Het hof Den Bosch is van oordeel dat het bij de vraag of er sprake is van rechtmatig belang moet gaan om stukken waarbij eiseres een direct en concreet belang heeft welk belang in het voorliggende geval aanwezig is omdat zij inzage in de gevraagde stukken nodig heeft ter voorbereiding van een contra-enquĆŖte aan haar zijde.18
De rechtbank Utrecht geeft in twee uitspraken een algemene beschouwing over de inhoud van het bestanddeel rechtmatig belang. Zij oordeelt dat het niet noodzakelijk is dat de gevraagde bescheiden van doorslaggevende betekenis zijn voor het nemen van de beslissing omdat een inzagevordering ook buiten het kader van een procedure kan worden ingesteld. Er is sprake van rechtmatig belang indien de gevraagde bescheiden relevant zijn voor het bepalen door de verzoekende partij van haar rechtspositie. Indien het verzoek wordt gedaan binnen een gerechtelijke procedure, is onder meer aan deze eis voldaan, indien de bescheiden van belang zijn voor het onderbouwen van een niet op voorhand kansloze vordering of verweer.19
Het hof Arnhem oordeelt dat het op de weg ligt van de partij die exhibitie verlangt om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit naar normale ervaringsregels de mogelijkheid van aansprakelijkheid kan worden afgeleid; voorts zal deze partij aannemelijk moeten maken dat de verwezenlijking en handhaving van het materiƫle recht de gevraagde exhibitie verlangt.20
In de jurisprudentie is enkele malen de vraag aan de orde geweest of een crediteur inzage kan vorderen in financiƫle gegevens van een debiteur ter beantwoording van de vraag of verhaal op de debiteur mogelijk is. Richtinggevend zou wat dat betreft kunnen zijn HR 20 september 1991.21
In dat arrest overweegt de Hoge Raad namelijk dat een schuldenaar in beginsel verplicht is
`... een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen'.
De rechtbank Zwolle-Lelystad en de rechtbank Arnhem wijzen een dergelijke vordering af.22 De rechtbank Dordrecht wijst een dergelijke vordering toe.23
In een aantal uitspraken wordt de vraag beantwoord in hoeverre het bestaan van de achterliggende vordering, al dan niet voorshands, aannemelijk moet zijn. De rechtbanken Amsterdam24 , Rotterdam25 en Alkmaar26 zijn van oordeel dat er geen sprake is van rechtmatig belang indien die achterliggende vordering voorshands niet aannemelijk is,27 maar als motivering wordt ook gebruikt dat een stelling te zeer berust op vermoedens en hypotheses,28 of dat bij de voorshands vastgestelde gang van zaken er een gerede kans is dat het gestelde recht niet bewezen kan worden.29
Het hof Arnhem30 en de rechtbank Zwolle31 zijn van oordeel dat een vordering tot inzage kan worden toegewezen indien eiser voldoende heeft gesteld. De rechtbank Arnhem32 acht het voldoende indien de achterliggende grondslag (een onrechtmatige daad) voldoende is onderbouwd, de rechtbank Den Haag is van oordeel dat een gestelde onrechtmatige daad voldoende gesubstantieerd moet zijn33 en de rechtbank Maastricht is van oordeel dat het bij de vraag of er sprake is van rechtmatig belang niet noodzakelijk is dat al in rechte is vastgesteld dat er sprake is van inbreuk op het betreffende recht.34 De rechtbank Utrecht gebruikt als criterium het woord 'aanwijzingen'.35
De rechtbank Utrecht acht het voldoende indien eiser iets wenst te controleren,36 maar, zo blijkt uit andere uitspraken, dan moet wel duidelijk zijn waarom eiser dit wil controleren,37 of hetgeen eiser wil controleren moet voldoende relevant38 of concreet39 zijn of de stukken die eiser wenst in te zien moeten in verband staan met de stellingen die hij wenst te bewijzen.40
De vordering tot inzage mag niet ontijdig zijn.41 Van een bijzondere vorm van ontijdigheid kan sprake zijn bij een vordering tot inzage in medische stukken.42
Een belangenafweging kan met zich brengen dat ondanks de aanwezigheid van rechtmatig belang de vordering tot inzage toch wordt afgewezen.43
Als een vordering is verjaard bestaat er geen rechtmatig belang meer om op die vordering betrekking hebbende bescheiden in te zien44 en de wens om onderliggende motieven te onthullen levert evenmin rechtmatig belang op.45
Het rechtmatig belang is soms, aldus Ekelmans in zijn boek, al in een bijzondere wettelijke regeling gegeven. Daar waar een wettelijke bepaling in een specifiek geval recht op inzage geeft, komt volgens hem geen verdere afweging meer aan de orde. Zo heeft een werknemer wiens loon van enig gegeven uit de administratie van de werkgever afhankelijk is, op grond van art. 7:619 BW recht op inzage.46
Op grond van art. 3:15j BW kunnen erfgenamen ten aanzien van de boekhouding van de erflater openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers vorderen.47 Laatstgenoemd artikel geeft hetzelfde vorderingsrecht aan deelgenoten in een gemeenschap ten aanzien van de boekhouding betreffende de gemeenschap, vennoten ten aanzien van de boekhouding van de vennootschap en schuldeisers in het geval van faillissement48 of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de boekhouding van de failliet of de saniet.
Anders dan de woorden van Ekelmans suggereren, vindt ook bij de toepassing van art. 3:15j BW een toetsing plaats. Het artikel bepaalt immers dat de genoemde personen die de openlegging kunnen vorderen, een rechtstreeks en voldoende belang moeten hebben, waarmee dus een belangenafweging is voorgeschreven.49 Openlegging in de zin van dit artikel kan plaatsvinden door inzage, door het verschaffen van een uittreksel of anderszins.50 Het tot dusverre weinig gebruikte artikel is op twee onderdelen tekstueel ruimhartiger dan art. 843a Rv. De beperkingen van lid 4 van art. 843a Rv zijn in de tekst van art. 3:15j BW niet te vinden en er is niet bepaald dat er sprake moet zijn van een rechtsbetrekking. Dit artikel stond tot 21 mei 2003 in het Wetboek van Koophandel met dezelfde opsomming van personen die openlegging konden vorderen. In Koophandel was die opsomming limitatief. In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp waarbij dit art. 11 Kh is geschrapt en overgebracht naar art. 3:15b BW, is echter vermeld dat niet uitgesloten kan worden dat zich ook buiten de in art. 11 Kh genoemde gevallen verhoudingen kunnen voordoen waarin openlegging gevorderd kan worden, zodat het limitatieve karakter van art. 11 Kh niet is gehandhaafd.51 In dit verband is nog opvallend dat in het hele wetgevingstraject dat dit art. 3:15j BW heeft doorlopen, art. 843a Rv niet is genoemd. Het woord 'openlegging' uit art. 11 Kh is gehandhaafd omdat er volgens de minister geen goede grond bestond voor een afwijkende terminologie.52
Ekelmans noemt verder als voorbeeld van een wettelijke bepaling die in een specifiek geval recht op inzage geeft, art. 4:78 BW waarin is vermeld dat de legitimaris die niet erfgenaam is aanspraak heeft op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft53 en art. 7:433 BW, bepalende dat de agent wiens inkomen gerelateerd is aan hetgeen hij weet te verkopen, recht op inzage heeft in de nodige bewijsstukken. De agent kan echter krachtens dit artikel geen afgifte verlangen.54