Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/2.4.1
2.4.1 Algemeen juridische achtergrond van het begrip
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412623:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Duk en Jeukens 1965, p. 26. Vgl. Prast 1978, p. 6 die de term ‘retrospectieve werking’ gebruikt voor het aanduiden van materieel en maatschappelijk terugwerkende kracht.
Zie voor een korte beschrijving van deze leer Folmer 1928, p. 15-17 en Duk en Jeukens 1965, p. 6.
Hijmans van den Bergh 1928, p. 19.
Knigge 1984, p. 22.
Knigge 1984, p. 27-28; zo ook Hartkamp 1991, p. 873.
Ook De Vries Lentsch-Kostense 1992, p. 35 houdt geen rekening met het feit dat een beoordeling eerst na inwerkingtreding kan plaatsvinden; zo ook Prast 1978, p. 5 en Popelier 1999a, p. 32.
Van der Beek 1992, p. 47.
Haazen 2001, p. 392; terecht merkt hij op dat bij een beoordeling vóór het moment van in werking treden ook anticipatie onder de omschrijving van terugwerkende kracht zou vallen.
Prast 1978, p. 14.
Zie o.a. Hijmans van den Bergh 1928, p. 19, Joppe 1987, p. 107 en Van der Beek 1992, p. 47.
Haazen 2001, p. 392. In vergelijkbare zin Popelier 1999a, p. 49 en Popelier 1997, p. 564.
Aan de inhoud van het begrip ‘terugwerkende kracht’ en de in verband daarmee te hanteren terminologie is in de literatuur veel aandacht besteed. Voor het begrip ‘terugwerkende kracht’ zijn verschillende synoniemen geïntroduceerd. Terwijl Hijmans van den Bergh sprak over terugwerkende kracht, gaf Duk de voorkeur aan het gebruik van de term ‘retrospectieve werking’.1 Hij vond de term ‘terugwerkende kracht’ misleidend, omdat een wet volgens hem niet terug kan werken; bij toepassing van de wet in de toekomst moet volgens Duk naar het verleden worden teruggeblikt. Aangezien de fiscale wetgever in het algemeen spreekt over terugwerkende kracht en de werking van een wet naar mijn mening vanaf een moment in het verleden kan aanvangen, zal ik mij hierna beperken tot het gebruik van deze term.
In de 19e eeuw werd het begrip ‘terugwerkende kracht’ gelijkgesteld met de aantasting van verkregen rechten.2 Aan deze gelijkstelling heeft Hijmans van den Bergh een einde gemaakt door onderscheid te maken tussen terugwerkende kracht en exclusieve werking van een wet. Volgens Hijmans van den Bergh heeft een wet terugwerkende kracht:3
‘wanneer zij een feit, voor haar in werking treden voorgevallen, van het oo - genblik van zijn voorvallen af, als onder haar heerschappij geschied behandelt.’
In latere jaren zijn verschillende kanttekeningen bij deze definitie geplaatst. Deze kanttekeningen hebben met name betrekking op de vragen hoe terugwerkende kracht moet worden onderscheiden van onmiddellijke werking en of terugwerkende kracht al dan niet een fictie vormt.
De eerste vraag – het onderscheid tussen terugwerkende kracht en onmiddellijke werking – komt erop neer dat moet worden gezocht naar de specifieke kenmerken van terugwerkende kracht. Zo concludeerde Knigge dat onder de definitie van Hijmans van den Bergh ook situaties waarin volgens de huidige opvattingen sprake is van onmiddellijke of exclusieve werking (zie hiervoor par. 2.5) kunnen worden geschaard. Het kenmerkende onderscheid tussen beide begrippen is volgens Knigge juist gelegen in het feit dat terugwerkende kracht rechtsgevolgen verbindt aan anterieure feiten, terwijl exclusief werkende wetten slechts rechtsgevolgen verbinden aan posterieure feiten. Dit laatste kan volgens Knigge wel tot gevolg hebben dat de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan anterieure feiten veranderen.4 Knigge concludeert vervolgens dat onder terugwerkende kracht moet worden verstaan: 5
‘het (door de wet) verbinden van rechtsgevolgen aan anterieure feiten.’
Onder anterieure feiten verstaat hij rechtsfeiten voorgevallen vóór de datum van inwerkingtreding van de wet.
Ook in de definitie van Knigge ontbreekt een belangrijk kenmerk van het begrip ‘terugwerkende kracht’. De rechtsgevolgen kunnen namelijk eerst nadat de wet is gaan gelden aan een anterieur feit worden verbonden (zie par. 2.2.1).6 Van der Beek heeft dit aspect wel in zijn definitie van terugwerkende kracht opgenomen.
In de visie van Van der Beek wordt in geval van terugwerkende kracht:7
‘vanaf het ogenblik van de inwerkingtreding gefingeerd dat de nieuwe wet op de op dat ogenblik bestaande rechtstoestanden reeds vanaf een daarvóór gelegen tijdstip toepasselijk is geweest.’
Haazen houdt eveneens rekening met het feit dat een wet eerst na de inwerkingtreding geldt. In zijn opvatting is een correcte omschrijving van terugwerkende kracht: 8
‘vanaf de inwerkingtreding geldt de wettelijke bepaling, maar deze wordt na inwerkingtreding toegepast op reeds vóór inwerkingtreding bestaande rechtstoestanden.’
De tweede vraag waarover de meningen zijn verdeeld is of terugwerkende kracht een fictie vormt. Op het eerste gezicht lijkt deze vraag louter van academische aard. Prast wijst er echter op dat het wel degelijk van belang is om vast te stellen dat geen sprake is van een fictie. Bij terugwerkende kracht wordt immers belasting geheven vanaf het moment dat een wet geldt en wordt niet gedaan alsof, zoals bij een fictie zou worden verwacht.9 Aanhangers van het standpunt dat sprake is van een fictie baseren hun mening op de gedachte dat wordt gedaan alsof de nieuwe regel reeds vanaf een vóór de inwerkingtreding gelegen tijdstip van toepassing is geweest.10 Ik ben van mening dat deze gedachte onjuist is; om met de woorden van Haazen te spreken:11
‘Terugwerkende kracht betekent niet dat de regel vanaf het verleden wordt toegepast, maar dat deze nu en hierna wordt toegepast op het verleden.’
Het is daarom ook onjuist om terugwerkende kracht te definiëren als inwerkingtreding vóór de datum van ondertekening of bekendmaking.12 Dit blijkt ook uit de Aanwijzingen voor de regelgeving. Met betrekking tot terugwerkende kracht is in aanwijzing 167 lid 2 vermeld:
‘Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling.’