Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3.2.0
8.3.2.0 Introductie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284651:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Er zullen altijd uitzonderingen zijn. Sommige besluiten zullen ook strekken tot bescherming van derden die strikt genomen geen aanvrager of materieel begunstigde zijn. Zo kan een mantelzorger in het kader van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) hulp aanvragen van een mantelzorgmakelaar ten behoeve van de aanvraag van een persoonsgebonden budget. Die mantelzorgmakelaar wordt uiteindelijk ingeschakeld ten behoeve van de verzorgde. In die gevallen zal het besluit tot verlening van die hulp daarom volgens mij ook strekken tot bescherming van de verzorgde ook al is die laatste niet de aanvrager of (direct) materieel begunstigde. Hetzelfde geldt mijns inziens voor kindgebonden toeslag. De ouder vraagt de toeslag aan en ontvangt deze. De toeslag strekt uiteraard mede tot bescherming van het kind.
De Pijper 2009, aant. 1.1 geeft een fraai overzicht van de geschiedenis van de werkloosheidswetgeving en haar doelstellingen.
De CRvB formuleert de doelstelling van de arbeidsongeschiktheidswetgeving als volgt: “De arbeidsongeschiktheidswetgeving strekt ertoe personen die ten gevolge van ziekte of gebrek geen of minder inkomsten uit arbeid kunnen verwerven, een inkomensvervangende uitkering te verstrekken.” (CRvB 4 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4752, JB 2005/179, m.nt. R.J.N. Schlössels (A/UWV)). Zie ook bijv. Kronenburg-Willems 2009, aant. 1.2.
614. In §5.2.1 onderscheidde ik verder aanvragen tot verkrijging van een op het publiekrecht gegrond recht, zoals uitkeringen, subsidies, verblijfsrechten etc. Ik noemde dit publiekrechtelijke subjectieve rechten. In deze stelsels gaat dat recht dus niet vooraf door een algemeen verbod waarvan vrijstelling verleend wordt.
615. Ook voor deze aanvragen geldt dat de overheid daarop zo snel mogelijk – dus bij besluit in primo – conform het recht moet beslissen. Over het doel en strekking van de zorgvuldigheidsnorm laat zich mijns inziens op basis van de daarachter schuilgaande noties en beginselen voor de hierboven bedoelde besluiten in abstracto het volgende vaststellen.
616. Ten eerste wil de norm zoveel mogelijk garanderen dat de aanvrager zo snel mogelijk datgene krijgt waarop het subjectieve publiekrechtelijke recht de aanvrager beoogt aanspraak te geven en daarmee datgene kan gaan doen waartoe publiekrechtelijke subjectieve recht in het leven is geroepen. Dat is geen ingewikkelde notie: de aanvrager verzoekt immers juist met het oog daarop om het besluit. Dat ligt ook in lijn met de conclusies uit §8.3.1, waarin ter sprake kwam dat de zorgvuldigheidsnorm de aanvrager de gelegenheid wil bieden gebruik te maken van de mogelijkheden die het begunstigende besluit biedt.
617. Ten tweede wil de norm zoveel mogelijk bewerkstellingen dat de aanvrager beschermd wordt tegen hetgeen waarvoor het verzochte recht de aanvrager wil behoeden. Dat ligt in het verlengde van het eerste punt: als het besluit de aanvrager een bepaalde aanspraak wil geven, dan wil de norm de aanvrager die aanspraak zo snel mogelijk geven, als het besluit door toekenning van een recht bepaalde bescherming wil bieden, dat strekt de zorgvuldigheidsnorm ertoe dat de aanvrager die bescherming ook daadwerkelijk zo snel mogelijk geniet. Deze algemene noties bepalen volgens mij in belangrijke mate hoe de driestapstoets werkt bij toepassing van de zorgvuldigheidsnorm op aanvragen om een publiekrechtelijk subjectief recht.
618. Ik toets hierna ten bewijze van de hogere voorspelbaarheid en consistentie van de door mij geformuleerde zorgvuldigheidsnorm en het driestapsmodel weer aan verschillende uitspraken die in de literatuur vanwege hun onduidelijkheid of inconsistentie zijn bekritiseerd. Als de norm en het model die uitspraken consistenter en voorspelbaarder weten te verklaren, dan draagt dat bij aan het gezochte bewijs.
Persoonlijke relativiteit
619. De persoonlijke relativiteit is weer eenvoudig. De norm strekt als uitgangspunt1 enkel tot bescherming van de aanvrager of materieel begunstigde van het besluit. Dat is immers degene die de aanvraag doet of wie het besluit begunstigt. De norm strekt dus op de voet van art. 6:163 BW als uitgangspunt niet tot bescherming van anderen dan de aanvrager of de materieel begunstigde.
Zakelijke en intredingsrelativiteit
620. Voor de zakelijke en intredingsrelativiteit is in het licht van de hierboven genoemde algemene noties met name het oogmerk van het publiekrechtelijke subjectieve recht relevant. Zulke rechten worden in de regel met redelijk duidelijk omlijnde (maatschappelijke) doelen verstrekt. Een subsidie strekt ertoe financiële middelen te verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager (art. 4:21 Awb). Een WW-uitkering strekt ertoe te voorkomen dat de burger gedurende een periode van werkloosheid in financieel te zwaar weer terecht komt en daardoor niet kan voorzien in zijn algemene levensonderhoud (betaling huur, eten etc.).2 Een WAO- of WIA-uitkering wil eveneens een voorziening bieden voor het algemene levensonderhoud.3 Deze uitkeringen vinden hun diepere grondslag in de gedachte dat de fysieke en psychische gezondheid van burgers zo cruciaal is dat zieke burgers niet mogen worden gedwongen te werken voor zover dat medisch of psychisch niet verantwoord is. Zij willen verergering van ziektes voorkomen. Reïntegratietrajecten zijn daarom bijvoorbeeld met strenge eisen omkleed.