Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.5.b
3.5.b Forum privilegiatum
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607101:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 5 november 2004, nr. 1073/2002 (Terrón/Spanje); zie ook CRM 30 maart 2005, nr. 973/2001 (Khalilov/Tajikistan); CRM 11 juli 2006, nr. 1211/2003 (Oliveró Capellades/Spanje); CRM 25 maart 2008, nr. 1351-1352/2005 (Hens Serena & Corujo Rodríguez/Spanje).
CRM 15 juli 1994, nr. 451/1991 (Harward/Noorwegen) en CRM 31 maart 1983, nr. 75/1980 (Fanali/Italië) waarover uitgebreider De Hullu 1989, p. 145-146. Vgl. ook (de noot van Keijzer onder) HR 3 december 2010, NJ 2011/122; zie voor het Nederlandse voorbehoud paragraaf 3.2a.
Tenzij de verdachte natuurlijk zelf erop staat dat hij in eerste aanleg door de hoogste instantie wordt berecht, zoals gebeurde in CRM 25 maart 2003, nr. 1004/2001 (Pasqual Estevill/Spanje); vgl. over het striktere Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten, Medina 2014, p. 319.
Trechsel 2005, p. 370.
In sommige landen is op de berechting van parlementariërs of bewindslieden een bijzondere procesrechtelijke voorziening van toepassing (zoals in Nederland, zie o.a. artikel 119 Gw). Zij worden bij een vervolging voor bepaalde (ambts)misdrijven in eerste en enige aanleg berecht door het hoogste rechterlijk college, het zogeheten forum privilegiatum.
Artikel 14 lid 5 IVBPR laat geen uitzondering toe op het recht op beroep voor deze bijzondere procedure. In Terrón/Spanje oordeelde het Comité “that ‘according to law’ is not intended to mean that the very existence of a right to review is left to the discretion of the States parties. Although the State party’s legislation provides in certain circumstances for the trial of an individual, because of his position, by a higher court than would normally be the case, this circumstance alone cannot impair the defendant’s right to review of his conviction and sentence by a court.”1 Ook uit andere onderdelen van die bepaling wordt geen uitzondering afgeleid. Verschillende landen, waaronder Nederland, hebben daarom met betrekking tot de bijzondere vervolging van ambtsdragers een voorbehoud bij het IVBPR gemaakt, dat ook door het Comité wordt geaccepteerd.2Artikel 2P7 lid 2 EVRM geeft expliciet de mogelijkheid het recht op beroep uit te sluiten voor veroordeelden die in eerste en enige instantie door een forum privilegiatum zijn veroordeeld. Het EHRM heeft over deze exceptie geen uitspraken gedaan.
Het lijkt ongerijmd om beroep in deze bijzondere categorie zaken gewoonweg uit te sluiten.3 Waarom wordt dit dan toch toegelaten? Trechsel vermoedt een pragmatische achtergrond: te veel bij het EVRM aangesloten landen stellen geen beroep open tegen de berechting door een forum privilegiatum.4 In Nederland is relevant dat de P-G bij de Hoge Raad met de vervolging is belast en de Hoge Raad in een kamer van maar liefst tien raadsheren oordeelt over ambtsmisdrijven (art. 111 en 76 Wet RO). De hoogstwaarschijnlijk secure inachtneming van eerlijk-procesrechten, en het bestaan van genoemde waarborgen voor kwaliteit in deze bijzondere procedure, compenseren in zekere zin het ontbreken van beroep. De procedure als geheel is dan toch behoorlijk, zo kan worden betoogd.5