Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/9.1
Paragraaf 9.1 Inleiding
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384635:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Een ‘joint venture’ is een verzamelbegrip voor verschillende vormen van projectmatige samenwerking tussen ondernemingen, zie Stengel 2009-II, p. 1351.
Stengel 2009-II, p. 1352; Kessler & Schiffers 2009, p. 10; Raaijmakers 1976, p. XIII-XIV.
Van Veen 2013, p. 18.
Ook een CV (immers, onder eigen naam optredend) is dochtermaatschappij van de rechtspersoon die haar beherende (want alleen dan volledig aansprakelijk voor haar schulden) vennoot is. Omdat de maten van een maatschap niet volledig jegens haar schuldeisers aansprakelijk zijn en de stille maatschap bovendien niet onder eigen naam optreedt, kan de maatschap geen dochtermaatschappij zijn. Zie bijv. Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, hoofdstuk 9.
Aan die leiding moeten minimaal twee juridisch zelfstandige ondernemingen onderworpen zijn, zie Slagter 2005, p. 620 en 625.
Als een VOF gaat samenwerken met een andere vennootschap, bijvoorbeeld om gezamenlijk een aantal nieuwbouwprojecten te realiseren, kan er behoefte bestaan aan het gezamenlijk deelnemen in een samen op te richten vennootschap. Een dergelijke joint venture1 zou er als volgt uit kunnen zien:
Binnen de joint venture-vennootschap kunnen dan de krachten (o.a. knowhow, financiën) worden gebundeld en de risico’s worden verdeeld, waardoor bijvoorbeeld nieuwe (buitenlandse) markten kunnen worden betreden of grotere/ meer risicovolle projecten kunnen worden gerealiseerd, terwijl de ondernemingen (van, in bovenstaande figuur, VOF en BV) op zich verder juridisch en economisch onafhankelijk van elkaar kunnen blijven.2 Door als rechtsvorm voor de joint venture de VOF te kiezen, hebben partijen vanwege het vrijwel ontbreken van vormvoorschriften de mogelijkheid om de samenwerking in te richten naar hun wensen en behoeften én zij hebben de voordelen van de fiscale transparantie van de joint venture-vennootschap, zodat de winsten en verliezen uit de samenwerking verrekend kunnen worden met de inkomsten uit de overige vennootschappelijke werkzaamheden. Als voordelen worden voorts gezien het feit dat de vennootschapsovereenkomst niet openbaar hoeft te worden gemaakt en de afwezigheid van een taalvoorschrift.3 De vraag of een VOF vennoot kan zijn in een andere VOF beantwoord ik hierna in paragraaf 2.
Een alternatief voor de joint venture-VOF kan zijn de oprichting van een BV, waarin de gezamenlijke onderneming wordt geëxploiteerd. De samenwerkende vennootschappen kunnen de touwtjes verder in eigen handen houden door zichzelf als bestuurders aan te stellen en beide vijftig procent van de aandelen te nemen en te houden. De paragrafen 3 en 4 gaan over de benoeming van een VOF als bestuurder van een rechtspersoon respectievelijk over de VOF als aandeelhouder. In paragraaf 5 behandel ik vervolgens de vraag of een VOF lid kan zijn van een vereniging, waarna ik in paragraaf 6 afsluit met een conclusie met aanbevelingen.
Over de situatie dat een rechtspersoon vennoot is van een VOF (zie ook bovenstaande figuur) merk ik nog het volgende op. Omdat de VOF een onder eigen naam optredende vennootschap is voor wier schulden de rechtspersoon als vennoot volledig aansprakelijk is (art. 18 WvK), kwalificeert de VOF op grond van art. 2:24a lid 2 BW als dochtermaatschappij van die rechtspersoon.4 Als een VOF tot een economische eenheid behoort, waarin vennootschappen organisatorisch zijn verbonden en onder centrale leiding staan,5 dan is zij groepsmaatschappij (art. 2:24b BW). Als een VOF kwalificeert als dochter- en/ of als groepsmaatschappij, dan zijn de bepalingen uit Boek 2 BW die zien op dochter- en groepsmaatschappijen ook op haar van toepassing.