Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.4.2.4
9.4.2.4 De procespositie van de beleggers die hun aandelen tot ten minste na de officiële corrigerende mededeling hebben aangehouden
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook De Jong 2010, p. 287.
Zie hierover het vierde scenario in hoofdstuk 4.
Zie over dit probleem ook § 8.4.2.5. Zie in dit verband ook De Jong 2016b, § 4.5.
Wel wijs ik erop dat wanneer de event study in eerste instantie geen statistisch significante koersdaling oplevert, en de analyse naar het koerseffect van de misleiding vervolgens op de hier genoemde wijze wordt verfijnd, dit nieuwe (en derhalve extra) onzekerheden met zich mee kan brengen.
Zie in dit verband § 8.4.2.3 sub b.
Verder zou ook het analyseren van ontwikkelingen in het handelsvolume van het litigieuze aandeel kunnen helpen bij het opsporen van (het bekend worden van) de koersinflatie. Ik verwijs naar § 8.4.2.3 sub b, en de aldaar aangehaalde literatuur.
Zie in dit verband § 8.4.2.4 sub a en sub b.
Zie op dit punt kritisch over het Amerikaanse recht vanwege de zwaarwegende rol die aan de (uitkomst van de) event study wordt toegekend bij het bewijs van de koersinvloed van de misleidende informatie Brav & Heaton 2015, p. 586-587. Zie in dit verband ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 613-614; Hakala 2017, p. 24.
Zie over de relevantie van dit onderscheid voor het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1554-1562.
De meest voor de hand liggende manier om dit aan te tonen is door een event study uit te voeren rondom het tijdstip waarop de misleidende mededeling werd gedaan.
Zie over dit scenario in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1558.
Vgl. in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1557.
In het vervolg van § 9.4.2.4-§ 9.4.2.5 zal ik simpelweg refereren aan ‘het tijdstip waarop de misleidende mededeling werd gedaan’ en zal ik daar niet steeds aan toevoegen ‘c.q. het tijdstip waarop de litigieuze informatie werd achtergehouden’.
Zie over dit scenario in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1558.
Zie over dit probleem § 8.4.2.2.
Vgl. in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1558.
Fox spreekt in dit verband van de ‘self-evident importance’ van de misleidende mededeling, zie Fox 2005b, p. 1558.
Een alternatieve manier om aan deze bewijsopdracht te voldoen, is door een ervaren aandelenanalist of andersoortige financieel-economische expert als (partij-)deskundige op te roepen en hem – op basis van zijn kennis, ervaring en/of intuïtie – gemotiveerd te laten verklaren dat de litigieuze informatie inderdaad van het soort is dat normaal gesproken als relevant wordt aangemerkt, en dat dit type informatie de koers normaal gesproken inderdaad beïnvloedt. Zie in dit verband bijvoorbeeld de Amerikaanse uitspraak United States v. Schiff, 602 F.3d 152, 172 & n.26 (3d Cir. 2010). Vgl. in dit verband Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 619-620.
Zie over de techniek van content analysis § 8.4.2.4 sub a, en zie ook de aldaar aangehaalde literatuur.
Ik wijs erop dat het niet noodzakelijk is om de analyse te beperken tot persberichten en analistenrapporten die zijn verschenen over de onderzochte beursvennootschap. Desgewenst kunnen ook persberichten en analistenrapporten die betrekking op vennootschappen die vergelijkbaar zijn met de onderzochte vennootschap en die afkomstig zijn uit dezelfde sector (zogenoemde ‘peers’) in de analyse worden betrokken.
Aldus Fox 2005b, p. 1158.
Dit empirisch bewijs kan worden verkregen door met behulp van een event study te toetsen in hoeverre de publicatie van dit type informatie – gemiddeld genomen – resulteert in een statistisch significant abnormaal rendement. Ik wijs erop dat – in tegenstelling tot het type event study dat in het onderhavige onderzoek centraal staat en dat betrekking heeft op één enkel event bij één enkele vennootschap (de zogenoemde ‘single-firm, single-event study’) – het hier om een event study gaat die betrekking heeft op meerdere events. Evenals gold voor de eerdergenoemde content analysis, geldt ook voor deze event study dat de analyse zich niet hoeft te beperken tot de (residuele) koersreacties die zijn gemeten bij de onderzochte beursvennootschap. Ook de koersreacties die plaatsvonden naar aanleiding van de publicatie van dit type informatie bij peers van de onderzochte vennootschap, mogen in de analyse worden betrokken. In dat geval spreekt men van een ‘multiple firms, multiple events study’.
Vgl. in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1558.
De vaststelling dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, betekent in het scenario waarin de markt wordt misleid teneinde een negatieve verrassing te voorkomen, dat bij afwezigheid van de misleiding een (residuele) koersdaling zou zijn gemeten.
Een alternatieve manier om aan deze bewijsopdracht te voldoen, is door een ervaren aandelenanalist of andersoortige financieel-economische expert als (partij-)deskundige op te roepen en hem – kennis, ervaring en/of intuïtie – gemotiveerd te laten verklaren dat in het concrete geval aan de litigieuze informatie inderdaad belang werd gehecht, zodat aannemelijk is dat de litigieuze informatie de koers daadwerkelijk heeft beïnvloed. Zie in dit verband bijvoorbeeld de Amerikaanse uitspraak United States v. Schiff, 602 F.3d 152, 172 & n.26 (3d Cir. 2010). Vgl. in dit verband Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 619-620.
Voor zover dat mogelijk is (in de zin van hanteerbaar en uitvoerbaar), is het uiteraard verstandig om ook berichten die in de social media over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen, in de analyse te betrekken.
Vgl. in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1558.
Voor een bespreking van de hier genoemde scenarios’s verwijs ik naar hoofdstuk 4.
Ik wijs erop dat wanneer zich in werkelijkheid één van de eerste twee genoemde scenario’s heeft voorgedaan, het voortijdig uit de koers lopen van de koersinflatie in het ideale geval al zou worden gedetecteerd in het kader van de hierboven sub b bedoelde analyse.
Zie vorige voetnoot.
Voor de wijze waarop de beleggers aannemelijk kunnen maken dat de marktwaarde van de misleidende informatie (en daarmee de koersinflatie) onder invloed van externe factoren is afgenomen, verwijs ik naar de in § 8.4.3.2 besproken technieken.
Opgemerkt zij dat wanneer de beleggers aannemelijk proberen te maken dat de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding geleidelijk is afgenomen omdat de marktwaarde van de misleidende informatie (onder invloed van externe factoren) geleidelijk afnam, zij daarmee mijns inziens meteen de gedaagde munitie in handen geven voor een toerekeningsverweer ex art. 6:98 BW. Op grond van het materiële recht geldt naar mijn oordeel immers dat voor zover het door de beleggers geleden koersverlies is terug te voeren op een afnemende marktwaarde van de misleidende informatie, dit niet aan de gedaagde kan worden toegerekend. Ik verwijs naar § 5.5.2.3 sub a en sub b.
Opgemerkt zij dat wanneer de beleggers aannemelijk proberen te maken dat de koersinflatie na verloop van tijd is verdwenen omdat de litigieuze informatie op een zeker moment niet langer misleidend was, zij daarmee mijns inziens meteen de gedaagde munitie in handen geven voor een toerekeningsverweer ex art. 6:98 BW. Op grond van het materiële recht geldt naar mijn oordeel immers dat voor zover het door de beleggers geleden koersverlies is terug te voeren op het feit dat de litigieuze informatie gaandeweg minder misleidend werd, dit niet aan de gedaagde kan worden toegerekend. Ik verwijs naar § 7.2.3.
Dit inzicht heb ik ontleend aan Fox 2005b, p. 1558.
Ik benadruk dat wat het bewijs betreft dat de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding is afgenomen het hier besproken scenario verschilt van het hiervóór in onderdeel 1.A besproken scenario. In het laatstgenoemde scenario geldt namelijk dat wanneer de eisende beleggers eenmaal hebben aangetoond dat de misleidende informatie een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gedaan, in principe in het geheel niet meer relevant is hoe en wanneer de koersinflatie precies uit de koers is gelopen, terwijl in het hier besproken scenario in principe nog wél relevant is – doch in beperkte mate relevant – hoe en wanneer de koersinflatie uit de koers is gelopen als de beleggers de eerste bewijshindernis (de eerdergenoemde stap 1) eenmaal hebben genomen. Het hier aangeduide verschil hangt samen met het feit dat in het in onderdeel 1.A besproken scenario het bewijs van de stelling dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, op directe wijze wordt geleverd, terwijl in het hier besproken scenario dit bewijs op een meer indirecte wijze wordt geleverd.
Zie hoofdstuk 4, appendix; § 6.3.5; § 8.4.2.5. Zie ook § 9.3.3.3 sub c.
Zie over dit onderscheidingsgeval in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, 1561.
Vgl. in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1561.
Zie Fox 2005b, p. 1561.
Ik benadruk dat de hier bedoelde periode slechts een deel beslaat van het totale tijdvak van de misleiding.
Dit inzicht heb ik ontleend aan Fox 2005b, p. 1561.
Vgl. Fox 2005b, p. 1561.
Zie over deze kwestie in het kader van het bewijs van loss causation naar Amerikaans recht Fox 2005b, p. 1562-1563.
Aldus Fox 2005b, p. 1562.
Idem.
a. Inleiding
In de situatie waarin uit de event study blijkt dat de corrigerende mededeling resulteerde in een (statistisch significante) residuele koersdaling, en waarin de eisende beleggers hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden, levert het bewijs van causaal verband (in de zin van het csqn-verband) tussen de misleiding en de door de beleggers gestelde koersschade niet al te veel problemen op. Ervan uitgaande dat de event study op correcte en zorgvuldige wijze is uitgevoerd, biedt de (uitkomst van de) event study in dat geval in beginsel immers sluitend bewijs voor het feit dat de beleggers het litigieuze aandeel tegen een geїnflateerde koers heeft gekocht, en zij nog aandeelhouder waren toen de inflatie uit de koers liep. In de situatie daarentegen waarin uit de event study niet blijkt dat de corrigerende mededeling resulteerde in een (statistisch significante) residuele koersdaling en/of waarin de eisende beleggers hun aandelen niet tot na de corrigerende mededeling hebben aangehouden, kan het bewijs van causaal verband wél problematisch zijn. Resulteerde de corrigerende mededeling immers niet in een statistisch significante koersdaling, dan vormt dat op zichzelf een aanwijzing voor het feit dat de misleidende informatie de koers niet heeft beïnvloed, en het causaal verband derhalve ontbreekt. De eisende beleggers zullen in dat geval dus op een andere manier aannemelijk moeten (proberen te) maken dat – ondanks het uitblijven van een statistisch significante koersdaling naar aanleiding van de corrigerende mededeling – de door hen gestelde koersschade in causaal verband staat met de misleiding.1 En ook wanneer de eisende beleggers hun aandelen reeds vóór de corrigerende mededeling hebben verkocht kan het causaliteitsbewijs problematisch zijn, aangezien de koersdaling die al dan niet intrad naar aanleiding van de corrigerende mededeling in dat geval op geen enkele wijze indicatief is voor het antwoord op de vraag of deze beleggers als gevolg van de misleiding koersschade hebben geleden. Ook de beleggers die hun aandelen tussentijds hebben verkocht zullen het causaal verband dus op een andere manier aannemelijk moeten maken. Het zijn de hier gesignaleerde bewijsproblemen die in § 9.4.2.4 en § 9.4.2.5 centraal staan. In § 9.4.2.4 behandel ik eerst de procespositie van de beleggers die hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden voor het scenario waarin de corrigerende mededeling geen statistisch significante koersdaling tot gevolg had. In § 9.4.2.5 bespreek ik daarna de procespositie van de beleggers die hun aandelen reeds vóór de corrigerende mededeling hebben verkocht.
Voor het vervolg van § 9.4.2.4 doe ik een aantal aannames. Deze aannames doe ik, omdat onnodige complicaties in de analyse daarmee worden voorkomen. Tegelijkertijd zijn de aannames niet zodanig onrealistisch dat zij afbreuk doen aan de praktische relevantie van mijn betoog. In de eerste plaats ga ik ervan uit dat de litigieuze effecten op een efficiënte markt worden verhandeld. In de tweede plaats neem ik aan dat de vennootschap op een zeker moment een officiële corrigerende mededeling publiceert, waarin zij kenbaar maakt het beleggende publiek in het verleden verkeerd te hebben voorgelicht. In de derde plaats wordt aangenomen dat de koers over het tijdvak gelegen tussen het tijdstip waarop de misleidende mededeling voor de eerste keer werd gedaan (c.q. het tijdstip waarop de litigieuze informatie voor de eerste keer werd achtergehouden) en het tijdstip van de corrigerende mededeling (hierna: ‘het tijdvak van de misleiding’), een dalend verloop kent.
b. Is de uitkomst van de event study dat de corrigerende mededeling niet resulteerde in een statistisch significante koersdaling, dan moet eerst de event study worden herzien
Wanneer de uitkomst van de event study is dat de officiële corrigerende mededeling niet resulteerde in een statistisch significante (residuele) koersdaling, hoeft dat nog niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de misleidende informatie geen koerseffect had. Zo is bijvoorbeeld denkbaar dat de misleiding door middel van een lek (resulterend in handel met voorkennis en/of geruchtenvorming) voortijdig naar buiten is gekomen of dat de markt op eigen kracht tot een juiste voorstelling van zaken is gekomen.2 In beide gevallen is de koersinflatie reeds voor de officiële corrigerende mededeling uit de koers gelopen, zodat op het moment van de corrigerende mededeling geen (statistisch significante) koersdaling meer wordt geobserveerd. Ook is denkbaar dat de corrigerende mededeling werd gecombineerd (of toevalligerwijs samenviel) met de publicatie van andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie die positief van aard was, waardoor het negatieve koerseffect van (het bekend worden van) de litigieuze informatie door het positieve koerseffect van de andere bedrijfsspecifieke informatie teniet werd gedaan. Het voorgaande maakt duidelijk dat wanneer enkel op basis van het uitblijven van een (statistisch significante) koersdaling naar aanleiding van de corrigerende mededeling de conclusie zou worden getrokken dat de misleidende informatie de koers niet heeft beïnvloed, de reële kans bestaat dat een valide claim ten onrechte wordt afgewezen.3
Om de kans op zo’n verkeerde uitkomst (zoveel mogelijk) te verkleinen, doet men er verstandig aan om bij het beoordelen van het causaal verband tussen de misleiding en de door de belegger gestelde koersschade niet te volstaan met het slechts uitvoeren van een event study rondom het tijdstip van de corrigerende mededeling, en om alvorens een definitief oordeel te vellen, de analyse nog wat te verfijnen.4 Zo is het in de eerste plaats raadzaam om nog eens goed te kijken naar de ligging van de event window.5 Met een correct (en zorgvuldig) gekozen event window zou het in het scenario waarin de misleiding door middel van een lek naar buiten is gekomen of waarin de markt op eigen kracht tot een juiste voorstelling van zaken is gekomen, namelijk in principe mogelijk moeten zijn om (het bekend worden van) de koersinflatie op te sporen.6 In de tweede plaats is het raadzaam om te kijken of het uitvoeren van een zogenoemde ‘content analysis’ en/of het werken met zogenoemde ‘earnings response coefficients’ wellicht uitsluitsel kan bieden.7 Deze technieken maken het in het scenario waarin de corrigerende mededeling wordt gecombineerd met de publicatie van andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie immers mogelijk het koerseffect van de misleiding te detecteren. Maar zelfs wanneer het na het verfijnen van de analyse de eisende beleggers niet lukt om voldoende overtuigend aan te tonen hoe en wanneer de gestelde koersinflatie uit de koers is gelopen, wil dat nog niet dat zij geen koersverlies hebben geleden dat in causaal verband staat met de misleiding. Het is in dat geval nog steeds mogelijk dat zij het causaliteitsbewijs rond krijgen, alleen kunnen zij voor dit bewijs dan niet de (uitkomst van de) zojuist genoemde event study gebruiken.8 Over de wijze waarop de beleggers die hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden in dat geval het causaal verband kunnen (proberen te) bewijzen, kom ik hierna te spreken sub c.
Ik wijs er nog op dat wanneer de event study (inclusief de daarin doorgevoerde aanpassingen en aangebrachte verfijningen) op zichzelf onvoldoende overtuigend aantoont dat sprake was van een statistisch significante koersdaling, dit de mogelijkheid onverlet laat dat zij in combinatie met ander beschikbaar bewijsmateriaal als steunbewijs dient. Het is namelijk geenszins uitgesloten dat in samenhang bezien met dit andere bewijsmateriaal de event study wel voldoende overtuigend bewijs oplevert voor een significante koersdaling (zie verder hierna sub c, en dan het slot van onderdeel 1.B).
c. Het causaal verband moet op een andere manier worden bewezen wanneer ook na het herzien van de event study geen significante koersdaling kan worden aangetoond
Kan ook na het herzien van de event study niet worden aangetoond hoe en wanneer de gestelde koersinflatie precies uit de koers is gelopen, dan moeten de beleggers die hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden het causaal verband tussen de misleiding en de door hen gestelde koersschade op een andere manier bewijzen. Bij dit alternatieve bewijs moeten grosso modo twee groepen beleggers worden onderscheiden.9 Enerzijds de beleggers die het litigieuze aandeel hebben gekocht vlak nadat de misleidende mededeling werd gedaan (hierna: de ‘vroege kopers’), en anderzijds de beleggers die het litigieuze aandeel op een later moment in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht (hierna: de ‘latere kopers’). Dit alternatieve bewijs behandel ik voor beide groepen beleggers hierna achtereenvolgens.
1. De vroege kopers
Voor de vroege kopers onderscheid ik in het kader van het causaliteitsbewijs twee scenario’s. Ten eerste het scenario waarin de misleiding bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling en (de inhoud van) deze mededeling voor de markt als een positieve verrassing kwam. Ten tweede het scenario waarin de misleiding bestond uit het niet publiceren van relevante informatie (de misleidende omissie) of waarin deze bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling teneinde een negatieve verrassing daarmee te voorkomen (of althans, een grotere (negatieve) verrassing te voorkomen dan de verrassing waarmee de markt thans werd geconfronteerd). In het laatstgenoemde scenario werd het beleggende publiek met andere woorden misleid teneinde een (grotere) koersdaling af te wenden.
A. De misleiding bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling, en de daarin vervatte informatie kwam voor de markt als een positieve verrassing
In het eerstgenoemde scenario kunnen de vroege kopers voor het bewijs van causaal verband tussen de misleiding en de door hen gestelde koersschade in beginsel volstaan met het aantonen van een statistisch significante (residuele) koersreactie op het moment waarop de misleiden de mededeling voor de eerste keer werd gedaan.10,11 Kan immers worden vastgesteld dat de misleidende mededeling resulteerde in een statistisch significante koersstijging, dan mag men ervan uitgaan dat de misleidende informatie de koers inderdaad heeft beïnvloed, en dat de beleggers die het litigieuze aandeel vlak na het tijdstip van publicatie van de misleidende mededeling hebben gekocht, hiervoor een kunstmatig hoge prijs hebben betaald. En wanneer eenmaal is vastgesteld dat de eisende beleggers het litigieuze aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht, is in het hier besproken geval voor het (bewijs van het) causaal verband in principe niet meer van belang hoe en wanneer de misleiding precies bekend is geworden, en hoe en wanneer de gestelde koersinflatie weer uit de koers is gelopen.12 Gegeven het feit dat de litigieuze effecten op een efficiënte markt worden verhandeld, mag men immers aannemen dat op het moment van de corrigerende mededeling alle koersinflatie inmiddels uit de koers is verdwenen, en omdat de hier bedoelde beleggers hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden (dat is in § 9.4.2.4 althans het uitgangspunt), mag men dan tevens aannemen dat deze beleggers de door hen betaalde koersinflatie niet meer hebben terugverdiend via een tussentijdse verkoop.
Kortom, in het scenario waarin de misleiding bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling en (de inhoud van) deze mededeling voor de markt als een positieve verrassing kwam, kunnen de beleggers die hun aandelen hebben gekocht vlak nadat de misleidende mededeling werd gepubliceerd, en die hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden, bij het bewijs van het causaal verband in beginsel volstaan met het aantonen van een statistisch significante (residuele) koersstijging op het moment waarop de misleidende mededeling voor de eerste keer werd gedaan.
B. Het beleggende publiek werd misleid teneinde een negatieve verrassing te voorkomen
In het scenario waarin het beleggende publiek werd misleid teneinde een negatieve verrassing te voorkomen (of althans, een grotere (negatieve) verrassing te voorkomen dan de verrassing waarmee de markt thans werd geconfronteerd), heeft het geen zin om in het kader van het causaliteitsbewijs te kijken naar de residuele koersdaling die al dan niet plaatsvond toen de misleidende mededeling werd gedaan (c.q. het moment waarop de litigieuze informatie werd achtergehouden).13,14 In dat geval werd toen de misleiding begon immers geen nieuwe informatie gepubliceerd (althans geen informatie die verband hield met de misleiding), dus de markt kon daar op dat moment ook niet op reageren.15 In dit scenario zullen de beleggers die het litigieuze aandeel vlak na publicatie van de misleidende mededeling hebben gekocht het causaal verband tussen de misleiding en de door hen gestelde koersschade dus op een andere manier moeten bewijzen. Deze alternatieve bewijsroute bestaat in dit geval uit twee afzonderlijke etappes.16 De beleggers zullen in de eerste plaats (op een meer indirecte wijze) moeten aantonen dat de misleidende informatie een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gepubliceerd, zodat – gegeven het tijdstip waarop zij het litigieuze aandeel hebben gekocht – aannemelijk is dat zij hiervoor een kunstmatig hoge prijs hebben betaald (stap 1). Vervolgens moeten zij kunnen uitleggen waarom de corrigerende mededeling niet resulteerde in een statistisch significante koersdaling, terwijl de misleidende informatie naar hun oordeel wel tot koersinflatie heeft geleid (stap 2).
De eerstgenoemde bewijsopdracht bestaat op haar beurt uit twee elementen. De beleggers zullen ten eerste aannemelijk moeten maken dat de litigieuze informatie van het soort is dat normaal gesproken door de markt belangrijk wordt gevonden, en dat dit type informatie normaal gesproken van invloed is op de koers.17 Aan deze bewijsopdracht kunnen zij bijvoorbeeld voldoen door een content analysis uit te voeren.18 Daar bedoel ik in dit geval mee dat persberichten en analistenrapporten die in het verleden over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen op systematische wijze worden geanalyseerd, en dat daarbij zorgvuldig wordt gekeken op welke wijze en met welke frequentie over dit type informatie werd gerapporteerd.19,20 Blijkt uit deze analyse dat dit type informatie in persberichten en analistenrapporten vaak onderwerp is van discussie, dan vormt dat een sterke aanwijzing voor het feit dat dit type informatie door de markt belangrijk wordt gevonden. (De uitkomst van) deze content analysis zou kracht kunnen worden bijgezet met empirisch bewijs van het feit dat de publicatie van dit type informatie in de regel tot een statistisch significante (residuele) koersreactie leidt.21,22 De beleggers zullen in de tweede plaats moeten aantonen dat aan de litigieuze informatie ook in het concrete geval door de markt belang werd gehecht, zodat aannemelijk is dat de litigieuze informatie de koers daadwerkelijk heeft beïnvloed.23,24 Dit kunnen zij wederom doen door middel van een content analysis.25 Het gaat in dit geval echter om een andersoortige content analysis dan de zojuist bedoelde content analysis. De content analysis waar het hier om gaat, houdt in dat alle persberichten en analistenrapporten die rondom het tijdstip waarop de misleidende mededeling werd gedaan over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen worden geanalyseerd, en dat wordt gekeken of de misleidende informatie daadwerkelijk door de markt werd opgepikt, en/of dat de achtergehouden informatie voor de markt daadwerkelijk een ‘issue’ was.26
Hebben de beleggers de eerste bewijshindernis (de eerdergenoemde stap 1) eenmaal genomen, dan moeten zij – zoals reeds opgemerkt – vervolgens kunnen uitleggen hoe het uitblijven van een statistisch significante koersdaling naar aanleiding van de corrigerende mededeling is te rijmen met hun stelling dat de misleidende informatie tot koersinflatie heeft geleid (de eerdergenoemde stap 2).27 Zij moeten met andere woorden kunnen aantonen dat van het totale koersverlies dat zij over het tijdvak van de misleiding hebben geleden een deel is terug te voeren op het uit de koers lopen (en derhalve afnemen) van de koersinflatie. De beleggers kunnen aan deze bewijslast voldoen door (eventueel met behulp van deskundigenbewijs) aannemelijk te maken dat zich tijdens het tijdvak van de misleiding een of meer van de volgende scenario’s hebben voorgedaan:28
De misleiding is door middel van een lek (resulterend in handel met voorkennis en/of geruchtenvorming) geleidelijk bekend geworden, waardoor de koersinflatie geleidelijk uit de koers is gelopen.29
De markt is op eigen kracht tot een juiste voorstelling van zaken gekomen, waardoor de koersinflatie geleidelijk uit de koers is gelopen.30
De vennootschap heeft zich bezondigd aan het zogenoemde mechanisme van ‘walking down the stock price’, waardoor de koersinflatie geleidelijk uit de koers is gelopen.
De ware financiële toestand van de vennootschap is op grond van de zogenoemde ‘true financial condition theory’ geleidelijk bekend geworden, als gevolg waarvan de koersinflatie geleidelijk is ‘uitgedoofd’.
De marktwaarde van de misleidende informatie is onder invloed van externe factoren over het tijdvak van de misleiding zodanig afgenomen, dat de koersinflatie gaandeweg is verdwenen.31,32
De inhoud van de misleidende informatie is over het tijdvak van de misleiding zodanig gewijzigd dat de informatie na verloop van tijd niet langer misleidend was, met als gevolg dat de koersinflatie is verdwenen.33
Interessant is nog op te merken dat in het hier besproken scenario voor het bewijs van het causaal verband tussen de misleiding en de door de beleggers gestelde koersschade een bijzondere bewijsregel geldt.34 Deze regel houdt in dat de twee onderscheiden schakels in het bewijs van het causaal verband communicerende vaten zijn. Daarmee bedoel ik dat naarmate het bewijs voor de eerste schakel in de redenering overtuigender is (het bewijs dat de misleiding de koers heeft beïnvloed), het bewijs voor de tweede schakel (het bewijs dat de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding geleidelijk is afgenomen) minder overtuigend hoeft te zijn, en vice versa. De ratio van deze regel is dat wanneer de vroege kopers eenmaal overtuigend hebben aangetoond dat de misleiding een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gedaan, het minder relevant is hoe en wanneer de koersinflatie precies uit de koers is gelopen.35 Men mag er immers van uitgaan dat op het moment van de corrigerende mededeling alle koersinflatie inmiddels uit de koers is verdwenen, en omdat de hier bedoelde beleggers hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden (dat is in § 9.4.2.4 althans het uitgangspunt), mag men er dan tevens van uitgaan dat deze beleggers de door hen betaalde koersinflatie niet meer hebben terugverdiend via een tussentijdse verkoop.
De zojuist genoemde bewijsregel kan voor de praktijk van groot belang zijn, aangezien – zoals we hierboven sub b (en elders in het boek)36 al zagen – het voor de eisende beleggers niet altijd even gemakkelijk zal zijn om aan te tonen hoe en wanneer de koersinflatie precies uit de koers is gelopen. In het concrete geval kan deze regel met zich brengen dat wanneer een door de (deskundige van de) beleggers uitgevoerde event study op zichzelf onvoldoende overtuigend aantoont dat naar aanleiding van het bekend worden van de misleiding sprake was van een statistisch significante koersdaling, deze event study in combinatie met het bewijs dat is aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat de misleiding een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gedaan, wél voldoende overtuigend bewijs oplevert voor een significante koersdaling. In dat geval dient de event study dus als steunbewijs.
2. De latere kopers
Ook voor de beleggers die het litigieuze aandeel op een later tijdstip in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht, bestaat het bewijs van het causaal verband tussen de misleiding en de door hen gestelde koersschade uit twee afzonderlijke schakels.37 In de eerste plaats zullen zij moeten aantonen dat de misleiding een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gedaan (stap 1). Vervolgens moeten zij kunnen uitleggen waarom de corrigerende mededeling niet resulteerde in een statistisch significante koersdaling, terwijl de koers naar hun oordeel nog wel was geїnflateerd toen zij het litigieuze aandeel kochten (stap 2).
Voor de eerstgenoemde bewijsopdracht moeten in dit geval twee scenario’s worden onderscheiden. Ten eerste het scenario waarin de misleiding bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling en (de inhoud van) deze mededeling voor de markt als een positieve verrassing kwam. Ten tweede het scenario waarin de misleiding bestond uit het niet publiceren van relevante informatie (de misleidende omissie) of waarin deze bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling teneinde een negatieve verrassing daarmee te voorkomen (of althans, een grotere (negatieve) verrassing te voorkomen dan de verrassing waarmee de markt thans werd geconfronteerd). In het eerste scenario kan het bewijs voor de eerste schakel van het causaal verband worden geleverd door aan te tonen dat de misleidende mededeling resulteerde in een statistisch significante (residuele) koersstijging. In het tweede scenario heeft het echter geen zin om te kijken naar de (residuele) koersreactie die al dan niet plaatsvond toen de misleidende mededeling werd gedaan, aangezien op dat moment geen nieuwe informatie werd gepubliceerd (althans geen informatie die verband hield met de misleiding). In dit scenario zullen de beleggers dus op een andere manier moeten aantonen dat de misleiding de koers heeft beïnvloed. Dit alternatieve bewijs bestaat in dit geval uit twee elementen.38Ten eerste zullen de beleggers aannemelijk moeten maken dat de litigieuze informatie van het soort is dat normaal gesproken door de markt belangrijk wordt gevonden, en dat dit type informatie normaal gesproken van invloed is op de koers. Ten tweede zullen zij moeten aantonen dat aan de litigieuze informatie ook in het concrete geval door de markt belang werd gehecht, zodat aannemelijk is dat de litigieuze informatie de koers daadwerkelijk heeft beïnvloed. De wijze waarop deze elementen kunnen worden bewezen, heb ik hiervóór reeds besproken in onderdeel 1.B (onder het kopje ‘Het beleggende publiek werd misleid teneinde een negatieve verrassing te voorkomen’).
Na het nemen van de eerste bewijshindernis (stap 1), moeten de beleggers vervolgens dus kunnen uitleggen hoe het uitblijven van een statistisch significante koersdaling naar aanleiding van de corrigerende mededeling is te rijmen met hun stelling dat de koers nog wel was geїnflateerd toen zij het litigieuze aandeel kochten (stap 2).39 Zij moeten met andere woorden kunnen aantonen dat tussen het tijdstip waarop zij het aandeel kochten en het tijdstip van de corrigerende mededeling (een deel van) de door hen gestelde koersinflatie uit de koers is gelopen. De beleggers kunnen aan deze bewijslast voldoen door (eventueel met behulp van deskundigenbewijs) aannemelijk te maken dat zich gedurende deze periode40 een of meer van de hierboven in onderdeel 1.B (onder het kopje ‘Het beleggende publiek werd misleid teneinde een negatieve verrassing te voorkomen’) genoemde scenario’s hebben voorgedaan.
Hierbij is nog van belang op te merken dat – anders dan voor de beleggers die het aandeel hebben gekocht vlak nadat de misleidende mededeling was gepubliceerd – voor de beleggers die het litigieuze aandeel op een later tijdstip in het tijdvak van de misleiding hebben gekocht, niet de eerdergenoemde bewijsregel geldt dat de twee onderscheiden schakels in het bewijs van het causaal verband communicerende vaten zijn. In concreto betekent dit dat naarmate het bewijs voor de tweede schakel (het bewijs dat de koersinflatie over de genoemde periode is afgenomen) minder overtuigend is, dit gebrek aan overtuiging niet kan worden gecompenseerd met zéér overtuigend bewijs voor de eerste schakel (het bewijs dat de misleiding de koers heeft beïnvloed).41 Dit wordt verklaard door het feit dat wanneer de latere kopers eenmaal overtuigend hebben aangetoond dat de misleiding een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gedaan, dit op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat de koers ook nog was geїnflateerd toen zij het aandeel kochten.42 Het is immers goed mogelijk dat de koersinflatie reeds tussen het tijdstip waarop de misleiding begon en het tijdstip van aankoop van de laatstgenoemde beleggers uit de koers is gelopen. Dit ligt anders voor de beleggers die het litigieuze aandeel meteen aan het begin van het tijdvak van de misleiding hebben gekocht. Kunnen zij namelijk overtuigend aantonen dat de misleiding een koerseffect had toen de misleidende mededeling werd gedaan, dan betekent dit voor hen – ik zou zeggen – ‘per definitie’ dat zij het aandeel tegen een geїnflateerde koers hebben gekocht. Overigens is de observatie dat voor de latere kopers niet geldt dat de twee onderscheiden schakels in het causaliteitsbewijs communicerende vaten zijn, niet louter academisch van aard. Zij impliceert namelijk dat wanneer de laatstgenoemde beleggers niet kunnen aantonen dat de koersinflatie tussen het tijdstip van aankoop en het tijdstip van de corrigerende mededeling is afgenomen, hun vordering tot schadevergoeding onverkort zal worden afgewezen.
d. Voor het antwoord op de vraag of de misleiding überhaupt enige koersschade heeft veroorzaakt, hoeft alleen te worden gekeken naar de procespositie van de vroege kopers
Tot besluit van deze paragraaf over de procespositie van de beleggers die hun aandelen tot ten minste na de corrigerende mededeling hebben aangehouden, wijs ik er nog op dat als men wil onderzoeken of de misleiding (voor een of meer beleggers) überhaupt enige koersschade heeft veroorzaakt, in principe alleen maar hoeft te worden gekeken naar het causaliteitsbewijs van de beleggers die het litigieuze aandeel hebben gekocht vlak nadat de misleidende mededeling voor de eerste keer werd gedaan.43 Voor zover de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, weet men namelijk zeker dat op de aandelen die door deze vroege kopers aan het begin van het tijdvak van de misleiding zijn gekocht, door een of meer beleggers koersschade wordt geleden die in causaal verband staat met de misleidende informatie. Voor het antwoord op de vraag of de misleiding überhaupt enige koersschade heeft veroorzaakt, doet het er vervolgens niet zoveel meer toe of de vroege kopers hun aandelen al dan niet tot na de corrigerende mededelingen hebben aangehouden, en zo nee, hoe vaak de desbetreffende aandelen nadien nog van eigenaar zijn gewisseld. Voor de aandelen die aan het begin van het tijdvak van de misleiding zijn gekocht, kan namelijk met zekerheid worden gezegd dat de totale schade die – over het gehele tijdvak van de misleiding bezien – door een of meer (kopende) beleggers op deze aandelen wordt geleden, gelijk is aan de koersinflatie die aanwezig was aan het begin van het tijdvak van de misleiding. Meer in het algemeen kan men zeggen, dat voor elk aandeel dat in het tijdvak gelegen tussen (het tijdstip van) de initiële misleidende mededeling of omissie en (het tijdstip van) de corrigerende mededeling ten minste één keer wordt gekocht geldt, een of meer (kopende) beleggers via (de aankoop van) dat aandeel schade lijden.44 De totale schade die op dat aandeel door een of meer kopers wordt geleden, is gelijk aan de koersinflatie die aanwezig was toen het aandeel voor de eerste keer tijdens het tijdvak van de misleiding werd gekocht (voor zover er op het desbetreffende tijdstip althans sprake was van koersinflatie).45