Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/1.8
1.8 Afbakening
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS497416:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Snel 2012, p. 14. Alhoewel Snel bij de bespreking van diverse onderzoeksmethoden in het kader van juridisch dogmatisch onderzoek wel de rechtsvergelijking noemt (Snel 2012, p. 17).
Jong en Strikwerda, Ars Aequi 1994/05.
Jong en Strikwerda, Ars Aequi 1994/05, p. 286.
Polak, Ars Aequi 1994/05, p. 297.
Florijn 1993.
Waar Europese regelgeving en rechtspraak wel relevant is voor de werking van de Nederlandse rechtspraktijk, namelijk ten aanzien van de Richtlijn Oneerlijke bedingen (93/13/EEG) in relatie tot de gekozen open norm ‘het onredelijk bezwarend beding’, komen zij wel aan de orde.
Dit onderzoek ziet uitsluitend op de Nederlandse wetgeving en op de Nederlandse wetgevingspraktijk. Om die reden is afgezien van een rechtsvergelijkend deelonderzoek. In dit proefschrift wordt de bevinding van Snel, waar hij stelt dat rechtsvergelijkend onderzoek geen vanzelfsprekend onderdeel is van juridisch dogmatisch onderzoek, onderschreven.1 Het kiezen voor de uitvoering c.q. toevoeging van een rechtsvergelijkend onderzoek kan uit meerdere overwegingen voortkomen. Jong en Strikwerda noemen verschillende functies dan wel doelen van rechtsvergelijkend onderzoek in burgerlijke zaken.2 Voorbeelden zijn de uitleg van artikelen die hun oorsprong kennen in of ontleend zijn aan verdragen of buitenlands recht (het doel van het rechtsvergelijkende onderzoek is dan de interpretatie van de artikelen). Daarnaast kan rechtsvergelijkend onderzoek ook bij zuiver nationale regelgeving een leemte vullen of verduidelijking bieden. Volgens Jong en Strikwerda is dat de ‘zelfstandige interpretatieve betekenis’ van rechtsvergelijkend onderzoek.3
Ook Polak4 beschrijft, mede aan de hand van het proefschrift van Florijn5, een aantal functies van rechtsvergelijkend onderzoek bij de totstandkoming van wetten. De genoemde functies zijn inspiratie, versterking van motivering, harmonisatie en tot slot evaluatie.
Dit proefschrift beoogt niet een van de voornoemde doelen te vervullen. Het gaat hier om een verkennend onderzoek van open normen en de werking ervan in de Nederlandse huurrechtpraktijk. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestuderen van de toepassing van in de wetgeving van andere landen opgenomen open normen in de huurrechtpraktijk relevant is voor dit specifieke onderzoek. De beantwoording van de onderzoeksvraag wordt daarom gezocht in de op de Nederlandse wetgeving en praktijk van toepassing zijnde literatuur, wetsgeschiedenis en jurisprudentie.6 Daarnaast wordt door middel van aanvullend empirisch onderzoek, in de vorm van een enquête onder rechters, procespartijen en advocaten, verkend hoe de werking van open normen in de huurrechtpraktijk wordt beoordeeld.
Waar in dit onderzoek nader wordt ingegaan op de genoemde open normen, is bij de selectie van de geanalyseerde literatuur en rechtspraak de onderzoeksvraag steeds richtinggevend. Hoewel een substantieel deel van de beschikbare bronnen aan de orde komt, wordt niet getracht alle beschikbare beschouwingen en uitspraken zo volledig mogelijk in beeld te brengen. Zeker ten aanzien van de redelijkheid en billijkheid was enige beperking nodig. De drie gekozen open normen worden geschetst met voorbeelden ter verduidelijking van de reikwijdte en werking van de betreffende open normen. Ook hun uitwerking in het huurrecht wordt gegeven op hoofdlijnen, zonder een volledige uiteenzetting van alle vlakken waarop de redelijkheid en billijkheid haar uitwerking heeft binnen het huurrecht.
Tot slot is het onderzoek ook beperkt door de gekozen onderzoeksmethoden. Er wordt geen gebruik gemaakt van alle onderzoeksmethoden, maar de keuze wordt gemaakt voor twee methoden, waarover in de volgende paragraaf meer.