Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.7.1
7.7.1 Aard van het certificaat
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232882:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/661.
In paragraaf 7.9.1 ga ik nader op de (uit de administratievoorwaarden voortvloeiende) rechten en verplichtingen van de certificaathouder in.
Zie ook Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 73, die opmerkt dat bij een gemengde verhouding het contractuele element het institutionele overheerst.
Zie voor deze verhouding nader paragraaf 7.8.2.
Zie tevens Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/661, waar wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat een “zeker verband” bestaat tussen een certificaat en een gecertificeerd aandeel niet betekent dat het certificaat “onzelfstandig” zou zijn: het is geen afhankelijk recht in de zin van artikel 3:7 BW en evenmin een nevenrecht als bedoeld in artikel 6:142 BW.
Artikel 2:202 BW.
Het certificaat belichaamt de rechtsverhouding, de rechten en verplichtingen van de certificaathouder in verhouding tot de STAK. Primair betreft dit de obligatoire aanspraak van de certificaathouder op (zijn aandeel in) (de waarde van) het gecertificeerde vermogen en de vruchten daarvan.1 Daarnaast is sprake van bijkomende rechten en eventueel verplichtingen. Aangezien de voornaamste (en wellicht wel enige) verplichting van de certificaathouder bestaat uit het ten titel van beheer overdragen van het te certificeren vermogen, is met name sprake van rechten. Van een verplichting tot bijstorting door de certificaathouder indien de schulden van de STAK de waarde van haar goederen overtreffen zal doorgaans geen sprake zijn. Bij (mogelijke) aanvullende rechten van de certificaathouder kan gedacht worden aan: (i) bevoegdheid om de certificaten te royeren (de beheersovereenkomst op te zeggen), (ii) recht om de gecertificeerde goederen te verkrijgen indien gedecertificeerd wordt en (iii) zeggenschapsrechten, al dan niet voor de certificaathouders gezamenlijk of binnen het kader van een vergadering van certificaathouders.2
Hoewel de rechtsverhouding tussen certificaathouder en STAK primair contractueel van aard is, waarbij de inhoud van de overeenkomst (met name) bepaald wordt door de administratievoorwaarden, kan ook sprake zijn van een institutionele relatie.3 Dit laatste doet zich voor indien de statuten van de STAK tevens voorzien in een rol voor de certificaathouder bij de organisatie van de STAK, bijvoorbeeld doordat bepaalde bevoegdheden zijn toegekend aan de (vergadering van) certificaathouders. De vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW geldt dan in zoverre ook voor de verhouding STAK – certificaathouder.4
Aangezien de kern van het certificaat het vorderingsrecht is, dat de certificaathouder economisch gerechtigd maakt tot (de waarde van) het certificeerde vermogen en de vruchten daarvan, bestaat een relatief sterke band tussen het certificaat en het gecertificeerde vermogen waarop dit betrekking heeft. De mate waarin een specifiek certificaat te koppelen valt aan een specifiek goed, zal evenwel verschillen, mede afhankelijk van de aard van het gecertificeerde vermogen: waar het bij certificaten van aandelen logisch is om één (of eventueel enkele) certificaten uit te geven voor een specifiek aandeel, ligt dit minder voor de hand bij bijvoorbeeld een kunstcollectie, een landgoed of een beleggingsportefeuille. In deze gevallen zal eerder sprake zijn van certificaten die elk recht geven op een evenredig aandeel in het gecertificeerde vermogen. De band tussen certificaat en gecertificeerd vermogen is evenwel niet dermate sterk, ook niet indien een één-op-één koppeling te maken is, dat het certificaat een afhankelijk recht is in de zin van artikel 3:7 BW, dat wil zeggen een recht dat zodanig aan een ander recht verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. Het tenietgaan van het gecertificeerde goed kan indirect weliswaar leiden tot het einde van het certificaat, omdat in de administratievoorwaarden bepaald is dat dit een omstandigheid is die tot decertificering leidt, maar als zodanig leidt het tenietgaan van het gecertificeerde goed niet tevens tot het tenietgaan van het certificaat, althans het daarin belichaamde vorderingsrecht.5
Doorgaans, zeker bij certificering in de familiesfeer, zal sprake zijn van certificaten op naam. Certificaten aan toonder of aan order zijn echter ook mogelijk. Bij aandelen in een BV is wel sprake van een beperking: indien daarvan certificaten aan toonder worden uitgegeven, kunnen de aan de desbetreffende aandelen verbonden rechten niet worden uitgeoefend.6