Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.4:3.3.4 BGH 11 maart 1964, BGHZ 41, 209
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.4
3.3.4 BGH 11 maart 1964, BGHZ 41, 209
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491172:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Oostrom-Streep 2006, p. 198 (vgl. p. 193-196).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
29. Een uitspraak van het Bundesgerichtshof van 11 maart 1964 gaat over de vraag of de eigenaar van een Grundstück ten gunste van zichzelf een beschränkte persönliche Dienstbarkeit (§1090 BGB) kan vestigen op zijn eigen zaak. Dat is een erfdienstbaarheid die niet is verbonden aan de eigendom van een heersend erf, maar toekomt aan een persoon. In zoverre vertoont de beschränkte persönliche Dienstbarkeit overeenkomsten met een kwalitatieve verplichting (art. 6:252 BW).1
Een echtpaar is eigenaar van een huis dat ligt in een villawijk. Zij verhuren de woning aan een zekere dr. B, die daar een privékliniek heeft. Bij de bouw van de villawijk heeft de projectontwikkelaar – die toen eigenaar was van alle percelen – ten gunste van zichzelf beschränkte persönliche Dienstbarkeiten gevestigd op alle afzonderlijke percelen. Die Dienstbarkeiten houden kort gezegd in dat de percelen geen commerciële bestemming mogen krijgen. Daarmee wilde de projectontwikkelaar het woonkarakter van de wijk veiligstellen.
De projectontwikkelaar maakt op grond van de Dienstbarkeit bezwaar tegen het gebruik van de woning als privékliniek. Het echtpaar betwist echter de geldigheid van de Dienstbarkeit, omdat de projectontwikkelaar deze ten gunste van zichzelf op zijn eigen zaak heeft gevestigd. Het Bundesgerichtshof verwerpt het verweer van het echtpaar. Hiertoe verwijst het gerecht allereerst naar de hiervoor besproken uitspraak uit 1933. Uit die uitspraak blijkt dat het BGB de vestiging van beperkte rechten op een eigen zaak niet uitsluit. Het streven het Grundbuch vrij te houden van onnodige inschrijvingen, vormt voor het Bundesgerichtshof evenmin een obstakel. De kosten voor een inschrijving vormen een voldoende belemmering tegen onnodige inschrijvingen. De vestiging van een beschränkte persönliche Dienstbarkeit ten gunste van de eigenaar is daarom mogelijk, als dat gebeurt met het oog op een voorgenomen vervreemding van het perceel, aldus het rechtscollege. Daaruit blijkt een belang bij de vestiging van het beperkte recht. Het is volgens het Bundesgerichtshof niet nodig dat de vestiging van het beperkte recht, de enige manier is waarop het daarmee beoogde doel kan worden bereikt. Evenmin behoeft de eigenaar een economisch belang te hebben bij de vestiging van het beperkte recht. Het mag ook een ideëel belang zijn. De Dienstbarkeit behoeft bovendien niet in het belang van de gerechtigde zelf gevestigd te worden. Een belang van een derde is ook toegestaan, dat de gerechtigde voor hem behartigt.
In deze uitspraak koppelt het Bundesgerichtshof dus de mogelijkheid een beperkt recht op een eigen zaak te kunnen vestigen aan de aanwezigheid van een belang bij het beperkte recht.