Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.6.3.3
2.6.3.3 Wijze van horen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652347:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. OK 27 december 2010 (r.o. 1.4-1.9), ARO 2011/8 (LdB Ogilvy & Mather); OK 13 februari 2012 (r.o. 1.3-1.8), ARO 2012/32 (Elpak); OK 28 juni 2012 (r.o. 1.4-1.10), JOR 2012/320, m.nt. R.P. Jager (Meavita).
HR 31 januari 1996 (r.o. 3.1), NJ 1996/431, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS).
Zie voor beschikkingen waarin de Ondernemingskamer partijen een reactietermijn van een week gaf bijv. OK 19 februari 2007 (r.o. 1.4), ARO 2007/50 (BWI Beheer); OK 23 januari 2008 (r.o. 1.4), ARO 2008/25 (Masselink); OK 21 oktober 2010 (r.o. 1.5), ARO 2010/160 (Cancun). In bijv. OK 12 juli 2004 (r.o. 1.5), ARO 2004/98 (Van Doorn); OK 12 oktober 2007 (r.o. 1.4), ARO 2007/167 (Begemann); OK 24 november 2015 (dictum), ARO 2016/13 (Fayrefield) bood de Ondernemingskamer partijen een iets langere termijn, van zo’n anderhalve week tot twee weken.
OK 17 juli 2009, ARO 2009/122 (Ing. Bloem Bouwadvies en Planningburo).
Vgl. Jager (onder 2) in zijn annotatie bij OK 28 juni 2012 (tussenbeschikking) en 27 juli 2012 (eindbeschikking), JOR 2012/320 (Meavita), die opmerkt dat de Ondernemingskamer partijen in de regel een termijn biedt om te reageren op het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget, en dat de uitzonderingsgevallen waarin dit niet gebeurt of in ieder geval niet uit de beschikking van de Ondernemingskamer volgt schaars zijn. Van schaarste blijkt echter niet uit de jurisprudentie. Zie bijv. OK 19 december 2003 (r.o. 1.4), ARO 2004/7 (Erts Jura Investments); OK 29 september 2009, ARO 2009/152 (FOCWA); OK 28 februari 2017 (r.o. 1.4), ARO 2017/77 (Celebration).
Hermans 2017, p. 176-177.
Vgl. HR 26 juni 2009 (r.o. 3.4), NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen; JOR 2009/193, m.nt. J.J.M. van Mierlo (KPNQwest).
Zie ook Hermans 2017, p. 177.
HR 31 oktober 2014 (r.o. 3.4.1-3.4.2), NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser (Verhoeven c.s./Staat).
HR 10 januari 1990 (r.o. 6.1), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem). Zie ook HR 4 juni 1997 (r.o. 4.4.2-4.4.3), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite), bevestigd in EHRM 19 maart 2002 (onder ‘The Law’, r.o. 1), JOR 2002/127, m.nt. H.J. de Kluiver (Text Lite); OK 19 juni 1997 (r.o. 3.4-3.6), NJ 1997/673, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1997/671); JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Bobel); OK 22 maart 2005 (r.o. 3.13), JOR 2005/176 (Van Doorn).
Vgl. OK 19 december 2005 (r.o. 1.3), ARO 2006/18 (TCA).
Zie bijv. OK 28 november 2012, ARO 2012/167 (Living City Property Performance).
Zie bijv. OK 17 juli 2009, ARO 2009/122 (Ing. Bloem Bouwadvies en Planningburo); OK 27 juli 2012, ARO 2012/121 (Greenchoice); OK 23 oktober 2012, ARO 2012/153 (De Orthopedische Schoenmakerij).
OK 23 mei 2013, JOR 2013/240, m.nt. P.D. Olden (Greenchoice).
OK 21 juni 2013, ARO 2013/109 (Greenchoice).
De Ondernemingskamer stelt partijen steeds in de gelegenheid zich uit te laten over een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget. Zij geeft invulling aan haar uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeiende hoorplicht door bij de enquêteprocedure betrokken partijen – de enquêteverzoeker, de rechtspersoon en belanghebbenden – eerst bij schrijven van de secretaris van de Ondernemingskamer in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk over het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget uit te laten. Formuleren deze procespartijen bezwaren tegen het verhogingsverzoek, dan stelt de Ondernemingskamer de onderzoeker soms in de gelegenheid daarop schriftelijk te reageren en naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden te begroten. Licht de onderzoeker zijn verzoek toe, dan worden partijen opnieuw in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget uit te laten, schriftelijk dan wel mondeling.1
Omdat de Ondernemingskamer ‘met de meeste spoed’ op een verhogingsverzoek dient te beslissen,2 ligt het voor de hand dat (de secretaris van) de Ondernemingskamer partijen een beperkte termijn biedt om schriftelijk te reageren op het verzoek tot verhoging van de kosten van het onderzoek. De Ondernemingskamer biedt procespartijen doorgaans een termijn van één à twee weken.3 In een enkel geval bood de Ondernemingskamer partijen een kortere reactietermijn, in Ing. Bloem Bouwadvies en Planningburo slechts twee dagen.4 De Ondernemingskamer expliciteert de geboden reactietermijn niet steeds in haar beschikkingen – wat niet noodzakelijkerwijs betekent dat de reactietermijn niet nader wordt bepaald.5
Het lijkt mij goed als de Ondernemingskamer partijen standaard een termijn biedt om te reageren op het verhogingsverzoek en de geboden termijn ook expliciteert in haar beschikking. Een standaardtermijn van veertien dagen als door Hermans voorgesteld acht ik niet nodig.6 Beter lijkt het mij dat de Ondernemingskamer afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en het belang van het onderzoek, alsmede de ingewikkeldheid en urgentie daarvan, partijen een termijn biedt om te reageren op het verhogingsverzoek.7 De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een reactietermijn van bijvoorbeeld een week voldoende is. Een reactietermijn van twee dagen als in Ing. Bloem Bouwadvies en Planningburo lijkt echter in vrijwel alle gevallen te kort. Van een correcte toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor kan dan geen sprake zijn.8
Het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget wordt ingediend bij verzoekschrift. Ook in de verzoekschriftprocedure is een mondelinge behandeling uitgangspunt. Volgens de Hoge Raad in Verhoeven c.s./Staat is:
‘Het – niet onbegrensde – recht van partijen hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten, (…) een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht, dat is neergelegd in art. 134 Rv [(oud), PB] en ook voortvloeit uit art. 6 EVRM (…).’9
De enquêteprocedure is een bijzondere verzoekschriftprocedure, waarin art. 6 EVRM slechts beperkte gelding heeft. Art. 6 EVRM is enkel van toepassing op de procedure voor de rechter en niet op de werkwijze van de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker.10 Omdat het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget (weliswaar door de onderzoeker) wordt gericht aan de Ondernemingskamer, is naar mijn mening op dit onderdeel sprake van een procedure voor de rechter, beheerst door art. 6 EVRM. Op grond van Verhoeven c.s./Staat zal het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget dus in beginsel ter zitting mondeling moeten worden behandeld. Formuleren procespartijen bezwaren tegen het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget, dan is een mondelinge behandeling van het verzoek in ieder geval vereist. De Ondernemingskamer moet daar standaard toe overgaan; partijen hoeven hier niet uitdrukkelijk om te verzoeken.11 Geven alle bij de enquêteprocedure betrokken partijen te kennen geen bezwaren te hebben tegen een verhoging van het onderzoeksbudget, dan kan daaruit mijns inziens worden afgeleid dat partijen instemmen met het achterwege laten van een mondelinge behandeling.
Bij de enquêteprocedure betrokken partijen kunnen ook verzoeken de mondelinge behandeling achterwege te laten. Reageren procespartijen niet op de uitnodiging van de secretaris van de Ondernemingskamer waarmee zij in de gelegenheid worden gesteld zich over het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget uit te laten, dan moet een mondelinge behandeling van het verzoek wel plaatsvinden. Uit hun stilzwijgen kan niet worden afgeleid dat partijen instemmen met het achterwege laten van een mondelinge behandeling.
De Ondernemingskamer gelast niet standaard een mondelinge behandeling van het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget. Geven de bij de enquêteprocedure betrokken partijen schriftelijk te kennen geen bezwaren te hebben tegen het verhogingsverzoek, dan laat de Ondernemingskamer een mondelinge behandeling (terecht) achterwege.12 Blijft een reactie van procespartijen uit, dan gelast de Ondernemingskamer evenmin een mondelinge behandeling13 – ten onrechte mijns inziens, omdat uit het stilzwijgen van partijen niet kan worden afgeleid dat zij instemmen met het achterwege laten van een mondelinge behandeling van het verhogingsverzoek.
Ook als procespartijen te kennen geven bezwaren te hebben tegen het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget, gaat de Ondernemingskamer niet altijd over tot een mondelinge behandeling. In Greenchoice werden schriftelijke bezwaren geuit tegen het verhogingsverzoek, waarop de Ondernemingskamer terecht een mondelinge behandeling gelastte. De Ondernemingskamer oordeelde dat de onderzoeker onvoldoende inzicht had verschaft in de kosten van de tot dan toe verrichte werkzaamheden en de omvang van de nog te verrichten werkzaamheden tot aan de deponering van het onderzoeksverslag en bood de onderzoeker een week de tijd om hierin voldoende inzicht te verschaffen.14 De onderzoeker heeft zijn verhogingsverzoek hierop verder verantwoord en partijen zijn vervolgens enkel schriftelijk in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Partijen is geen gelegenheid geboden nog een mondelinge toelichting te geven op hun bezwaren.15 Een en ander acht ik niet in overeenstemming met het beginsel van hoor en wederhoor. Partijen moeten mondeling worden gehoord, tenzij zij te kennen geven geen bezwaren te hebben tegen het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.