Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.1.3
3.2.1.3 Het afgescheiden vermogen en art. 3:276 BW
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383396:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Een kwaliteitsrekening is een bijzondere rekening die op naam staat van bijvoorbeeld een notaris die het uitsluitende beheer en beschikking heeft over de rekening maar geen rechthebbende is op het daaruit voortvloeiende vorderingsrecht op de bank. Zij die het geld op de rekening doen storten, zijn de rechthebbenden. De vordering vormt een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW(HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, r.o. 3.3, NJ 2002/371, m.nt. H.J. Snijders (Koren/Tekstra q.q.)) en een van het overige vermogen van de rechthebbenden afgescheiden vermogen. Zie ook HR 3 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4750, NJ 1984/752, m.nt. W.M. Kleijn (Slis/Stroom); HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372, m.nt. A.I.M. van Mierlo; HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn (Beatrixziekenhuis/Procall); parlementaire behandeling van de Wet op het Notarisambt, Kamerstukken II 1996/97, 23 706, 12, p. 26 (NV II) en Steneker 2005.
Deze mening is Steneker 2005, p. 167 toegedaan, die zich daarvoor baseert op de Toelichting Meijers bij art. 3:276 BW.
Raaijmakers 2009.
Huizink 2011, p. 58-59; Van Mourik 2011, p. 13.
Art. 3:276 BW bepaalt dat een schuldeiser zich kan verhalen op ‘alle goederen van zijn schuldenaar’. Men kan zich afvragen of:
het afgescheiden vermogen de ‘normale’ rangorde van schuldeisers van art. 3:276 e.v. BW doorbreekt (dus: de schuldenaar heeft één vermogen waartoe zowel privégoederen als een aandeel in een afgescheiden vermogen behoren en ten aanzien van dat laatste aandeel gaan zaakscrediteuren voor privécrediteuren)
de schuldenaar twee vermogens heeft, waarop art. 3:276 e.v. BW afzonderlijk wordt toegepast (dus: ten aanzien van (de aandelen in) het afgescheiden vermogen bepaalt art. 3:276 e.v. BW alleen de rangorde voor zaaksschuldeisers; ten aanzien van het privévermogen bepaalt art. 3:276 e.v. BW de rangorde voor alle schuldeisers die zich op dat vermogen kunnen verhalen. In het laatste geval bestaat de groep van schuldeisers uit zowel ‘gewone’ privécrediteuren als zaakscrediteuren die zich naast het afgescheiden vermogen óók op het privévermogen kunnen verhalen).
Het antwoord op deze vraag wordt relevant als een vennoot failliet gaat en men voor de vraag komt te staan of de vennoot alleen de bevoegdheid tot beschikking over zijn privévermogen heeft verloren, of ook over ‘het afgescheiden vermogen’. Het faillissement omvat op grond van art. 20 Faillissementswet namelijk het gehele vermogen van de schuldenaar. Met het antwoord op deze vraag hangt samen de bevoegdheid van de in het faillissement van de vennoot benoemde curator: beperkt de rol van de curator zich tot het privévermogen (bij optie b) of strekt zijn rol zich ook uit tot het afgescheiden vermogen (bij optie a). Op de verdere gevolgen van faillissement van een vennoot ga ik in paragraaf 5 in.
Steneker betoogt in zijn proefschrift over de kwaliteitsrekening1 dat art. 3:276 BW is geschreven vanuit de veronderstelling dat alle goederen van de schuldenaar tot één en hetzelfde vermogen behoren en dat het dus voor de hand ligt dat, met de aanvaarding dat een schuldenaar rechthebbende kan zijn van meer vermogens, art. 3:276 BW wordt toegepast op ieder vermogen afzonderlijk, als gevolg waarvan ieder vermogen zijn eigen regels heeft met betrekking tot verhaal.2 Optie b) dus. Ook Raaijmakers stelt zich op het standpunt dat art. 3:276 BW afzonderlijk geldt voor de personenvennootschap, omdat haar vermogen een algemeenheid van goederen en schulden vormt die is afgescheiden van de privévermogens van haar vennoten en strekt tot verhaal van haar schuldeisers.3
Huizink en Van Mourik menen daarentegen dat door het afgescheiden vermogen de normale rangorde van schuldeisers wordt doorbroken (optie a).4 Huizink stelt daarbij dat het afgescheiden vermogen geen voorrang schept, die immers slechts op de wijzen van art. 3:278 BW kan ontstaan, maar een vorm is van de nauwelijks wettelijk geregelde figuur van achterstelling. Tot ‘alle goederen’ van een vennoot behoren in deze visies dan ook de aandelen in de vennootschappelijke goederen.
Ik meen dat er onvoldoende gronden zijn om aan te nemen dat afgescheiden vermogen en privévermogen voor de toepassing van art. 3:276 e.v. BW als afzonderlijke vermogens mogen worden beschouwd zoals beschreven onder optie b. Een dergelijke scheiding tussen privé- en zaaksvermogen zou de VOF een eigen vermogen toekennen, hetgeen haar feitelijk tot rechtspersoon zou maken. De rechtspersoonlijkheid van de VOF hebben Hoge Raad en wetgever nu juist niet willen erkennen. De voorrang van zaakscrediteuren ten opzichte van privécrediteuren (of: de achterstelling van privécrediteuren ten opzichte van zaakscrediteuren) doorbreekt mijns inziens dus de normale paritas creditorum, die zonder deze voorrang tussen hen zou bestaan.